Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2949

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/10/690776 / HA ZA 24-1102
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:941 lid 2 BWArt. 7:941 lid 5 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens schending mededelings- en medewerkingsplicht bij autobrandschade

Urgent sloot een WA- en cascoverzekering af bij Allianz voor een Audi A5. Na brandschade aan de auto deed Urgent een claim bij Allianz. Allianz stelde een onderzoek in vanwege vermoedens van fraude en een niet-authentieke aankoopfactuur. Urgent werkte onvoldoende mee aan het onderzoek, onder meer door het niet nakomen van afspraken voor een interview met de onderzoeker.

Allianz stelde dat Urgent haar mededelings- en medewerkingsplicht had geschonden met het opzet Allianz te misleiden, waardoor het recht op uitkering verviel. Urgent betwistte dit, maar kon onvoldoende onderbouwen waarom de factuur authentiek was en waarom het onderzoek niet fysiek kon plaatsvinden.

De rechtbank oordeelde dat Urgent niet voldeed aan haar verplichtingen uit de polisvoorwaarden en artikel 7:941 BW Pro. De niet-authentieke factuur en het gebrek aan medewerking rechtvaardigen het verval van het recht op uitkering. De vordering tot schadevergoeding en buitengerechtelijke kosten werd afgewezen en Urgent werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van Urgent af wegens schending van de mededelings- en medewerkingsplicht met opzet tot misleiding, waardoor het recht op uitkering vervalt.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/690776 / HA ZA 24-1102
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
URGENT.NU B.V.,
te Almere,
eisende partij,
hierna te noemen: Urgent,
advocaat: mr. B.A.S. van Leeuwen,
tegen
ALLIANZ BENELUX B.V.,
te Brussel, België,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Allianz,
advocaat: mr. R.H.J. Wildenburg.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 november 2024, met producties 0 t/m 6;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 t/m 21;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 26 mei 2025 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde spreekaantekeningen van beide partijen;
- het B2-formulier van 27 augustus 2025 waarin mr. Van Leeuwen zich stelt namens Urgent in plaats van de vorige advocaat;
- de akte van Allianz d.d. 27 augustus 2025;
- de akte uitlaten van Urgent d.d. 3 december 2025, met producties A-0001 en A-0002;
- de akte uitlaten van Allianz d.d. 3 december 2025, met producties 22 t/m 27.
Beide partijen hebben de aktes en de bijbehorende producties tevoren aan de wederpartij toegestuurd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Urgent heeft op 12 februari 2021 een WA- en cascoverzekering afgesloten bij Allianz voor haar auto (Audi A5) met kenteken [kentekennummer 1] (hierna: de auto). De heer [persoon A] was destijds enig bestuurder van Urgent.
2.2.
Op 7 mei 2021 heeft het Openbaar Ministerie administratief beslag gelegd op de auto in verband met een verdenking van fraude door Urgent onder de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid.
Op 10 en 11 mei 2021 is de kennisgeving van beslaglegging betekend bij Urgent en bij [persoon A] .
2.3.
Op 12 mei 2021 heeft Urgent bij Allianz melding gemaakt van brandschade aan de auto. De heer [persoon B] , werkzaam bij Urgent, heeft op 14 mei 2021 aangifte gedaan van brandstichting gepleegd in de nacht van 11 op 12 mei 2021. De expert van Allianz heeft de schade vastgesteld op basis van totaal verlies volgens dagwaarde, en de dagwaarde van de auto vastgesteld op € 40.516,81 ex btw.
2.4.
Op 27 mei 2021 is in opdracht van het Openbaar Ministerie conservatoir beslag gelegd onder Allianz op de vordering van Urgent terzake het verzekeringsgeld (€ 40.266: de voormelde dagwaarde minus een eigen risico van € 250), tot verhaal van een vordering van de Staat op [persoon A] .
2.5.
Per 5 oktober 2023 is [persoon A] geregistreerd in de interne en externe verwijzingsregisters in verband met betrokkenheid bij een niet-authentieke aanrijding en, in het verlengde daarvan, een frauduleuze schadeclaim.
2.6.
Gedurende het conservatoir beslag heeft Allianz de brandschade niet uitgekeerd. Op 2 mei 2024 ontving Allianz het bericht dat het conservatoir beslag was opgeheven. Allianz wenst dan de brandschade nader te onderzoeken vanwege het vermoeden dat de brandschade verband houdt met (de betekening van) het administratieve beslag op de auto vlak voorafgaand aan de brandschade. In het bijzonder wil Allianz dat [persoon A] wordt gehoord en dat verificatie plaatsvindt van de aankoopfactuur. Opgemerkt is dat de door Urgent overhandigde aankoopfactuur summier is opgesteld, dat een logo van het autobedrijf ( [naam autobedrijf] .) ontbreekt, dat een spatie ontbreekt tussen het woord telefoon en het nummer, dat een handtekening of paraaf ontbreekt van de verkoper dat de verkoopsom is betaald, en dat de auto volgens de factuur zonder enige garantie is gekocht. Allianz heeft onderzoeksbureau Dekra ingeschakeld om het onderzoek te verrichten.
2.7.
Bij e-mail van 14 juni 2024 is Urgent ervan in kennis gesteld dat Allianz de behandeling van de claim heeft overgedragen aan de afdeling Speciale Zaken van Allianz, dat Allianz van mening is dat de feiten en omstandigheden rondom de brand verder in kaart dienen te worden gebracht, en dat een onderzoeker contact op zal nemen om een afspraak in te plannen. Een e-mail van 25 juni 2024 van onderzoeker [persoon C] van Dekra aan [persoon A] luidt: “Van uw verzekeraar heb ik de opdracht ontvangen om onderzoek te doen naar autobrand die plaatsvond tussen 11 en 12 mei 2021. Het voertuig betreft een Audi A5 met kenteken [kentekennummer 1] . Ik heb u gebeld op (…) , maar uw telefoon werd niet beantwoord. Ook kon ik de voicemail niet inspreken. Verzoek om met mij contact op te nemen voor het maken van een afspraak. (…)”
Op 3 juli 2024 heeft de onderzoeker opnieuw gemaild naar [persoon A] omdat deze nog niet had gereageerd. Dezelfde dag heeft [persoon A] laten weten geen medewerking te willen verlenen aan een onderzoek. [1]
Op 7 juli 2024 heeft [persoon A] per e-mail aan Allianz dringend verzocht om uitkering van de schadevergoeding. Hij voert aan dat de beide claims (ook die van de aanrijding, zie hierna onder 4.1.) destijds al beoordeeld zijn, dat tijdens de beoordeling van de claim Urgent daaraan volledige medewerking heeft verleend en dat in de afgelopen drie jaar van het beslag nooit door Allianz is aangegeven dat er nog zaken onduidelijk waren. Op 12 juli 2024 is hierop gereageerd door de schadebehandelaar van Allianz. Zij schrijft onder meer: “Voor wat betreft de schade aan de Audi A5 ( [kentekennummer 1] ) dringen wij erop aan dat u meewerkt aan het onderzoek. U bent op basis van de polisvoorwaarden hiertoe verplicht. Doet u dit niet dan betekent dat dat u het recht op dekking verliest.” Op 18 juli 2024 heeft [persoon A] wederom verzocht om uitbetaling van de claim. Er is vervolgens alsnog een afspraak ingepland voor het gesprek van [persoon A] met de onderzoeker voor 24 september 2024.
2.8.
Op 24 september 2024 is [persoon A] niet verschenen zodat de onderzoeker het gesprek met hem niet kon voeren. Dat [persoon D] en [persoon B] en mr. Spoor, toenmalig advocaat van Urgent, wel aanwezig waren maakte niet dat de onderzoeker het gesprek met (één van) hen wilde voeren. Urgent heeft diezelfde dag Allianz gesommeerd tot betaling van de brandschade en daarbij een klacht tegen de schadeafhandeling door Allianz geformuleerd.
In de brief van 22 oktober 2024 beoordeelt de klachtenbehandelaar van Allianz de klacht als ongegrond. In die brief staat onder meer: “Ik verzoek u daarmee vriendelijk om deze medewerking te verlenen en een gesprek te laten plaatsvinden met de onderzoeker, waarbij in ieder geval dhr. [persoon A] aanwezig is. Tijdens dit gesprek zullen dan de relevante vragen worden gesteld, welke de schadebehandelaar graag beantwoord zou willen zien door dhr. [persoon A] . Als dhr. [persoon B] bij dit gesprek aanwezig wilt zijn, omdat hij de berijder is geweest van beide voertuigen, dan is daar vanuit de zijde van Allianz geen bezwaar tegen.”
2.9.
Op 26 mei 2025 vond de mondelinge behandeling in deze zaak plaats. In de conclusie van antwoord had Allianz reeds uiteengezet waarop zij baseerde (zie hiervoor onder 2.6.) dat Urgent een niet-authentieke aankoopfactuur van de auto aan Allianz had overhandigd.
Bij de mondelinge behandeling heeft [persoon A] desgevraagd verklaard dat hij vaker zaken deed met het autobedrijf waar de auto volgens de factuur is gekocht ( [naam autobedrijf] voormeld), dat de originele factuur in de administratie van Urgent nog aanwezig is, dat de auto is gekocht in Duitsland en vervoerd naar Nederland en dat [naam autobedrijf] dat voor Urgent heeft geregeld: “het hele proces heeft begeleid”.
Zijdens Allianz is verklaard dat zij niet wist dat het om een importauto ging.
Tussen partijen is tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat Allianz het onderzoek naar de brandschade hervat en dat [persoon A] meewerkt aan het interview met de onderzoeker.
2.10.
In haar onderzoeksnotitie van 27 november 2025 heeft Dekra geschreven dat zij op 14, 23, 28, 29 en 30 juli 2025 contact heeft gezocht met het voormalige advocatenkantoor van Urgent voor het maken van een afspraak met [persoon A] en over de vraag wie de nieuwe advocaat zou worden. Daarop werd geen reactie ontvangen.
2.11.
De heer [persoon A] heeft bij e-mail van 1 augustus 2025 Allianz benaderd voor het plannen van een gesprek. Daarbij heeft hij aangegeven in het buitenland te verblijven en in de eerste week van september 2025 weer terug te zijn in Nederland. Ook verzocht hij of videobellen mogelijk was.
2.12.
In september en oktober 2025 heeft Allianz zowel de nieuwe advocaat van Urgent (mr. Van Leeuwen voormeld) als [persoon A] diverse keren aangeschreven, teneinde een fysiek interview met [persoon A] in te plannen.
Per (gewone en aangetekende) brief van 6 oktober 2025 schreef Allianz aan [persoon A] onder meer: “Tot op heden hebben wij via de heer Van Leeuwen, ondanks herhaalde verzoeken hiertoe, geen reactie mogen ontvangen voor het inplannen van een fysieke afspraak voor een persoonlijk gesprek. Om die reden richten wij ons nu rechtstreeks tot u. Wij verzoeken u binnen 7 dagen na dagtekening van deze brief contact met ons op te nemen voor het inplannen van een definitieve fysieke afspraak. Indien wij binnen de gestelde termijn geen reactie van u hebben ontvangen, dan wel binnen deze termijn geen fysieke afspraak met u hebben kunnen inplannen dan zien wij ons genoodzaakt de rechtbank te informeren over het feit dat er geen medewerking wordt verleend aan het door Allianz ingestelde onderzoek. U kunt (…) telefonisch contact opnemen met de toedrachtsonderzoeker van Allianz, de heer (….). Hij is bereikbaar op het nummer (…) U ontvangt van deze brief ook een afschrift via het email adres [mailadres] ”
Op deze brief reageerde mr. Van Leeuwen met een e-mail van 13 oktober 2025, met de mededeling dat hij getracht heeft contact met Allianz te leggen om een afspraak voor een persoonlijk gesprek met cliënt te regelen. In deze e-mail van 13 oktober 2025 dringt mr. Van Leeuwen er opnieuw op aan het interview toch digitaal te doen aangezien cliënt wederom in Marokko verblijft, en geeft hij te kennen dat zijn cliënt het interview uitsluitend in aanwezigheid van zijn advocaat wil doen.
Per e-mail van 14 oktober 2025 aan mr. Van Leeuwen vraagt de onderzoeker van Allianz na wanneer en op welke wijze mr. Van Leeuwen heeft geprobeerd hem te contacten, omdat hij daar niets van kan terugvinden.
Mr. Van Leeuwen gaat op die vraag in zijn reactie van 14 oktober 2025 niet in en concretiseert zijn beweerde pogingen niet.
Bij e-mail van 20 oktober 2025 schrijft vervolgens mr. Wildenburg namens Allianz aan mr. Van Leeuwen onder meer: “Cliënte is al geruime tijd doende om een fysieke bespreking zoals afgesproken in te plannen. Het verbaast cliënte dat u heeft aangegeven telefonisch contact (meermaals) met haar te hebben opgenomen voor het inplannen van die afspraak. Mijn cliënte blijkt dit uit niets. Zij verzoekt om een gedetailleerde opgave van de pogingen tot contact. Daarover verneem ik graag van u. Verder is duidelijk dat er een fysieke bespreking moet komen. (….) Kortom, ik verneem van u graag enkele data waarop het fysieke interview/ onderzoek plaats kan hebben. Vanzelfsprekend mag u daarbij aanwezig zijn. (…) Laat u mij – ook met het oog op de termijn die de rechtbank heeft gegeven – nog deze week weten? (…)”
Tot een concrete afspraak heeft ook deze e-mail niet geleid. Er heeft geen interview met [persoon A] plaatsgevonden.

3.Het geschil

3.1.
Urgent vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Allianz te veroordelen tot betaling van € 40.266, te vermeerderen met wettelijke rente;
II. Allianz te veroordelen tot betaling van – primair – € 7.865, althans – subsidiair – € 6.365, te vermeerderen met wettelijke rente;
III. Allianz te veroordelen tot betaling van € 1.275 aan buitengerechtelijke incassokosten;
IV. Allianz te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
V. Allianz te veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
Allianz voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Urgent, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Urgent in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Omvang vordering
4.1.
Aanvankelijk betrof deze zaak de afwikkeling van twee schades aan personenauto’s; een brandschade, waar vordering I op ziet, en een aanrijdingsschade, waar vordering II op ziet. Tijdens de mondelinge behandeling op 26 mei 2025 erkende Urgent dat Allianz de aanrijdingsschade inmiddels had vergoed. Bij haar akte uitlaten vermeldt Urgent dan ook dat uitsluitend nog de vraag aan de orde is of Allianz de brandschade moet vergoeden. De omvang van het geschil is daarmee beperkt. Urgent heeft geen belang meer bij de vordering die ziet op de aanrijdingsschade (vordering II). Die vordering zal dan ook worden afgewezen.
Opzet tot misleiding
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de WA- en cascoverzekering die Urgent bij Allianz heeft afgesloten in beginsel dekking biedt voor de brandschade. Urgent grondt haar vordering dan ook op nakoming van de contractuele verbintenis van Allianz tot uitkering van de door haar geleden schade. Allianz voert echter als verweer aan dat zij niet gehouden is tot uitkering over te gaan, omdat Urgent haar mededelings- en medewerkingsplicht heeft geschonden met het opzet Allianz te misleiden. Urgent betwist dat daarvan sprake is.
4.3.
Op grond van artikel 7:941 lid 2 jo Pro. lid 5 BW is Urgent verplicht om
binnen redelijke termijnAllianz
alle inlichtingen en bescheiden te verschaffendie voor Allianz van belang zijn om haar uitkeringsplicht te beoordelen, en vervalt het recht op uitkering indien Urgent deze verplichting niet is nagekomen met het opzet om Allianz te misleiden, behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt.
4.4.
Voor wat betreft de opzettelijke misleiding rust de stelplicht (en bij gemotiveerde betwisting, de bewijslast) op Allianz. Het is dus aan Allianz om voldoende gemotiveerd te stellen en zo nodig te bewijzen, dat Urgent de bedoeling heeft gehad Allianz te bewegen tot het uitkeren van een schadevergoeding die Allianz zonder die schending niet zou hebben uitgekeerd.
Van Allianz mag in dit kader worden verwacht dat zij in ruime mate aan haar stelplicht voldoet, ingaat op het standpunt van Urgent, inzicht geeft in het uitgevoerde onderzoek en eventueel de stukken van dit onderzoek verstrekt.
Het is vervolgens aan Urgent om voldoende gemotiveerd in te gaan op hetgeen Allianz ter onderbouwing van haar verweer heeft aangevoerd.
Niet meewerken (nader) onderzoek
4.5.
Volgens Allianz heeft Urgent geen medewerking verleend aan het onderzoek naar de schade(omvang). Onder verwijzing naar de onderzoeksnotitie van Dekra en de in het geding gebrachte e-mail- en briefwisseling voert Allianz aan dat het voorafgaand aan zowel als na de mondelinge behandeling van 26 mei 2025, ondanks herhaalde pogingen daartoe van de kant van Allianz/Dekra, maar bij gebrek aan medewerking van de kant van Urgent, niet is gelukt om een fysiek interview met [persoon A] te houden. Dat dat fysieke gesprek zou plaatsvinden was het uitgangspunt na de mondelinge behandeling van 26 mei 2025. Door de handelwijze van Urgent kan Allianz geen volledig onderzoek doen naar de feiten en omstandigheden van de brandschade.
4.6.
Urgent betwist dat zij niet heeft meegewerkt. Zij wijst erop dat zij op 1 augustus 2025 juist het initiatief heeft genomen om een gesprek in te plannen en dat Allianz toen ruim een maand heeft gewacht met een reactie. Ook meent Urgent dat Allianz voor een onnodig belastende route kiest door zonder overtuigende rechtvaardiging de mogelijkheid van een digitaal gesprek terzijde te schuiven.
4.7.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt na de mondelinge behandeling was dat het onderzoek naar de brandschade zou worden hervat en dat in dat kader een fysiek gesprek met [persoon A] zou worden ingepland. Partijen waren het daar tijdens de mondelinge behandeling over eens en die aanpak kwam de rechtbank ook niet ongegrond voor. Het latere verzoek van [persoon A] om het gesprek digitaal te voeren is daarmee niet in lijn en hoefde door Allianz niet te worden gehonoreerd. Het is in beginsel aan de verzekeraar om te bepalen hoe zij haar onderzoek wil inkleden; zij moet immers haar uitkeringsplicht kunnen beoordelen. Allianz voerde in dat kader aan dat zij specifiek van [persoon A] een nadere toelichting wilde op de feiten en omstandigheden van de brandschade en de aankoop van de auto, omdat [persoon A] ten tijde van de aankoop van de auto, ten tijde van het afsluiten van de verzekering en op het moment dat de brandschade ontstond, enig bestuurder was van Urgent. Ook heeft Allianz toegelicht dat zij een fysiek gesprek wil en geen videogesprek omdat zij de lichaamshouding wil kunnen waarnemen en omdat het niet mag voorkomen dat een geïnterviewde (digitaal) teksten worden ingefluisterd, hetgeen in een videogesprek niet kan worden gecontroleerd.
4.8.
Door niet adequaat te reageren op de herhaalde contactpogingen en gespreksuitnodigingen van Allianz heeft Urgent dan ook naar het oordeel van de rechtbank haar mededelings- en medewerkingsplicht, verwoord in artikel 7:941 lid 2 BW Pro, jegens Allianz geschonden. Daaraan doet niet af dat er een maand is verstreken tussen het moment waarop Urgent Allianz éénmalig aanschreef (1 augustus 2025) en het moment waarop Allianz Urgent (opnieuw) aanschreef (4 september 2025), temeer niet nu [persoon A] had meegedeeld (pas) in de eerste week van september 2025 weer terug te zijn in Nederland. Het had op de weg van Urgent gelegen om binnen een redelijke termijn aan het verzoek van Allianz om een fysiek gesprek gehoor te geven. Urgent heeft dat niet gedaan.
Bij het oordeel dat Urgent niet heeft voldaan aan haar mededelings- en medewerkingsplicht is ook belang gehecht aan het feit dat Urgent voorafgaand aan de mondelinge behandeling al eens een afspraak met Allianz voor een interview van [persoon A] niet is nagekomen doordat op de afgesproken plaats en tijd niet [persoon A] aanwezig bleek, maar [persoon D] samen met [persoon B] .
Dit is bij de mondelinge behandeling besproken en Urgent is toen voorgehouden dat uit de desbetreffende correspondentie blijkt dat voor Urgent helder moet zijn geweest dat het interview zou worden gehouden met [persoon A] , en niet met een familielid met dezelfde achternaam, en dat het in beginsel aan de verzekeraar is om te bepalen hoe zij haar onderzoek inkleedt. Urgent heeft de nieuwe kans die haar na de mondelinge behandeling is geboden om alsnog mee te werken aan een fysiek interview kennelijk willens en wetens niet benut.
Aankoopfactuur
4.9.
Allianz voert voorts aan dat Urgent haar mededelingsplicht heeft geschonden met het oogmerk om Allianz te misleiden, nu Urgent een niet-authentieke aankoopfactuur van de auto heeft ingediend bij Allianz. Allianz wijst ter onderbouwing op de onderzoeksnotitie van Dekra van 27 november 2025 die zij in het geding heeft gebracht als productie 22 bij akte uitlaten van 3 december 2025.
4.10.
Uit de onderzoeksnotitie van Dekra blijkt dat de onderzoeker op 11 juli 2025 een onaangekondigd bezoek bracht aan autobedrijf [naam autobedrijf] , en dat hij de heer [persoon E] verzocht aan te tonen dat de aankoopfactuur van de Audi, met factuurnummer [factuurnummer] , in het administratiesysteem van zijn bedrijf voorkwam. Vervolgens kwam onder genoemd factuurnummer een aankoopfactuur naar voren niet van de Audi, maar van een Ford Transit met kenteken [kentekennummer 2] , met een geheel andere naam van de koper, over welke persoon de heer [persoon E] vertelde dat het zijn zwager was.
Op de vraag van de onderzoeker of [persoon E] bekend was met de naam [achternaam] en/of Urgent.nu, antwoordde [persoon E] ontkennend.
Volgens de onderzoeksnotitie zei [persoon E] ook dat mensen zo maar in- en uit konden lopen in zijn bedrijf dus dat hij niet kon uitsluiten dat er iemand een factuur had opgesteld zonder dat hij dit wist. Toen de onderzoeker zei het verre van geloofwaardig te vinden dat een vreemde een kantoor binnenloopt, achter een computer gaat zitten, exact weet hoe het administratiesysteem werkt om dan vervolgens een nota te ‘fabriceren’, haalde [persoon E] zijn schouders op en antwoordde: “ga maar naar de Rechtbank, daar vertel ik exact hetzelfde”.
4.11.
Urgent betwist dat [persoon E] voormelde verklaringen heeft afgelegd, althans dat daar waarde aan kan worden toegekend, en heeft in dat kader aangevoerd dat niet duidelijk is wie de onderzoeker van Dekra precies heeft gesproken en wat diens functie was.
Ook voert Urgent aan dat de onderzoeksnotitie van Dekra slechts een eenzijdige, interne bewijsbron is. Zij wijst erop dat het rapport geen ondertekende verklaringen, gesprekstranscript, bevestiging per e-mail of brief, kopieën van relevante grootboekrekeningen, facturenreeks, journaalposten, BTW-aangiften enzovoorts bevat.
Urgent meent voorts dat een verzekerde slechts kan worden verweten dat hij een document met misleidende strekking heeft overgelegd, indien dat document daadwerkelijk relevant is voor de door de verzekeraar te nemen beslissing, hetzij omtrent de dekking, hetzij omtrent de schadeomvang. Dat is in casu volgens Urgent niet het geval omdat voor Allianz de dagwaarde het criterium is om de omvang van de schade te bepalen, en niet de aanschafprijs zoals vermeld op de aankoopfactuur. Bij Urgent zou dan ook geen sprake zijn van het doelgericht een voordeel hebben willen behalen door het verstrekken van een niet-authentieke aankoopfactuur.
Tenslotte wijst Urgent erop dat de onderzoeker de slotopmerking maakt dat hij niet kan uitsluiten dat [persoon E] bemoeienis heeft gehad met het opstellen van de aankoopfactuur van de Audi omdat de originele factuur van de Ford Transit wel in de boekhouding voorkomt en qua lay-out identiek is. Urgent meent dat als de onderzoeker de integriteit van zijn bron niet kan waarborgen het niet mogelijk is om de door die bron verstrekte informatie als solide fundament voor een fraudeverwijt te gebruiken.
4.12.
Het verweer van Urgent wordt verworpen. Het nadere onderzoek van Dekra, neergelegd in de onderzoeksnotitie, in combinatie met de ‘gebreken’ aan de door Urgent overhandigde factuur (zie hiervoor onder 2.6.), staaft dat Urgent een niet-authentieke factuur heeft ingediend bij Allianz. Dat onduidelijk is gebleven of [persoon E] (dan wel zijn zwager of een werknemer of een vreemde) mogelijk heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de niet-authentiek factuur maakt dat niet anders. Evenmin doet daaraan af als [persoon E] en [achternaam] elkaar wèl zouden hebben gekend, zoals door Urgent met diverse bankafschriften onderbouwd wordt gesteld.
Het is niet aan Allianz, maar aan Urgent om opheldering te verschaffen omtrent de vragen die rijzen vanwege de kennelijk niet-authentieke aankoopfactuur. Dat had Urgent allereerst tegenover de onderzoeker kunnen doen indien zij had meegewerkt aan het onderzoek van Allianz, wat zij heeft nagelaten. Urgent had daarbij bijvoorbeeld het origineel van haar factuur (die zij in haar administratie zou hebben, volgens mededeling op de mondelinge behandeling) kunnen overhandigen en kunnen toelichten hoe het precies was gegaan met het importeren van de auto uit Duitsland, welk proces door [persoon E] zou zijn begeleid.
Onder de omstandigheden van deze zaak, en in het bijzonder nu het aan Urgent te verwijten is dat een fysiek interview met [persoon A] niet heeft plaatsgehad, voert het te ver verdergaande eisen te stellen aan het nader onderzoek en de onderzoeksnotitie van Dekra. Urgent kan niet verwachten dat Allianz/Dekra iedere stap in het onderzoeksproces aflegt op de door Urgent voorgestane wijze.
4.13.
Urgent miskent voorts dat een aankoopfactuur waaruit de (werkelijke) aankoopwaarde blijkt, voor de dagwaarde (mede) bepalend is. Dit is met zoveel woorden door Allianz meegedeeld in de conclusie van antwoord en op de mondelinge behandeling, en door Urgent niet gemotiveerd betwist. De door Urgent aan Allianz overhandigde niet-authentieke aankoopfactuur, alsmede het gegeven (zoals dat bleek op de mondelinge behandeling) dat de Audi een uit Duitsland geïmporteerde auto was, wat bij Allianz voordien niet bekend was, zijn bij het bepalen van de dagwaarde van een auto relevante gegevens voor de expert. Het ligt voor de hand dat als blijkt dat een niet-authentieke aankoopfactuur is ingebracht en de auto geïmporteerd is uit Duitsland, nader onderzoek zal moeten plaatsvinden naar de oorspronkelijke aanschafprijs in Duitsland, de juistheid van de kilometerstand, het onderhoud van de auto, of er schades met de auto zijn gereden, en hoe het (werkelijk) zit met de meeruitvoeringen en accessoires, om de dagwaarde te kunnen bepalen.
4.14.
Ten slotte overweegt de rechtbank dat tijdens de mondelinge behandeling ter sprake is gekomen dat gedurende het beslag van het OM op de verzekeringsuitkering geen nader onderzoek is gedaan naar de schade. Allianz heeft erkend dat dat onderzoek eerder opgepakt had kunnen worden en heeft daar ook excuses voor aangeboden. Dit maakt de beoordeling in deze zaak echter niet anders.
Conclusie
4.15.
Het vorenstaande rechtvaardigt de conclusie dat Urgent haar mededelingsplicht en medewerkingsplicht uit hoofde van artikel 7:941 lid 2 BW Pro heeft geschonden om Allianz te misleiden en te bewegen tot een schade-uitkering of hogere schade-uitkering dan waarop zij recht had gehad (artikel 7:941 lid 5 BW Pro). Het gevolg daarvan is dat het recht op uitkering vervalt en dat vordering I van Urgent wordt afgewezen.
Nevenvordering
4.16.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten deelt het lot van de hoofdvordering van Urgent en zal dus ook worden afgewezen.
Proceskosten
4.17.
Urgent is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Allianz worden begroot op:
- griffierecht
2.889,00
- salaris advocaat
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.495,00
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van Urgent af,
5.2.
veroordeelt Urgent in de proceskosten van € 5.495,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Urgent niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt Urgent tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
3533 / 638

Voetnoten

1.n.b. dit volgt uit prod. 10 bij CvA; de brief van Allianz van 22 oktober 2024 aan mr. Spoor in reactie op de klacht van 24 september 2024 die mr. Spoor namens Urgent heeft verwoord over de schadeafhandeling. Allianz heeft in de brief de klacht ongegrond beoordeeld.