ECLI:NL:RBROT:2026:2917

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
11966568 CV EXPL 25-24607
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 IVRKArt. 7:225 BWArt. 7:248 BWArt. 8-13 algemene voorwaarden HavenstederArt. 21.2 algemene voorwaarden Havensteder
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsregeling en voorwaardelijke ontbinding huurovereenkomst wegens huurachterstand

De huurder heeft een aanzienlijke huurachterstand van €15.228,15 bij verhuurder Havensteder. De kantonrechter veroordeelt de huurder tot betaling van dit bedrag, maar wijst incassokosten en rente af omdat het boetebeding in de algemene voorwaarden onredelijk is en in strijd met de wet.

Partijen spreken een betalingsregeling af waarbij de huurder maandelijks €250,00 aflost en vanaf april 2026 de huur op tijd moet betalen. Bij niet-naleving van deze regeling volgt ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming binnen een maand, met een ruimere ontruimingstermijn vanwege minderjarige kinderen in de woning.

De kantonrechter bepaalt dat de huurder een gebruiksvergoeding van €1.456,27 per maand moet betalen vanaf april 2026 tot ontruiming. Proceskosten van €2.614,45 worden aan de huurder opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd.

Uitkomst: Huurder wordt veroordeeld tot betaling van huurachterstand met betalingsregeling en ontbinding van huurovereenkomst bij niet-naleving.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11966568 CV EXPL 25-24607
datum uitspraak: 13 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Havensteder’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 11 november 2025, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • de actuele specificatie van de huurachterstand van 29 januari 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 9 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: de heer [persoon A] namens de gemachtigde van Havensteder en [gedaagde] .

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt een woning van Havensteder en heeft de huur niet op tijd betaald. Havensteder wil dat [gedaagde] de huurachterstand en de lopende huur betaalt. Havensteder wil ook dat de huurovereenkomst eindigt en dat [gedaagde] vertrekt uit de woning. [gedaagde] moet de huurachterstand en de lopende huur inderdaad betalen. Voor de achterstand is een betalingsregeling afgesproken. Als [gedaagde] zich niet houdt aan die regeling of vanaf nu tijdens de aflosperiode de huur weer niet op tijd betaalt, eindigt de huurovereenkomst en moet hij de woning verlaten. De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op een maand, omdat [gedaagde] met minderjarige kinderen in de woning woont. Hierna wordt dit oordeel uitgelegd.
[gedaagde] moet de totale schuld van € 15.228,15 betalen
2.2.
De partijen zijn het erover eens dat de schuld van [gedaagde] aan Havensteder op het moment van de zitting € 15.228,15 was. Dit bedrag is gebaseerd op de huur tot en met februari 2026. Havensteder heeft bij de berekening van deze huurachterstand al rekening gehouden met de vernietiging van het oneerlijke huurprijswijzigingsbeding. [gedaagde] wordt veroordeeld om dit bedrag aan Havensteder te betalen.
[gedaagde] hoeft geen incassokosten en rente te betalen
2.3.
De kantonrechter wijst de incassokosten en de rente af. In artikel 21.2 van de algemene voorwaarden van Havensteder staat hierover namelijk een oneerlijke bepaling. Omdat die bepaling oneerlijk is, mag Havensteder daar geen beroep op doen en kan zij ook geen aanspraak maken op de incassokosten en rente uit de wet. [1] De bepaling is oneerlijk, omdat daarin staat dat [gedaagde] een boete moet betalen als hij niet aan de verplichtingen uit artikelen 8 tot en met 13 van de algemene voorwaarden voldoet. Daaronder valt ook het op tijd betalen van de huur. Op grond van de wet zou [gedaagde] als hij te laat betaalt alleen de wettelijke rente en incassokosten moeten betalen. Havensteder wijkt met de boete dus in het nadeel van een consument af van de wet door daarnaast een boete op te leggen. Dat maakt deze bepaling hier oneerlijk.
Verder geen oneerlijke bepalingen
2.4.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
De partijen hebben een betalingsregeling afgesproken
2.5.
De partijen hebben op de zitting een betalingsregeling afgesproken. Dat betekent dat [gedaagde] de huurachterstand niet in één keer aan Havensteder hoeft te betalen, zolang hij zich aan de regeling houdt en vanaf 1 april 2026 de huur op tijd betaalt (telkens uiterlijk voor of op de eerste van de maand). [gedaagde] heeft tijdens de zitting toegezegd dat hij zich zal inspannen om de huur van maart 2026 ook op tijd te betalen. Partijen hebben verder afgesproken om over zes maanden met elkaar te bespreken of het aflossingsbedrag van € 250,00 per maand kan worden verhoogd.
Ontbinding en ontruiming als [gedaagde] zich niet aan de betalingsregeling houdt of tijdens de aflosperiode de huur niet op tijd betaalt
2.6.
De kantonrechter mag een huurovereenkomst alleen ontbinden als de huurachterstand ernstig genoeg is. Meestal zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [2] Gelet op alle omstandigheden in deze zaak wordt de gevraagde ontbinding toegewezen als [gedaagde] zich niet houdt aan de betalingsregeling of tijdens de aflosperiode de huur niet op tijd betaalt. De kantonrechter heeft hierbij als eerste rekening gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen die in de woning wonen (artikel 3 lid 1 IVRK Pro). Deze belangen staan echter niet aan de ontbinding van de huurovereenkomst in de weg. De kantonrechter zal wel een ruimere ontruimingstermijn toekennen. De kantonrechter vindt dat dit recht doet aan de belangen van de minderjarige kinderen.
2.7.
Als de huurovereenkomst eindigt, moet [gedaagde] de woning met al zijn spullen verlaten. Dat moet binnen een maand na de ontbinding. Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] dan een gebruiksvergoeding van € 1.456,27 per maand betalen (artikel 7:225 BW Pro). Havensteder eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW Pro) als voor het verhogen van de huur.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.8.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Havensteder moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 1.461,00 aan griffierecht, € 864,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 432,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 2.614,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
2.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Havensteder dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Havensteder te betalen € 15.228,15;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Havensteder worden begroot op € 2.614,45;
3.3.
bepaalt dat Havensteder de hiervoor genoemde bedragen niet kan opeisen zolang [gedaagde] elke maand voor of op de eerste dag van de maand € 250,00 aflost en daarnaast vanaf 1 april 2026 de huur iedere maand op tijd betaalt;
3.4.
bepaalt dat [gedaagde] uiterlijk in september 2026 met Havensteder in overleg moet treden om te beoordelen of vanaf de maand oktober 2026 een andere betalingsregeling mogelijk is op basis van het inkomen en de schuldenpositie van [gedaagde] ;
3.5.
wijst al het andere af;
en, als [gedaagde] een maandelijkse aflossingstermijn of de huur tijdens de aflosperiode niet of te laat betaalt:
3.6.
bepaalt dat [gedaagde] het bedrag dat op dat moment open staat direct in één keer aan Havensteder moet betalen;
3.7.
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen met ingang van de dag nadat [gedaagde] de maandelijkse termijn of de huur tijdens de aflosperiode niet op tijd heeft betaald en veroordeelt [gedaagde] om binnen een maand na die datum de woning aan de [adres] in [plaats] te ontruimen en de sleutels bij Havensteder in te leveren;
3.8.
veroordeelt [gedaagde] aan Havensteder te betalen € 1.456,27 per maand, met de verhoging die is toegestaan, met ingang van de maand april 2026 tot en met de dag waarop de woning is ontruimd;
3.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
64363

Voetnoten

1.Hof van Justitie van de Europese Unie 27 januari 2021 (Dexia)
2.Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810