ECLI:NL:RBROT:2026:2916

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
11996867 CV EXPL 25-26056
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:303 BWArt. 611a lid 1 RvArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling huurachterstand toegewezen, verklaring voor recht en dwangsom afgewezen

De huurder huurt een woning en garage van Stichting Waterweg Wonen en heeft een huurachterstand van €780,84 voor januari 2026. Waterweg Wonen vordert betaling van deze achterstand, een verklaring voor recht dat de huurder zich niet als goed huurder gedraagt door structureel te laat betalen, en een dwangsom voor toekomstige te late betalingen.

De huurder betwist de vordering deels en stelt dat de achterstand inmiddels is betaald en dat hij slechts drie weken te laat was. Hij vindt dat Waterweg Wonen hem eerst had moeten waarschuwen en weigert proceskosten te betalen. Waterweg Wonen stelt dat de huur van januari 2026 niet is betaald en dat de proceskosten voor rekening van de huurder moeten komen.

De kantonrechter oordeelt dat de huur van januari 2026 niet is betaald en veroordeelt de huurder tot betaling van €780,84 en de proceskosten van €846,15. De verklaring voor recht wordt afgewezen wegens gebrek aan belang en de dwangsom wordt afgewezen omdat deze niet kan worden gekoppeld aan een veroordeling tot betaling van een geldbedrag. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand en proceskosten, verklaring voor recht en dwangsom worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11996867 CV EXPL 25-26056
datum uitspraak: 6 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Waterweg Wonen,
vestigingsplaats: Vlaardingen,
eiseres,
gemachtigde: [persoon A] ,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Waterweg Wonen’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 25 november 2025, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • de repliek, met bijlage.
1.2.
[gedaagde] is in de gelegenheid gesteld om te reageren op de repliek van Waterweg Wonen. Dit heeft hij niet gedaan.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt van Waterweg Wonen een woning en een garage. De huur is nu in totaal € 780,84 per maand. [gedaagde] betaalt de maandelijkse huurprijs structureel te laat. Op het moment van dagvaarden was er een huurachterstand van € 848,92. Waterweg Wonen eist dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt en vraagt de kantonrechter voor recht te verklaren dat [gedaagde] zich niet gedraagt als een goed huurder door de huur iedere maand te laat te betalen. Daarnaast wil Waterweg Wonen dat de kantonrechter bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom moet betalen van € 50,00 per dag dat hij de huur te laat betaalt met een maximum van € 2.500,00 per maand.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering. Hij geeft aan dat hij de huurachterstand inmiddels heeft betaald. Hij was slechts drie weken te laat met betalen. Daarnaast zegt hij dat het vaker voorkomt dat hij de huur aan het einde van de maand betaalt. [gedaagde] vindt dat Waterweg Wonen hem eerst had moeten waarschuwen dat het niet de bedoeling is dat hij de huur pas aan het eind van de maand betaalt voordat zij deze procedure startte en wil de proceskosten daarom niet betalen.
2.3.
In haar repliek heeft Waterweg Wonen aangegeven dat de huurachterstand die [gedaagde] heeft laten ontstaan tot en met november 2025 inderdaad is betaald, maar dat de huurprijs van januari 2026 niet is betaald. Zij vordert deze huurprijs dan ook en vindt dat [gedaagde] de proceskosten wel moet betalen.
2.4.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de huur van januari 2026 en de proceskosten moet betalen. De verklaring voor recht en de gevorderde dwangsom worden afgewezen. Hieronder wordt dit oordeel uitgelegd.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 780,84 betalen
2.5.
[gedaagde] wordt veroordeeld om € 780,84 aan Waterweg Wonen te betalen. Waterweg Wonen heeft op 6 januari 2026 gesteld dat [gedaagde] de huur van januari 2026 niet heeft betaald. Hij moet de huur voor januari 2026 uiterlijk op 31 december 2025 betalen. [gedaagde] heeft dit niet betwist.
De verklaring voor recht wordt afgewezen
2.6.
De kantonrechter wijst de gevorderde verklaring voor recht af vanwege een gebrek aan belang (artikel 3:303 BW Pro). Het ligt op de weg van Waterweg Wonen om uit te leggen waarom zij deze verklaring voor recht wil en dit heeft zij niet gedaan.
De gevorderde dwangsom wordt afgewezen
2.7.
De rechter wijst de geëiste dwangsom af. De rechter kan namelijk alleen een dwangsom verbinden aan een veroordeling en die eist Waterweg Wonen niet. Ook als zij zou hebben bedoeld dat de dwangsom wordt gekoppeld aan een veroordeling de toekomstige huur op tijd te betalen, zou dit worden afgewezen, omdat dit niet kan bij een veroordeling tot betaling van een geldbedrag (artikel 611a lid 1 Rv).
Geen oneerlijke bepalingen
2.8.
De kantonrechter heeft onderzocht of er oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). [gedaagde] heeft namelijk pas na het uitbrengen van de dagvaarding de huurachterstand betaald, waardoor Waterweg Wonen de procedure niet onnodig is gestart. [gedaagde] heeft tijdens de procedure ook nagelaten om de huur van januari 2026 tijdig te betalen. Bovendien heeft Waterweg Wonen gesteld dat [gedaagde] al vanaf 2017 regelmatig te laat betaalt en dat Waterweg Wonen pogingen heeft gedaan om hierover met hem in gesprek te komen, maar dat [gedaagde] daar niet op in is gegaan. Waterweg Wonen heeft stukken overgelegd waaruit dit blijkt. [gedaagde] heeft niet aangegeven dat deze stukken niet kloppen.
2.10.
De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Waterweg Wonen moet betalen op € 146,15 aan dagvaardingskosten, € 340,00 aan griffierecht, € 288,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 144,00) en € 72,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 846,15. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Waterweg Wonen dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Waterweg Wonen te betalen € 780,84;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Waterweg Wonen worden begroot op € 846,15;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
64363