Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2915

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
ROT 26/373
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015Algemene Verordening Gegevensbescherming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzage persoonsgegevens en dossier Wmo

Verzoeker heeft op 28 november 2025 verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens en dossier bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college verstrekte op 18 december 2025 een kopie van het Wmo-dossier, maar verzoeker was hiermee niet akkoord en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 9 maart 2026, waarbij verzoeker afwezig was. Verzoeker stelde dat er sprake was van een spoedeisend belang vanwege een lopende procedure bij de Centrale Raad van Beroep over zijn Ziektewet-uitkering, maar dit belang werd onvoldoende aannemelijk gemaakt.

De voorzieningenrechter overwoog dat de procedure bij de Centrale Raad van Beroep nog lang kan duren en dat de gevraagde maatregelen geen voorlopig karakter hebben. Tevens werd geoordeeld dat het inzagerecht op grond van de AVG niet bedoeld is voor een gedetailleerd overzicht van alle activiteiten en interventies of een volledige reconstructie van handelingen.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening inzake inzage persoonsgegevens en dossier wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/373
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], uit Rotterdam, verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. D.J.J. Straver).

Inleiding

1.1.
Verzoeker heeft op 28 november 2025 verzocht om inzage in de over hem verwerkte persoonsgegevens en om inzage in zijn dossier. Het college heeft met een besluit van 18 december 2025 aan verzoeker een kopie van zijn dossier verstrekt. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft mr. W. Breure namens het college deelgenomen. Verzoeker heeft zich afgemeld voor de zitting.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoeker heeft op 28 november 2025 verzocht om inzage in de over hem verwerkte persoonsgegevens en om inzage in zijn dossier. Op 18 december 2025 heeft het college, op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, aan verzoeker een kopie van zijn dossier verstrekt. Het betreft het Wmo-dossier afkomstig van het Wijkteam IJsselmonde-Zuid. Verzoeker is het niet eens met de afhandeling van zijn verzoek. Verzoeker wil met het verzoek om een voorlopige voorziening onder andere bereiken dat de voorzieningenrechter het college beveelt om onverwijld en volledig aan zijn verzoek te voldoen.
3. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.
4. Verzoeker voert aan dat het spoedeisend belang is gelegen in het feit dat hij hoger beroep heeft ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep tegen een uitspraak van de rechtbank over zijn recht op een Ziektewet-uitkering. Verzoeker moet deze procedure nu voeren met een informatieachterstand.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker het spoedeisend belang onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De procedure bij de Centrale Raad van Beroep kan nog lang duren. Niet gebleken is dat er al een zittingsdatum bekend is gemaakt. De maatregelen waar verzoeker om verzoekt, hebben overigens geen voorlopig karakter. De voorzieningenrechter overweegt verder nog het volgende. Voor zover het verzoek van 28 november 2025 is gebaseerd op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), is van belang dat het college met een besluit van 13 januari 2026 inzage heeft gegeven in over verzoeker verwerkte persoonsgegevens. Het lijkt hierbij mede te gaan om de persoonsgegevens waarop verzoeker doelt in zijn verzoek van 28 november 2025. Verzoeker wenst ook een gedetailleerd overzicht van alle uitgevoerde activiteiten en interventies en een volledige reconstructie van alle verrichte handelingen, maar daarvoor is het inzagerecht op grond van de AVG niet bedoeld. Voor zover verzoeker meent dat de op 18 december 2025 ontvangen kopie van zijn Wmo-dossier onvolledig is, oordeelt de voorzieningenrechter dat dit in deze procedure niet aannemelijk is geworden.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
7. De voorzieningenrechter heeft erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026 door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.