ECLI:NL:RBROT:2026:2894

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
83-033305-22
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 94a SvArt. 552a SvArt. 6 lid 1 EVRMArt. 17 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing beslag voor financiering rechtsbijstand in civiele procedure

De rechtbank Rotterdam behandelde op 24 februari 2026 een klaagschrift ex artikel 552a Sv van een bestuurder van een bedrijf tegen beslaglegging op een bankrekening. Het beslag was gelegd in het kader van een strafzaak wegens verdenking van medeplegen van oplichting en valsheid in geschrift.

De klager verzocht om opheffing van het beslag tot een bedrag van €150.000,- om daarmee zijn juridische bijstand in een civiele procedure te kunnen financieren. De officier van justitie en een betrokken stichting verzetten zich tegen opheffing, stellende dat het belang van de strafvordering zwaarder weegt en twijfels over de betalingsonmacht van klager bestonden.

De rechtbank oordeelde dat het onderzoek summier van aard is en dat het belang van strafvordering bij voortduring van het beslag aanwezig is. Echter, bij de belangenafweging weegt het fundamentele recht van klager op een eerlijk proces en toegang tot rechtsbijstand zwaarder dan het belang van voortzetting van het beslag voor het gevraagde bedrag.

Daarom werd het beklag gegrond verklaard en het beslag op de bankrekening tot €150.000,- opgeheven, zodat klager zijn civiele rechtsbijstand kan financieren. Het overige beslag blijft gehandhaafd.

Uitkomst: Het beslag op de bankrekening wordt opgeheven tot een bedrag van €150.000,- voor financiering van civiele rechtsbijstand.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team straf
Parketnummer: 83-033305-22
Raadkamernummer: 26-003471
Beschikkingvan de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op het klaagschrift van:

[klager] , klager,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
voor deze zaak domicilie kiezende aan [adres] te [postcode] [plaatsnaam] ,
op het kantoor van zijn advocaten M.M. Kuyp en M.C.E.A. Kloosterman.

Procedure

Op 23 januari 2026 is op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een klaagschrift ingediend.
Het klaagschrift is op 24 februari 2026 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De klager, de officier van justitie T.H. Slieker, en de advocaat J.L. Baar, die waarnam voor Kuyp en Kloosterman, zijn gehoord. Verder is de [naam stichting] (hierna: de Stichting), vertegenwoordigd door [naam 1] en bijgestaan door haar advocaten T. Fuchs en G. van Hooft gehoord.
Randstadgroep Nederland BV, Coolblue BV en de Staat der Nederlanden, ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS) zijn - hoewel behoorlijk opgeroepen - niet verschenen. Per e-mail van 20 februari 2026 heeft VWS een schriftelijke reactie (referte) gegeven op het klaagschrift.

Feiten

Er ligt beslag op onder andere de bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [naam bedrijf] De klager is bestuurder van [naam bedrijf]
Het beslag is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro en op grond van artikel 94a Sv.
Dit beslag is gelegd in het kader van de onder het hierboven genoemde parketnummer ingeschreven strafzaak tegen de klager. Hij wordt verdacht van - kort gezegd - het medeplegen van:
oplichting van (medewerkers van) Randstad Groep Nederland BV,
valsheid in geschrift in relatie tot Coolblue BV,
oplichting van [naam 2] ,
oplichting van (medewerkers van) VWS en/of Mediq Nederland BV en/of het LCH voor EUR 100.800.000 althans EUR 20.767.513 (subsidiair verduistering),
valsheid in geschrift in relatie tot VWS en/of Mediq en/of LCH.

Standpunten

Klager
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag op genoemde bankrekening tot een bedrag van € 150.000,-, zodat de klager in staat is om juridische bijstand te kunnen financieren in de civiele procedure (in hoger beroep).
Officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag, omdat het belang van de klager bij opheffing van het beslag onvoldoende is onderbouwd. De Stichting heeft vragen gesteld aan de klager over de noodzaak van opheffing van een deel van het beslag. De klager heeft deze vragen onbeantwoord gelaten. Er is reden om te twijfelen aan de betalingsonmacht van klager. Het belang van klager bij opheffing van een deel van het beslag is daardoor onvoldoende gebleken en weegt daarom niet op tegen het belang van strafvordering.
Stichting
De Stichting verzet zich tegen opheffing. Zij stelt redelijkerwijs rechthebbende te zijn en maakt aanspraak op het beslagen vermogen. In de civiele zaak tegen onder andere de klager is de vordering van de Stichting hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad toegewezen en is vervolgens executoriaal beslag gelegd. Omdat de klager niet voldoet aan verzoeken van de Stichting om nadere informatie te verschaffen over zijn financiële situatie, kan zij geen volledige belangenafweging maken, waardoor het belang bij handhaving van het beslag dient te prevaleren.

Beoordeling klacht

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
Bij beoordeling van een klaagschrift over een op de grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag moet de rechter onderzoeken of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Het door artikel 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering verzet zich onder meer tegen teruggave als het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal bevelen.
Bij de beoordeling van een klaagschrift over een beslag op grond van artikel 94a, eerste, tweede of derde lid, Sv moet de rechter onderzoeken of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van een verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde respectievelijk vierde categorie kan worden opgelegd. Vervolgens moet de rechter onderzoeken of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter aan de verdachte een geldboete, de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel of een verplichting tot betaling aan de staat van een schadevergoeding voor het slachtoffer zal opleggen.
Met klager en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat deze strafvorderlijke belangen voor voortduring van het beslag aanwezig zijn.
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of voortduring van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Voor de beantwoording van die vraag zal de rechtbank het belang van de klager en de strafvorderlijke belangen bij voortduring van het beslag afwegen.
Bij die belangenafweging weegt de rechtbank de belangen van de Stichting niet mee omdat zij in dit kader geen belanghebbende is. De omstandigheid dat sprake is van civielrechtelijk executoriaal beslag, maakt namelijk niet dat de Stichting redelijkerwijs rechthebbende is op het beslagen geld in de zin van artikel 116 lid 4 Sv Pro en op die grond recht heeft op afgifte van geld.
De klager heeft verzocht om het beslag voor een bedrag van € 150.000,- op te heffen. Het recht om een eerlijk proces te kunnen voeren in de civiele procedure is een fundamenteel recht van de klager dat is vastgelegd in artikel 6 lid 1 EVRM Pro en artikel 17 Grondwet Pro. Het recht op toegang tot de rechter ziet niet alleen op het recht om een geschil aan de rechter voor te leggen, maar ook op het recht om ten aanzien van een bepaald geschil als verwerende partij bij de rechter verweer te voeren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de klager zich in de civiele procedure als gedaagde moet verweren tegen een vordering van ruim twintig miljoen euro, terwijl wordt verzocht om het beslag voor een geldbedrag van € 150.000,- op te heffen en het beslag voor het overige gehandhaafd blijft. Door de officier van justitie is dit persoonlijke belang van de klager onderkend. Tot slot is voldoende gebleken dat er geen andere mogelijkheden zijn om de rechtsbijstand in de civiele procedure te financieren. De officier van justitie heeft de onderbouwde stellingen van klager, behoudens de verwijzing naar de door de Stichting gestelde vragen, niet betwist.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van klager zwaarder weegt dan de strafvorderlijke belangen bij voortduring van het beslag en dat volledige voortzetting van het beslag niet in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De rechtbank verklaart daarom het beklag gegrond en beveelt het beslag op voornoemde bankrekening op te heffen tot een bedrag van € 150.000,- ten behoeve van de financiering van de rechtsbijstand van de klager in de civiele procedure.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beklag gegrond;
- beveelt de opheffing van het beslag op de bankrekening van [naam bedrijf] met bankrekeningnummer: [rekeningnummer] tot een bedrag van € 150.000,- en gelast de teruggave van dat bedrag van € 150.000,-.
Deze beschikking is gegeven door J.H. Janssen, voorzitter,
en C. Sikkel en J. van de Klashorst, rechters,
in tegenwoordigheid van M.M. Dijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.