Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van UU van 22 september 2025, met bijlagen;
- het antwoord van [gedaagde] van 15 oktober 2025, met bijlagen;
- de repliek van UU van 12 november 2025, met bijlagen;
- de brief van [gedaagde] van 26 november 2025, met bijlagen;
- de akte van UU van 21 januari 2026, met bijlagen;
- de brief van [gedaagde] van 4 februari 2026, met bijlagen.
2.De beoordeling
namenshaar inmiddels ex-partner gaf – en dat UU dat ook zo heeft moeten begrijpen – blijkt onvoldoende. [gedaagde] heeft bij het aangaan van de overeenkomst niet gezegd dat zij handelde namens haar ex-partner en zij heeft niet gevraagd om de overeenkomst op zijn naam te zetten. Wie de eigenaar van de hond is, is in de relatie tussen UU en de opdrachtgever ( [gedaagde] ) in beginsel niet van belang. [gedaagde] heeft daar ten tijde van het aangaan van de overeenkomst geen melding van gemaakt, zodat UU dat niet wist. UU had ook niet uit het opgegeven (e-mail)adres kunnen afleiden dat [gedaagde] de overeenkomst namens haar ex-partner aanging, omdat UU niet kan controleren of [gedaagde] toegang heeft tot dat e-mailadres en niet kan nagaan of zij op het opgegeven adres woont. Verder is van belang dat [gedaagde] ná het (ongetwijfeld hectische) moment in het ziekenhuis niet aan UU heeft meegedeeld dat zij namens haar ex-partner heeft gehandeld. Haar ex-partner heeft dat in de verdere communicatie ook niet gemeld. In het bericht van 21 november 2024, dat UU als bijlage bij haar repliek voegt en waarin om een regeling wordt gevraagd, staat weliswaar het (door [gedaagde] aan UU gegeven) e-mailadres van de ex-partner van [gedaagde] , maar als naam is ‘ [gedaagde] ’ ingevuld. Ook achteraf had UU dus niet hoeven te begrijpen dat [gedaagde] namens haar ex-partner heeft gehandeld en dat de overeenkomst met haar ex-partner was aangegaan.