ECLI:NL:RBROT:2026:287
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van eiser in het kader van de Wet WIA
Op 6 januari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in de zaak tussen eiser, een schilder uit Spijkenisse, en het UWV. Eiser had bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid door het UWV, dat deze op 34,59% had vastgesteld. Eiser was van mening dat zijn medische situatie niet correct was ingeschat en dat hij meer beperkingen had dan het UWV had aangenomen. De rechtbank heeft het procesverloop uiteengezet, waarin eiser in 2014 uitviel voor zijn werk en verschillende uitkeringen ontving. Na een herbeoordeling door het UWV, waarbij een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werd opgesteld, werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het UWV hem ten onrechte minder dan 35% arbeidsongeschikt heeft geacht, en dat zijn klachten en beperkingen niet goed zijn meegenomen in de beoordeling. De rechtbank heeft de argumenten van eiser beoordeeld en geconcludeerd dat het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van het UWV en dat eiser geen nieuwe medische informatie had ingediend die zijn standpunt kon onderbouwen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de verzoeken van eiser af.