ECLI:NL:RBROT:2026:287

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
ROT 25/1886
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van eiser in het kader van de Wet WIA

Op 6 januari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in de zaak tussen eiser, een schilder uit Spijkenisse, en het UWV. Eiser had bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid door het UWV, dat deze op 34,59% had vastgesteld. Eiser was van mening dat zijn medische situatie niet correct was ingeschat en dat hij meer beperkingen had dan het UWV had aangenomen. De rechtbank heeft het procesverloop uiteengezet, waarin eiser in 2014 uitviel voor zijn werk en verschillende uitkeringen ontving. Na een herbeoordeling door het UWV, waarbij een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werd opgesteld, werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het UWV hem ten onrechte minder dan 35% arbeidsongeschikt heeft geacht, en dat zijn klachten en beperkingen niet goed zijn meegenomen in de beoordeling. De rechtbank heeft de argumenten van eiser beoordeeld en geconcludeerd dat het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van het UWV en dat eiser geen nieuwe medische informatie had ingediend die zijn standpunt kon onderbouwen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de verzoeken van eiser af.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1886

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit Spijkenisse, eiser

(gemachtigde: mr. R.A. Remport Urban),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. S. Roodenburg).

Procesverloop

1.1.
Met het besluit van 24 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV met ingang van 11 mei 2022 (de datum in geding) een WGA [1] -vervolguitkering aan eiser toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 41,82%. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
1.2.
Op 9 augustus 2024 heeft het UWV het voornemen kenbaar gemaakt om het primaire besluit te wijzigen. Het UWV heeft in dit voornemen bepaald dat eiser vanaf 25 oktober 2024 voor 34,59% arbeidsongeschikt is en vanaf die datum geen recht meer heeft op een WIA [2] -uitkering.
1.3.
Eiser heeft op 22 augustus 2024 een zienswijze ingediend tegen het voornemen tot wijziging van het primaire besluit.
1.4.
Met het besluit van 14 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het UWV heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage per 25 oktober 2024 vastgesteld op 34,59% en bepaald dat eiser vanaf die datum geen recht meer heeft op een WIA-uitkering. Het UWV ziet geen aanleiding om van het voornemen af te wijken.
1.5.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.6.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiser viel op 12 mei 2014 uit voor zijn werk als schilder. Hij ontving een Ziektewet-uitkering, maar na de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling werd zijn uitkering per 13 juni 2015 beëindigd. Op 23 oktober 2015 heeft eiser zich opnieuw ziek gemeld vanwege gezondheidsklachten, terwijl hij een WW [3] -uitkering ontving. Eiser heeft een WIA-uitkering aangevraagd, maar deze aanvraag is per 20 oktober 2017 door het UWV afgewezen.
2.1.
Op 28 oktober 2022 heeft eiser het formulier ‘Wijziging doorgeven over uw gezondheid’ ingevuld. Naar aanleiding hiervan heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. De arts, van wie het oordeel is getoetst en akkoord is bevonden door een verzekeringsarts, heeft eiser op 11 januari 2023 op het spreekuur gezien en op 27 juni 2023 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, die geldig is vanaf 11 mei 2022. Hierin zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van de rubrieken: 1. Persoonlijk functioneren, 3. Fysieke omgevingseisen, 4. Dynamische handelingen en 5. Statische houdingen.
Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige in de rapportage van 21 juli 2023 geconcludeerd dat eiser zijn eigen werk als schilder niet meer kan verrichten, maar wel in staat is tot het verrichten van de functies Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), Inpakker (handmatig) (SBC-code 111190) en Medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBC-code 268030). De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat het loon dat eiser kon verdienen 41,82% lager ligt dan het loon dat eiser verdiende voordat hij ziek werd. Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit genomen. Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.
2.2.
In het kader van de herbeoordeling in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzoek gedaan en in de rapportage van 1 augustus 2024 geconcludeerd dat de ingebrachte bezwaren leiden tot gedeeltelijke aanpassing van het ingenomen standpunt door de primaire verzekeringsarts, waardoor de eerdere FML op enkele punten wordt aangepast. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 1 augustus 2024 een nieuwe FML opgesteld, die geldig is vanaf 11 mei 2022.
Aan de hand van de nieuwe FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de rapportage van 8 augustus 2024 geconcludeerd dat aanleiding bestaat om af te wijken van het oordeel van de primair arbeidsdeskundige. In de functies Inpakker en Medewerker binderij, grafisch nabewerker wordt de belastbaarheid van eiser overschreden, waardoor deze functies moeten komen te vervallen. Na heroverweging blijven er onvoldoende passende functies over, waardoor de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het CBBS [4] opnieuw heeft moeten raadplegen. Na nieuwe raadpleging acht de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de volgende functies passend: Medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140), Wikkelaar (nieuw en revisie) (SBC-code 267053) en Productiemedewerker confectie, kleermaken (SBC-code 272042). Aanvullend wordt eiser geschikt geacht voor de functie Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180). Met de middelste van de drie eerstgenoemde functies (de mediaanfunctie) wordt de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd vastgesteld op 34,59%. Vervolgens heeft het UWV het voornemen kenbaar gemaakt om het primaire besluit te wijzigen. Tegen dit voornemen heeft eiser een zienswijze ingediend.
2.3.
Naar aanleiding van de ingediende zienswijze heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opnieuw een verzekeringsgeneeskundig onderzoek uitgevoerd. In de rapportage van 19 december 2024 heeft hij geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om een ander standpunt in te nemen of om de FML van 1 augustus 2024 te wijzigen.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in zijn rapportage van 13 januari 2025 geconcludeerd dat de eerder geduide functies in de rapportage van 8 augustus 2024 onveranderd passend zijn voor eiser. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.

Standpunt eiser

3. Eiser voert in beroep – kort samengevat – aan dat het UWV hem ten onrechte minder dan 35% arbeidsongeschikt heeft geacht, waardoor hij niet (meer) in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Hij stelt daartoe dat zijn medische situatie is onderschat. Eiser heeft zijn klachten en beperkingen in bezwaar opgesomd en verzoekt om hetgeen in bezwaar naar voren is gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen in deze beroepsprocedure. Eiser is depressief, heeft rug-, schouder- en overige pijnklachten en moet geregeld naar het toilet. Gelet op zijn klachten en beperkingen is eiser niet in staat de geduide functies te verrichten. Tijdens de zitting heeft hij de rechtbank verzocht om een herbeoordeling.

Toetsingskader

4. De wet- en regelgeving die van belang is voor deze zaak, staat in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

5. Zoals tijdens de zitting is besproken, dient de rechtbank het bestreden besluit te beoordelen en daarmee of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser met ingang van 25 oktober 2024 terecht gewijzigd heeft vastgesteld op 34,59%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiser, rekening houdend met deze beperkingen, in staat is de geduide functies te verrichten. Anders dan eiser verzoekt, kan de rechtbank dus geen (medische) herbeoordeling uitvoeren.
6. Voor zover eiser in zijn beroepschrift verwijst naar hetgeen hij in bezwaar heeft aangevoerd, overweegt de rechtbank dat het aan eiser is om in beroep gemotiveerd en specifiek aan te voeren waarom hij het niet eens is met het bestreden besluit. De verwijzing naar het bezwaarschrift wordt niet als zo’n gemotiveerde en specifieke betwisting opgevat. Daarop is immers gereageerd in het bestreden besluit. Eiser zal dus moeten aanvoeren waarom hij het met die reactie niet eens is. Gelet hierop zal de rechtbank de beoordeling van het beroep plaatsen in het licht van de in beroep en dus vooral op de zitting nader uitgewerkte gronden en niet in het licht van wat in bezwaar is aangevoerd.
Zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek
7. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op de bestudering van de dossiergegevens, een anamnese, een gericht psychisch en lichamelijk onderzoek uitgevoerd door de primaire arts, de hoorzitting op 1 juli 2024 waarna de verzekeringsarts bezwaar en beroep een lichamelijk onderzoek heeft uitgevoerd en de telefonische hoorzitting door de medewerker bezwaar op 9 oktober 2024. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek daarmee op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden.
Medische beoordeling
8. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, geeft geen reden om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Hierbij is van belang dat het in de systematiek van de Wet WIA niet gaat om de medische klachten van eiser als zodanig of om de door hem ervaren beperkingen, maar om objectief vastgestelde beperkingen bij het verrichten van (passende) arbeid. Het is daarbij de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om op grond van de beschikbare medische gegevens de beperkingen tot het verrichten van arbeid vast te stellen. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van eiser.
De rechtbank kan de stelling van eiser dat zijn medische situatie is onderschat niet volgen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiser na de hoorzitting op 1 juli 2024 lichamelijk onderzocht. Zijn bevindingen heeft hij verwerkt in de rapportage van 1 augustus 2024. Zo heeft hij (onder andere) toegelicht dat ten aanzien van de nek, schouders, armen en handen geen duidelijke afwijkingen bij eiser zijn waargenomen, maar wel dat een forse bekkenscheefstand ten nadele van de rechterkant van de rug en enige asymmetrie van de standfase bij het lopen zijn waargenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat hij ervan uitgaat dat de primaire arts geen onderzoek aan de rug heeft uitgevoerd, omdat anders een fors beenlengteverschil van meer dan 5 centimeter zou zijn gezien met compensatoire rugafwijking. Daarbij heeft hij toegelicht dat het asymmetrisch lopen vanwege het beenlengteverschil een beperkt deel van de rugklachten die eiser heeft kan verklaren en daarom acht hij het plausibel dat eiser niet lang zonder steun kan staan, zodat de FML op het item “staan” is gewijzigd. De informatie van de huisarts en de beschikbare medische gegevens wijzen niet op meer medische beperkingen en volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep bestaat dan ook geen aanleiding om de FML verdergaand te wijzigen. Afdoende is toegelicht dat niet is gebleken van ernstige geheugenstoornissen of ernstige concentratieproblemen anders dan reeds in de FML is opgenomen. Ten aanzien van de behoefte aan toiletbezoek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat de behoefte die eiser heeft ruimschoots valt binnen wat normaal te verenigen is met het verrichten van arbeid. Naar aanleiding van de zienswijze van eiser tegen het voornemen tot wijziging van het primaire besluit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog aanvullend gerapporteerd. In de rapportage van 19 december 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat in de FML van 1 augustus 2024 in voldoende mate rekening is gehouden met beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren, waarin de depressieve-, paniek- en (maag)darmklachten van eiser zijn verdisconteerd en meegewogen. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is ook toegelicht dat de door eiser nieuw geuite klachten, namelijk dat eiser sinds kort last heeft van klachten aan zijn rechterschouder, geen objectieve nieuwe medische feiten zijn, waardoor dit geen aanleiding geeft tot aanpassing van de FML.
9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank uitdrukkelijk en afdoende rekening gehouden met de geobjectiveerde beperkingen van eiser. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser geen nieuwe medische informatie heeft ingebracht waaruit blijkt dat hij op 11 mei 2022 meer beperkingen had dan al zijn opgenomen in de FML van 1 augustus 2024.
Arbeidsdeskundige beoordeling
10. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat de beperkingen in de FML van 1 augustus 2024 juist zijn vastgesteld. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden en beperkingen van eiser uit de FML overschrijdt. Om die reden kan hetgeen eiser heeft aangevoerd over de geschiktheid van de geduide functies niet slagen, omdat dit is gebaseerd op het standpunt dat eiser minder functionele mogelijkheden heeft dan het UWV heeft aangenomen.
11. Vergelijking van het inkomen dat eiser in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij in zijn eigen werk zou hebben verdiend als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen van 34,59%.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2026.
De rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

Voetnoten

1.WGA staat voor Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
2.WIA staat voor Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen.
3.WW staat voor Werkloosheidswet.
4.CBBS staat voor het Claimbeoordelings- en borgingssysteem.