Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2864

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
C/10/715335 / JE RK 26-356
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263 BWArt. 1:264 BWArt. 1:265f BWartikel 12 Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing en uitbreiding bezoekregeling minderjarige

De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling (GI) te laten vervallen en de bezoekregeling met haar minderjarige kind uit te breiden. De minderjarige verblijft in een gezinshuis sinds november 2024 vanwege zorgelijke omstandigheden bij de moeder. De GI heeft een schriftelijke aanwijzing gegeven waarin de contactmomenten tussen moeder en kind zijn geregeld, met begeleiding en beperkingen.

Tijdens de zitting is gebleken dat de moeder moeite heeft om tijdens de bezoeken aan te sluiten bij het tempo en de belevingswereld van het kind. Ook worden afspraken over voeding en gedrag niet altijd nageleefd. De bezoeken worden begeleid en geëvalueerd, maar uitbreiding van de bezoekregeling is op dit moment niet in het belang van het kind, dat extra rust en structuur nodig heeft.

De kinderrechter oordeelt dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende gemotiveerd is. Gezien de zorgelijke situatie en het belang van het kind wijst de rechter het verzoek van de moeder af. Het onderzoek naar het perspectief van het kind mag niet worden doorkruist door een wijziging in de bezoekregeling. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek van de moeder tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing en uitbreiding van de bezoekregeling wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/715335 / JE RK 26-356
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. G.H. Amstelveen, kantoorhoudende in Capelle aan den IJssel,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[gezinshuishouders],
hierna te noemen: de gezinshuisouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de moeder van 20 februari 2026;
  • het verweerschrift met bijlagen van de GI van 9 maart 2026;
  • de bezoekverslagen in de periode 27 oktober tot en met 19 januari, ingediend op
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [naam].
1.3.
De moeder en de gezinshuisouders zijn niet verschenen. De gezinshuismoeder heeft laten weten dat zij is verhinderd. De kinderrechter stelt vast dat de gezinshuisouders en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] voor een kindgesprek uitgenodigd. In het e-mailbericht van 9 maart 2026 heeft de gezinshuismoeder aangegeven dat [minderjarige] gezien zijn intelligentie en leeftijd niet naar dit gesprek komt. De GI heeft ter zitting aangegeven hiervoor begrip te hebben doch dit niet te hebben besproken met de gezinshuismoeder. Namens de moeder heeft haar advocaat aangegeven dat zij het belangrijk vindt dat [minderjarige] alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om met de kinderrechter te praten.
1.5.
Op grond van artikel 12 van Pro het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind hebben kinderen het recht om hun mening te geven over zaken die hen aangaan. Naar het oordeel van de kinderrechter is het echter ook van belang om te voorkomen dat [minderjarige] onnodig wordt belast met problemen die hem niet aangaan. Nu het verzoek van de moeder uitsluitend haar verzoek tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing betreft, ziet de kinderrechter ervan af om [minderjarige] opnieuw voor een kindgesprek uit te nodigen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
2.3.
Op 6 februari 2026 heeft de GI in een schriftelijke aanwijzing de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en [minderjarige] als volgt vastgesteld:
Besluit:
de GI geeft de volgende aanwijzingen:
Frequentie
- Eenmaal in de 2 weken is er een fysiek contact moment tussen de moeder en [minderjarige].
- De omgang vindt plaats op de maandagmiddag. Wanneer er anders wordt beslist (door bijvoorbeeld vakantie of feestdagen), bespreekt Leliezorggroep dit met de moeder, de gezinshuisouder en met de jeugdbeschermer.
Duur
- De fysieke contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] heeft de duur van maximaal een uur.
- Het bezoek wordt voorgesproken (10-15 minuten van te voren) en nabesproken (10-15 minuten na het bezoek).
Aanwezigheid
- Bij de fysieke contact momenten is de moeder aanwezig voor het bezoek met Jace.
- Leliezorggroep biedt de begeleiding en is het gehele bezoek aanwezig.
- De ouders van de moeder, de opa en oma van [minderjarige] sluiten bij elk bezoek aan. De afspraken in deze aanwijzing gelden ook voor de opa en oma. Mocht het de opa en oma niet lukken om aan de regels te houden, dan is het aan Leliezorggroep om het bezoek te pauzeren of te stoppen.
- Wanneer de moeder wil dat er andere personen aansluiten, dient zij dit vooraf met Leliezorggroep / de GI te overleggen.
Locatie
- Het bezoek vindt plaats op neutraal terrein. De ene week vindt het bezoek plaats in Bodengraven ([adres 1]), de andere keer in Rotterdam ([adres 2]).
Leliezorggroep informeert de moeder vooraf waar het bezoek plaatsvindt.
- De afspraak met Leliezorggroep is dat de moeder alleen op maandag berichten stuurt. De
jeugdbeschermers vinden het belangrijk de moeder en [minderjarige] zo fijn mogelijk contact kunnen hebben. De jeugdbeschermer heeft praktische voorwaarden opgesteld voor de omgang met [minderjarige].
- De moeder doet geen uitspraken over volwassenzaken in het bijzijn van [minderjarige]. De afspraak met Leliezorggroep is dat de begeleider het bezoek stopzet wanneer er wordt gesproken over het woonperspectief van [minderjarige].
- [minderjarige] gaat alleen naar het toilet en de moeder, of haar ouders, gaan niet mee naar het toilet met [minderjarige]. Op dat moment is er geen zicht op wat er wordt gezegd/gevraagd. Daarbij kan [minderjarige] zelfstandig naar het toilet.
- Er wordt tijdens elke teamtafel / groot overleg over [minderjarige] geëvalueerd hoe de bezoeken gaan.
- De moeder accepteert de sturing en begeleiding die de hulpverlener biedt tijdens een bezoek.
Zoals wanneer de hulpverlener advies geeft, dat de moeder hiernaar luistert en uitvoert. De begeleider is het hele bezoek in de buurt van [minderjarige], om te kunnen horen wat er wordt gezegd door de betrokkenen.
- De moeder accepteert de regels in het pleeggezin. Als de moeder zich zorgen maakt of als de moeder iets dwars zit over de plaatsing kan zij dit tijdens de evaluatiemomenten bespreken met de jeugdbeschermer.

3.Het verzoek

3.1.
De moeder verzoekt:
- de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren;
- op grond van artikel 1:265f lid 2 BW een regeling vast te stellen, waarbij de bezoekregeling wordt opgebouwd en uitgebreid zoals voorgesteld door haar advocaat;
- danwel anderszins te oordelen als de kinderrechter in goede justitie vermeent te behoren en verder te beslissen dat de bezoekregeling wordt uitgebreid zoals voorgesteld door de advocaat van de ouders (de kinderrechter begrijpt:
de moeder).
De moeder verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Namens de moeder heeft haar advocaat ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.
De bezoeken tussen [minderjarige] en de moeder zijn al een jaar lang slechts een uur per twee weken.
De evaluaties van de bezoeken vinden slechts een keer in de drie maanden plaats. Volgens de GI moesten de doelen worden verscherpt, maar niet volgens de Leliezorggroep.
Op het moment dat de moeder tijdens een gesprek met de Leliezorggroep een uitspraak heeft gedaan, was [minderjarige] niet aanwezig. Er is besproken dat de moeder [minderjarige] minder eten kan geven, daar let de moeder op. In de Surinaamse cultuur is eten echter belangrijk en een moment van samenzijn. [minderjarige] vraagt ook zelf om eten.
Volgens de moeder verlopen de bezoeken goed. De schriftelijke aanwijzing is onvoldoende onderbouwd. De bezoeken moeten vaker worden geëvalueerd en het contact tussen [minderjarige] en de moeder moet worden opgebouwd en uitgebreid. Daarbij moet rekening worden gehouden met de beperking van de moeder. De moeder doet haar best en is lerende. Er moet niet op elke slak zout worden gelegd. De moeder wil een kans om te laten zien welke vaardigheden zij heeft. De moeder voelt zich onzeker en kan niet vrij zijn in de omgang met [minderjarige]. [minderjarige] is verdrietig als hij weggaat bij het bezoek. Daarom is het een lastige situatie. Tijdens de laatste teamtafel is niet aangegeven dat [minderjarige] moe en onrustig gedrag laat zien na de bezoeken. De standpunten van de GI, de moeder en de opa en oma mz lopen uiteen. Er moet gekeken worden naar [minderjarige].
4.2.
De GI heeft ter zitting het volgende aangevoerd. Tijdens de evaluaties van de bezoeken is aangegeven dat de moeder [minderjarige] niet teveel voedsel moet geven. De afgelopen twee bezoeken heeft de moeder [minderjarige] echter opnieuw teveel voedsel gegeven. [minderjarige] reageert daar slecht op. Op 16 februari 2026 heeft de moeder tijdens een bezoek aangegeven dat de jeugdbeschermer fouten heeft gemaakt. Dat is niet gepast, ook al is [minderjarige] misschien op dat moment niet direct op gehoorsafstand aanwezig. De zitting veroorzaakt veel spanning bij de moeder. Dat heeft ook effect tijdens de bezoeken. De moeder heeft veel sturing nodig. Zij houdt geen, [minderjarige] passend, tempo aan. Zo stelt de moeder aan [minderjarige] zes vragen achter elkaar zonder te wachten op antwoord. [minderjarige] benoemt dan maar iets. De moeder weet vervolgens niet hoe te reageren en geeft een ander antwoord. Daarin stuurt en begeleidt de Leliezorggroep. De begeleiding van de bezoeken kan dan ook voorlopig niet worden afgebouwd.
De bezoeken worden met de moeder altijd voor- en nabesproken, ook de afspraken over het eten. Zo zijn op 2 maart 2026 de doelen met bepaalde methoden voor het bezoek opnieuw met de moeder besproken. Ondanks de uitleg beklijft dit helaas niet bij de moeder. De moeder weigert soms contact met de jeugdbeschermer.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:263 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) lid 1 kan de gecertificeerde instelling ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.
5.2.
Op grond van artikel 1:264 BW Pro lid 1 kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Het verzoek heeft geen schorsende kracht, tenzij de kinderrechter het tegendeel bepaalt. Op grond van artikel 1:264 BW Pro lid 2 wordt bij de indiening van het verzoek de beslissing van de gecertificeerde instelling overgelegd. Op grond van artikel 1:264 BW Pro lid 3 bedraagt de termijn voor het indienen van het verzoek twee weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.
5.3.
Op grond van artikel 1:265f BW lid 1 kan voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, de gecertificeerde instelling voor de duur daarvan de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. Op grond van artikel 1:265f BW lid 2 geldt de beslissing van de gecertificeerde instelling als een schriftelijke aanwijzing. Artikel 264 en Pro artikel 265 zijn Pro van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kinderrechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.
5.4.
Op grond van artikel 1:263, tweede en derde lid, BW is de moeder in haar verzoek ontvankelijk nu zij het eenhoofdig gezag over [minderjarige] heeft, zij de beslissing van de GI bij de indiening van het verzoek heeft overgelegd en zij het verzoek binnen twee weken na verzending van de schriftelijke aanwijzing heeft ingediend.
5.5.
Ter beoordeling ligt voor of er redenen zijn om deze schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. De kinderrechter overweegt het volgende.
5.6.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige] in een zorgelijke opvoedsituatie bij de moeder is opgegroeid. Door haar persoonlijke problematiek, beperkte vaardigheden en onvoorspelbare en verwarrende gedrag was de moeder niet meer in staat om voor [minderjarige] te zorgen. Vanwege de forse zorgen is [minderjarige] in november 2024 met een machtiging uit huis geplaatst. Sindsdien verblijft hij in een gezinshuis. Het gaat, blijkens de stukken en hetgeen is besproken ter zitting, aldaar goed met [minderjarige]. Hij komt tot ontwikkeling.
5.7.
In de afgelopen periode hebben een keer in de twee weken gedurende maximaal een uur bezoeken tussen [minderjarige] en de moeder plaatsgevonden. Deze bezoeken worden voor- en nabesproken met de moeder en worden begeleid door Leliezorggroep. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de moeder tijdens de bezoeken met [minderjarige] moeite heeft om bij hem aan te sluiten. Zo stelt de moeder tijdens de bezoeken regelmatig kort achter elkaar meerdere vragen aan [minderjarige]. Daardoor ontstaat weinig ruimte voor [minderjarige] om te antwoorden of om het gesprek op zijn tempo te voeren. Het lukt hem niet bij moeder aan te sluiten en hij trekt zich regelmatig terug of het contact wordt beëindigd doordat [minderjarige] niet meer reageert. Tijdens deze momenten heeft de moeder dus moeite om aan te sluiten bij de belevingswereld en het tempo van [minderjarige]. Ook blijft de moeder, blijkens de namens haar overgelegde bezoekverslagen en de verklaring van de GI ter zitting, tegen de afspraken in [minderjarige] tijdens de bezoeken voorzien van warme maaltijden met teveel voedsel en geeft zij aan dat het belangrijk is dat [minderjarige] eerst zijn warme maaltijd moet nuttigen. Ook is gebleken dat de moeder de afspraken niet altijd nakomt. Op 16 februari 2026 heeft de moeder tijdens een bezoek tegen de afspraken in benoemd dat jeugdzorg een grote fout heeft gemaakt door [minderjarige] uit huis te plaatsen en dat [minderjarige] bij haar hoort te wonen. Dit alles is niet in het belang van [minderjarige]. [minderjarige] en de moeder zoeken tijdens de bezoeken bovendien regelmatig bevestiging bij de begeleiding. Deze begeleiding blijft dan ook nodig om het contact tussen [minderjarige] en de moeder op een voor [minderjarige] fijne en passende manier vorm te geven. Het verloop van de bezoeken wordt besproken tijdens de evaluatiemomenten een keer in de drie maanden.
5.8.
Op 16 januari 2026 heeft de GI aan de moeder de vooraankondiging van de schriftelijke aanwijzing verzonden. Op 23 januari 2026 heeft de advocaat van de moeder een reactie op deze vooraankondiging aan de GI gestuurd. Gelet hierop is de kinderrechter dan ook van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing door de GI zorgvuldig tot stand is gekomen en deugdelijk is gemotiveerd.
5.9.
Gelet op al het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek van de moeder tot vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing afwijzen. Ook is het op grond van al het voorgaande naar het oordeel van de kinderrechter nog niet in het belang van [minderjarige] om de bezoekregeling op te bouwen en uit te breiden, zoals door de moeder is verzocht. Daarbij houdt de kinderrechter er rekening mee dat [minderjarige] vijf dagen in de week naar school gaat en dat [minderjarige] gemiddeld anderhalve dag nodig heeft om volledig bij te komen van een bezoek met de moeder. Dit alles vraagt dan ook veel van [minderjarige]. Gelet op de extra behoefte van [minderjarige] aan rust en structuur, is een uitbreiding van de bezoekregeling op dit moment niet in zijn belang. Het is eveneens van belang om het onderzoek naar het perspectief van [minderjarige] niet te doorkruisen door nu een wijziging in de bezoekregeling aan te brengen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek van de moeder af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 door
mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 19 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.