ECLI:NL:RBROT:2026:285

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
ROT 25/4666
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ingangsdatum Wajong-uitkering en toepassing van de hardheidsclausule

In deze zaak heeft de rechtbank Rotterdam op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil over de ingangsdatum van een Wajong-uitkering voor eiseres, geboren op 27 april 2001. Eiseres diende op 19 september 2023 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering, maar het UWV heeft deze aanvraag afgewezen met het argument dat eiseres op dat moment geen arbeidsvermogen had. Eiseres maakte bezwaar tegen deze beslissing en stelde dat haar uitkering niet per aanvraagdatum, maar per 27 april 2019, de datum waarop zij 18 jaar werd, had moeten ingaan. Eiseres verwees naar een psychiatrisch rapport dat haar situatie beschrijft en stelde dat zij niet in staat was om tijdig een aanvraag in te dienen. De rechtbank oordeelde dat voor de toepassing van artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong, twee cumulatieve voorwaarden moeten worden vervuld: het UWV moet kennis hebben kunnen nemen van een situatie waarin mogelijk recht op een Wajong-uitkering bestaat, en de voorwaarde van het doen van een aanvraag moet tot kennelijke hardheid leiden. De rechtbank concludeerde dat aan de eerste voorwaarde niet was voldaan, omdat er vóór de aanvraagdatum geen medische beoordeling had plaatsgevonden. Daarom kon de ingangsdatum van de Wajong-uitkering niet eerder worden vastgesteld dan de aanvraagdatum van 19 september 2023. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard, en zij kreeg geen griffierecht of proceskosten vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4666

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit Rotterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. H.J.J. Verhoeven).

Procesverloop

1.1.
Eiseres, geboren op 27 april 2001, heeft op 19 september 2023 met het formulier ‘Aanvraag beoordeling arbeidsvermogen’ een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend.
1.2.
Met het besluit van 17 april 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV de aanvraag afgewezen en overwogen dat eiseres momenteel geen arbeidsvermogen heeft, maar dat dit mogelijk in de toekomst nog kan ontwikkelen. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
1.3.
Op 5 december 2024 heeft eiseres het UWV een ingebrekestelling gestuurd vanwege het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift.
1.4.
Op 20 december 2024 heeft het UWV kenbaar gemaakt een medische expertise bij een psychiater te willen aanvragen.
1.5.
Op 20 maart 2025 heeft het onderzoek bij de psychiater plaatsgevonden en op 7 april 2025 heeft de psychiater hierover gerapporteerd.
1.6.
Op 24 april 2025 heeft het UWV het voornemen kenbaar gemaakt om het primaire besluit te wijzigen. Deze wijziging houdt in dat aan eiseres per 19 september 2023 een Wajong-uitkering wordt toegekend. Op 29 april 2025 heeft eiseres op het voornemen gereageerd.
1.7.
Met het besluit van 6 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het primaire besluit herroepen en bepaald dat eiseres per 19 september 2023 recht heeft op een Wajong-uitkering. Op 7 mei 2025 is de toekenning van de Wajong-uitkering neergelegd in een besluit.
1.8.
Met het besluit van 13 mei 2025 is aan eiseres een maximale dwangsom toegekend voor het eerder uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift.
1.9.
Naar aanleiding van de beslissing op bezwaar van 6 mei 2025 heeft eiseres op 22 mei 2025 een e-mail naar het UWV gestuurd, omdat zij het niet eens is met de ingangsdatum van de uitkering.
1.10.
Naar aanleiding van deze e-mail heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzoek verricht en op 11 juni 2025 een rapportage opgesteld.
1.11.
Vervolgens heeft eiseres op 16 juni 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 16 juli 2025 heeft eiseres de beroepsgronden aangevuld.
1.12.
Het UWV heeft op 1 oktober 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 september 2025.
1.13.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de zus van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Standpunt eiseres

2. Eiseres stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat niet per de datum van de aanvraag, maar per 27 april 2019 (de datum dat zij 18 jaar werd) een Wajong-uitkering aan haar had moeten worden toegekend. Onder verwijzing naar het psychiatrisch expertiserapport van 7 april 2025 stelt eiseres dat zij niet in staat was om tijdig (op of na haar achttiende verjaardag) een aanvraag voor een Wajong-uitkering in te dienen of een derde daartoe de opdracht te geven als bedoeld in artikel 1a:11, eerste lid, van de Wajong, omdat eiseres contacten met zorginstanties, hulpverlening, familieleden en derden vermeed. Volgens eiseres leidt de voorwaarde van het doen van een aanvraag op dat moment tot een kennelijke hardheid en had het UWV toepassing moeten gegeven aan de in artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong gegeven bevoegdheid om het recht op een Wajong-uitkering ambtshalve vast te stellen. Ter zitting heeft eiseres ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar een niet-gepubliceerde uitspraak van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 augustus 2025.

Beoordeling door de rechtbank

3. In geschil is uitsluitend de ingangsdatum van de aan eiseres toegekende Wajong-uitkering. De rechtbank dient te beoordelen of de in artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong opgenomen hardheidsclausule de mogelijkheid biedt om de Wajong-uitkering eerder in te laten gaan dan de datum van de indiening van de aanvraag.
4.1.
Artikel 1a:11 van de Wajong luidt als volgt:
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt op aanvraag vast of recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit hoofdstuk bestaat.
Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit hoofdstuk ontstaat op de dag waarop de aanvraag, bedoeld in dit artikel, werd ingediend, met dien verstande dat dit recht niet eerder kan ontstaan dan de dag waarop de betrokkene achttien jaar wordt.
(….)
Indien de toepassing van het eerste lid zou leiden tot kennelijke hardheid, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering ambtshalve toe te kennen.
4.2.
Uit de tekst en wetgeschiedenis van artikel 1a:11 van de Wajong [1] volgt dat het recht op een Wajong-uitkering op aanvraag wordt vastgesteld en dat het recht op uitkering niet eerder dan op de aanvraagdatum kan ontstaan. In gevallen waarin het niet of het te laat doen van een aanvraag zou leiden tot kennelijke hardheid geeft het vierde lid aan het UWV de bevoegdheid het recht op uitkering in afwijking van het eerste lid ook ambtshalve (dus zonder aanvraag) vast te stellen en toe te kennen. Er kunnen zich blijkens de wetsgeschiedenis omstandigheden voordoen waarbij het doen van een aanvraag als voorwaarde om het recht op een Wajong-uitkering te kunnen vaststellen, leidt tot een kennelijke hardheid. Daarbij is door de wetgever bijvoorbeeld gedacht aan situaties waarin de jonggehandicapte niet in staat was een aanvraag in te dienen.
4.3.
Aangezien het vierde lid geen afwijking inhoudt van het tweede lid, is voor de ingangsdatum van de Wajong-uitkering het moment van aanvraag bepalend. Dit is alleen anders als op grond van het vierde lid een aanvraag niet vereist is. De ingangsdatum wordt in dat geval vastgesteld op het moment waarop het UWV kennis heeft kunnen nemen van een situatie waarin mogelijk sprake is van een recht op een Wajong-uitkering en de voorwaarde van het doen van een aanvraag (op dat specifieke moment) leidt tot een kennelijke hardheid. Hiervan zal bijvoorbeeld sprake kunnen zijn als het niet aanvragen van de uitkering (al dan niet met behulp van derden) het gevolg is van de ziekte waaraan een betrokkene lijdt. Dit betekent dat het toekennen van een uitkering met terugwerkende kracht vóór datum aanvraag of vóór het moment waarop het Wajong-recht met toepassing van het vierde lid ambtshalve had moeten worden vastgesteld, niet mogelijk is. [2]
5.
5.1.
Op basis van het voorgaande overweegt de rechtbank dat voor de toepassing van artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong sprake moet zijn van twee cumulatieve voorwaarden, namelijk een moment waarop het UWV kennis heeft kunnen nemen van een situatie waarin mogelijk sprake was van een recht op een Wajong-uitkering
énde voorwaarde van het doen van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid tot kennelijke hardheid leidt. Met dit laatste wordt de situatie bedoeld waarin het niet of niet tijdig doen van een aanvraag zou leiden tot kennelijke hardheid. Er bestaat geen ruimte om artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong zo te interpreteren dat hiermee kan worden afgeweken van artikel 1a:11, tweede lid (welke bepaling van dwingend recht is) dat gaat over de ingangsdatum van de Wajong-uitkering.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat het eerste spreekuur bij de verzekeringsarts heeft plaatsgevonden op 14 januari 2024 en dat eiseres hiervoor niet eerder medisch is beoordeeld door het UWV. Vóór de aanvraagdatum heeft zich dus geen situatie voorgedaan die het UWV aanleiding had kunnen geven om ambtshalve het recht op een Wajong-uitkering vast te stellen. De gemachtigde van eiseres heeft dit tijdens de zitting ook beaamd. Omdat sprake is van cumulatieve voorwaarden en aan de eerste voorwaarde al niet wordt voldaan, kan geen sprake zijn van toepassing van artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong. De rechtbank is van oordeel dat, zonder daarbij afbreuk te willen doen aan de problemen waarmee eiseres kampt, uit het voorgaande volgt dat het UWV de ingangsdatum terecht heeft vastgesteld op de aanvraagdatum van de Wajong-uitkering, namelijk op 19 september 2023.
5.3.
De gemachtigde van eiseres verwees naar de uitspraak van de rechtbank Limburg, omdat daaruit blijkt dat artikel 1a:11, vierde lid, de mogelijkheid biedt om de ingangsdatum van de toekenning van een Wajong-uitkering te vervroegen wanneer sprake is van kennelijke hardheid. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen over die bepaling, valt niet in te zien waarom het UWV op grond van deze uitspraak anders had moeten oordelen. In die uitspraak voldoet de belanghebbende overigens ook niet aan de vereisten voor het ontstaan van het recht op een Wajong-uitkering, terwijl dat in het geval van eiseres wel het geval is.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2026.
De rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Memorie van Toelichting op de Invoeringswet werken naar vermogen (
2.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1060.