Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2822

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
C/10/711754 / HA ZA 25-1096
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 209 RvArt. 210 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming oproeping mediator in vrijwaring in geschil over verdeling overwaarde woning na echtscheiding

De man en vrouw zijn gescheiden en hebben afspraken gemaakt over de verdeling van de echtelijke woning, waarbij de vrouw de woning kreeg en de man afstand deed van zijn aandeel in overwaarde tot €511.000. Bij verkoop of delen met een nieuwe partner zou het meerdere opeisbaar worden. De vrouw is hertrouwd en woont met haar nieuwe partner in de woning, maar weigert medewerking aan taxatie en uitkering van overwaarde.

De vrouw vordert in een incident toestemming om de mediator die betrokken was bij het echtscheidingsconvenant in vrijwaring op te roepen. Zij stelt dat de mediator haar mogelijk niet juist heeft geïnformeerd over de risico’s van de afspraken, waardoor deze mediator haar zou moeten vrijwaren voor een eventuele veroordeling in de hoofdzaak.

De rechtbank oordeelt dat de vrouw voldoende heeft gesteld dat er een rechtsverhouding bestaat tussen haar en de mediator die een verplichting tot vrijwaring kan inhouden. Het is niet nodig dat de vrouw dit nu al verder onderbouwt. De rechtbank wijst het verzoek toe en stelt een termijn van zes weken voor de oproeping in vrijwaring. Proceskosten worden gecompenseerd, ieder betaalt eigen kosten. De hoofdzaak wordt voortgezet met een rolzitting over zes weken voor conclusie van antwoord.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek toe om de mediator in vrijwaring op te roepen en bepaalt een termijn van zes weken voor de oproeping.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/711754 / HA ZA 25-1096
Vonnis in incident van 11 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident,
advocaat: mr. A. van den Eshoff,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,
advocaat: mr. P.A. de Lange.
Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 3 december 2025, met bijlagen 1 tot en met 15;
  • de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring;
  • de conclusie van antwoord in incident.

2.Het geschil in de hoofdzaak

2.1.
De man vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
zal bepalen dat er door de rechtbank een onafhankelijk deskundige wordt benoemd die zal overgaan tot het vaststellen van de vrije verkoopwaarde van de woning staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats] aan de [adres] per heden, waarbij ieder der partijen de helft van de kosten van deze deskundige draagt;
de vrouw zal veroordelen om binnen één week na daartoe strekkende verzoek van de door de rechtbank aangewezen taxateur alle aanwijzingen van de taxateur op te volgen die nodig zijn voor het vaststellen van de vrije verkoopwaarde van de woning en hieraan haar medewerking te verlenen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of dagdeel dat de vrouw nalaat geheel of gedeeltelijk aan deze veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 100.000,00;
de vrouw zal veroordelen om binnen 3 maanden nadat de door de rechtbank te benoemen taxateur de vrije verkoopwaarde van de woning heeft vastgesteld, de helft van de vastgestelde vrije verkoopwaarde van de woning minus € 511.000,00 per datum taxatie aan de man zal betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.
2.2.
Aan zijn vorderingen legt de man – voor zover nu van belang – het volgende ten grondslag. Partijen waren gehuwd en zijn in 2018 gescheiden. Partijen hebben met behulp van een mediator afspraken gemaakt over onder andere de echtelijke woning. De woning is in 2018 aan de vrouw toegedeeld. Partijen spraken daarbij af dat de man afziet van de vordering op de vrouw met betrekking tot zijn aandeel in de overwaarde van de woning tot een bedrag van € 511.000,00. Verder spraken partijen af dat als de woning op een later moment door de vrouw wordt verkocht of de woning door de vrouw wordt gedeeld met een nieuwe partner, de vordering van de man op de vrouw met betrekking tot zijn aandeel in de overwaarde van de woning boven een bedrag van € 511.000,00 op dat moment opeisbaar wordt. De vrouw is inmiddels hertrouwd en woont samen met haar nieuwe partner in de woning, maar weigert mee te werken aan taxatie en uitkering van de gelet op het voorgaande aan de man toekomende overwaarde.
2.3.
De vrouw heeft nog niet voor antwoord geconcludeerd.

3.Het geschil in het incident

3.1.
De vrouw vordert toestemming om mevrouw mr. [naam] in de hoofdprocedure op te roepen in vrijwaring, kosten rechtens.
3.2.
De vrouw motiveert haar vordering als volgt. Het geschil in de hoofdprocedure ziet op de uitleg van artikel 3.9 van het echtscheidingsconvenant tussen de man en de vrouw. Bij het opstellen van het echtscheidingsconvenant was mr. [naam] als mediator betrokken. In het echtscheidingsconvenant hebben partijen afspraken gemaakt over onder andere de verdeling van de voormalige echtelijke woning. De vrouw is van mening dat de uitleg die de man aan de daarover in het convenant gemaakte afspraken geeft onjuist is. In het echtscheidingsconvenant is opgenomen dat de man aanspraak kan maken op de helft van de overwaarde van de woning boven € 511.000,00 in het geval dat de woning door de vrouw wordt verkocht of
de eigendom vande woning door de vrouw met een nieuwe partner wordt gedeeld. Van deze situaties is volgens de vrouw geen sprake. Voor het geval dat de rechtbank toch van oordeel is dat de man in zijn uitleg van artikel 3.9 van het echtscheidingsconvenant moet worden gevolgd, is de vrouw van mening dat de mediator de vrouw moet vrijwaren voor de vordering van de man. De mediator heeft de vrouw in dat geval niet juist of volledig bijgestaan, geadviseerd en geïnformeerd en de vrouw niet, niet juist of onvolledig gewezen op de grote en ongebruikelijke risico’s van de in artikel 3.9 van het echtscheidingsconvenant neergelegde keuzes van partijen.
3.3.
De man voert verweer en concludeert
primairtot niet-ontvankelijkverklaring, dan wel afwijzing van de vordering in het incident. De man stelt zich
subsidiairop het standpunt dat de vrouw moet worden bevolen om de dagvaarding in vrijwaring binnen uiterlijk twee weken uit te brengen, met voortzetting van de hoofdzaak zonder (of slechts met minimale) aanhouding en met vaststelling van een strak rolregime.

4.De beoordeling in het incident

4.1.
Op grond van artikel 209 Rv Pro beslist de rechtbank eerst op de door de vrouw opgeworpen incidentele vordering. De vrouw heeft die vordering tijdig en vóór alle weren ingesteld.
4.2.
Op grond van artikel 210 lid 1 Rv Pro kan de gedaagde iemand in vrijwaring oproepen als hij van mening is dat hij daar genoeg reden voor heeft. Het is voldoende dat de gedaagde partij in de hoofdzaak genoegzaam stelt, dat tussen hem en de in vrijwaring op te roepen derde een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan die derde verplicht is om de nadelige gevolgen van een veroordeling van de gedaagde in de hoofdzaak te dragen.
4.3.
De rechtbank wijst de incidentele vordering van de vrouw toe. De vrouw heeft genoegzaam gesteld dat tussen haar en de mediator een rechtsverhouding bestaat die voor de mediator mogelijk een verplichting tot vrijwaring meebrengt. De rechtbank begrijpt de stellingen van de vrouw zo, dat de vrouw van mening is dat de mediator mogelijk tekort is geschoten in de nakoming van de tussen hen gesloten ‘vFas-(scheidings)mediationovereenkomst’ door de vrouw niet, onjuist of onvolledig voor te lichten/te informeren en dat de mediator de vrouw daarom mogelijk geheel of gedeeltelijk zou moeten vrijwaren voor een voor de vrouw negatieve uitkomst van de hoofdzaak. Anders dan de man kennelijk meent, is het niet nodig dat de vrouw de verplichting tot vrijwaring op dit moment al verder uitwerkt, onderbouwt of bewijst. Het feit dat toewijzing van de vordering tot vrijwaring voor (enige) vertraging van de hoofdzaak zal leiden, vormt op zichzelf geen grond om die vordering af te wijzen.
4.4.
Het is in deze rechtbank gebruikelijk dat voor het oproepen in vrijwaring van een partij een termijn van zes weken wordt gegund. De rechtbank ziet in wat de man aanvoert geen aanleiding om die termijn te verkorten.
4.5.
Het uitgangspunt in zaken tussen familieleden is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. De proceskosten in het incident worden dus gecompenseerd.

5.Ambtshalve beoordeling in de hoofdzaak

5.1.
De man heeft in het incident subsidiair verzocht om:
te bepalen dat de vrouw de dagvaarding in vrijwaring binnen een zeer korte termijn uitbrengt, te weten uiterlijk binnen twee weken na het vonnis in incident;
te bepalen dat de behandeling van de hoofdzaak niet wordt aangehouden, althans slechts voor de strikt noodzakelijke processtap;
een strak rolregime vast te stellen (korte termijnen, zo mogelijk één schriftelijke ronde in vrijwaring), zodat de hoofdzaak zo spoedig mogelijk inhoudelijk kan worden behandeld; en
althans zodanige voorzieningen te treffen als de rechtbank geraden acht om te waarborgen dat de hoofdzaak geen onnodige vertraging oploopt.
5.2.
Voor wat betreft het verzoek onder a. is hiervoor in 4.4 geoordeeld dat de rechtbank geen aanleiding ziet om van de voor deze rechtbank gebruikelijke termijn voor oproeping in vrijwaring van zes weken af te wijken. De verzoeken onder b. en c. zijn naar het oordeel van de rechtbank voorbarig. De hoofdzaak wordt nu, zoals voor deze rechtbank gebruikelijk is, naar de rol over zes weken verwezen voor een conclusie van antwoord van de vrouw. Vervolgens zal naar verwachting een mondelinge behandeling worden gepland, zo mogelijk gelijktijdig met een mondelinge behandeling in de vrijwaringszaak. De rolrechter zal erop toezien dat zowel de hoofdzaak, als de vrijwaringszaak voldoende voortvarend worden behandeld. Eventuele nadere voorzieningen om dat te waarborgen, zoals de man onder d. verzoekt, acht de rechtbank op dit moment niet nodig.

6.De beslissing

De rechtbank:
in het incident
6.1.
staat toe dat mevrouw mr. [naam] door de vrouw in vrijwaring wordt gedagvaard tegen de rolzitting van
22 april 2026;
6.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
in de hoofdzaak
6.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol komt van
22 april 2026voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
4041/3669