Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2807

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
C/10/715676 / KG ZA 26-198
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing ontruiming huurder wegens psychiatrische zorg en belangenafweging

De vrouw huurt een woning van Hef Wonen en is bij vonnis van 6 februari 2026 veroordeeld tot ontruiming wegens ernstige overlast. De ontruiming stond gepland op 19 maart 2026. De vrouw vordert schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis.

De voorzieningenrechter weegt het belang van de vrouw, die psychiatrische zorg ontvangt en uitzicht heeft op plaatsing in Begeleid Wonen, af tegen het belang van Hef Wonen en de omwonenden bij rustig huurgenot. Hoewel er in het verleden sprake was van overlast, is de situatie momenteel relatief rustig door gedwongen zorg die loopt tot mei 2026.

De rechtbank oordeelt dat het belang van de vrouw bij behoud van de woning tot mei 2026 zwaarder weegt dan het belang van Hef Wonen bij ontruiming. De schorsing wordt gekoppeld aan de duur van de gedwongen zorg. De proceskosten worden gecompenseerd en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De ontruiming van de huurder wordt geschorst tot mei 2026 vanwege haar psychiatrische zorg en het zwaarder wegen van haar belang bij behoud van de woning.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/715676 / KG ZA 26-198
Vonnis in kort geding van 18 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. S.A. Chedie,
tegen
STICHTING HEF WONEN,
te Rotterdam,
gedaagde partij,
advocaat: mr. R.H. Ruysendaal.
Partijen worden hierna de vrouw en Hef Wonen genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 maart 2026, met bijlagen 1 tot en met 6;
- bijlage 8 van de vrouw;
- twee ongenummerde bijlagen van Hef Wonen;
- de mondelinge behandeling van 16 maart 2026;
- de pleitnota van mr. R.H. Ruysendaal.

2.De feiten

2.1.
De vrouw huurt een woning van Hef Wonen. Bij vonnis van de kantonrechter van 6 februari 2026 heeft de kantonrechter bepaald dat de vrouw de woning moet ontruimen omdat de vrouw zorgt voor ernstige overlast voor de omwonenden. De ontruiming staat gepland op 19 maart 2026. De vrouw vordert, samengevat, schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis. De vorderingen van de vrouw worden (gedeeltelijk) toegewezen.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad dat de voorzieningenrechter:
I. de aangezegde tenuitvoerlegging van het vonnis d.d. 6 februari 2026 c.q. de aangezegde ontruiming d.d. 19 maart 2026 te schorsen en Hef Wonen te verbieden om tot tenuitvoerlegging van het vonnis d.d. 6 februari 2026 over te gaan tot vier weken na het wijzen van arrest in hoger beroep, steeds op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag tot een maximum van € 10.000,00;
II. (een) zodanige voorziening(en), binnen een zodanige termijn, treft die de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 wanneer Hef Wonen niet aan de veroordeling onder I voldoet;
III. Hef Wonen te veroordelen in de proceskosten inclusief de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente indien deze kosten niet zijn voldaan binnen drie dagen na betekening van dit vonnis.
3.2.
De vrouw legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. De kantonrechter heeft de beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet gemotiveerd. De kantonrechter heeft enkel één belang van de vrouw om de woning te behouden benoemd maar de belangen vervolgens niet (juist) afgewogen en/of zich bediend van aannames en/of onjuiste feiten. Om die reden dient er nog een (juiste en volledige) belangenafweging plaats te vinden. De vrouw stelt dat deze belangenafweging in haar voordeel dient uit te vallen.
3.3.
Hef Wonen voert verweer. Hef Wonen concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan.
4.2.
Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, met dien verstande dat de voorzieningenrechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
De executie wordt tijdelijk geschorst
4.3.
De vrouw stelt dat de kantonrechter de belangen niet (juist) heeft afgewogen en/of zich heeft bediend van aannames en/of onjuiste feiten. Het gaat de vrouw dus om een onjuiste belangenafweging en niet om een kennelijke misslag in het vonnis van de kantonrechter. Dat laatste is in ieder geval niet gesteld door de vrouw.
4.4.
Dat de kantonrechter de belangen niet (juist) heeft afgewogen en/of zich heeft bediend van aannames en/of onjuiste feiten zoals de vrouw stelt, vindt geen steun in het vonnis van de kantonrechter, noch in de overgelegde producties, met de volgende nuancering.
4.5.
De in dit kort geding overgelegde recente brief van de behandelend psychiater vermeldt:
“Momenteel wordt ingezet op plaatsing in een vorm van Begeleid Wonen, waarin cliënte naast behandeling ook structurele begeleiding ontvangt. Deze aanvraag is met urgentie in gang gezet zodra duidelijk werd dat cliënte haar huidige woning dient te verlaten. Op inhoudelijke gronden wordt verwacht dat cliënte voldoet aan de criteria voor deze woonvorm; de aanvraag is echter op dit moment nog niet volledig administratief afgerond. De verwachting is dat plaatsing binnen enkele maanden gerealiseerd kan worden.
Gelet op het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het behoud van passende huisvesting van essentieel belang is ter voorkoming van ernstige psychiatrische ontregeling, maatschappelijke teloorgang en verhoogde veiligheidsrisico's voor cliënte.”
4.6.
Mevrouw [naam] , de begeleider van de vrouw via Antes, en de advocaat van de vrouw hebben ter zitting uitleg verstrekt over de procedure rondom de met urgentie in gang gezette aanvraag van Begeleid Wonen. Pas nadat er concreet zicht was op uithuisplaatsing, is dat proces in gang gezet. Eerder was dat in hun visie niet mogelijk.
4.7.
Evident is dat de vrouw er groot belang bij heeft dat de ontruiming nog korte tijd wordt opgeschort opdat de hulpverlening het daarheen kan leiden dat een plek bij Begeleid Wonen ter beschikking kan worden gesteld, dan wel een tijdelijke noodoplossing kan worden gerealiseerd tot het moment waarop die plek beschikbaar is. In dit verband is van belang dat er zicht is op andere woonruimte met Begeleid Wonen, waarbij de vrouw naast behandeling ook structurele begeleiding ontvangt. Volgens de behandelend psychiater van de vrouw is de verwachting dat de vrouw op inhoudelijke gronden voldoet aan de criteria voor deze woonvorm en zijn er enkel administratieve werkzaamheden die moeten worden doorlopen.
4.8.
Het hiervoor genoemde belang van de vrouw dient te worden afgewogen tegen het belang van Hef Wonen. Hef Wonen moet ook de belangen van haar andere huurders (omwonenden) dienen. Ook die huurders kunnen aanspraak maken op rustig huurgenot. Duidelijk is dat er in het verleden diverse perioden zijn geweest waarin zij dat onvoldoende hebben genoten. In dit verband is van belang dat Hef Wonen ter zitting desgevraagd heeft bevestigd dat er geen recente klachten zijn van andere huurders waaruit kan worden afgeleid dat in de situatie van dit moment het rustig huurgenot van de andere huurders wordt aangetast door gedragingen van de vrouw.
4.9.
Niet onaannemelijk is dat op dit moment bestaande relatief rustige huursituatie ermee samenhangt dat de vrouw momenteel gedwongen zorg ontvangt. Die gedwongen zorg loopt tot mei 2026. Wat er daarna gaat gebeuren is onzeker. De kantonrechter heeft in het vonnis waarbij de huurovereenkomst is ontbonden en de vrouw is veroordeeld tot ontruiming meegewogen dat er geen duidelijk perspectief op bestendige verbetering was. Tijdens de zitting bij de kantonrechter heeft de vrouw aangegeven dat zij het niet eens is met haar behandeltraject. Daar heeft de kantonrechter, in combinatie met de ervaringen uit het verleden, uit afgeleid dat er een aanzienlijk risico bestaat op terugkeer van de overlast als dit behandeltraject ten einde gekomen is. De voorzieningenrechter heeft hierover ter zitting geen vragen aan de vrouw kunnen stellen omdat zij zelf niet ter zitting is verschenen. De recente brief van de behandelend psychiater vermeldt echter ook het volgende. Bij de vrouw is sprake van een psychiatrische stoornis waarbij het ziekte-inzicht ontbreekt. De behandeling wordt bemoeilijkt door structurele zorgmijding. De vrouw hanteert een alternatieve verklaring voor haar problematiek, welke afwijkt van de professionele beoordeling door het behandelteam. Dat onderstreept in de visie van de voorzieningenrechter het door de kantonrechter benoemde risico.
4.10.
De belangen afwegende is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van de vrouw bij behoud van de woning tot 1 mei 2026 zwaarder weegt dan het belang Hef Wonen bij ontruiming voor die datum.
4.11.
De voorzieningenrechter constateert dat Hef Wonen een titel heeft waarmee zij de ontruiming van de vrouw kan bewerkstelligen. De voorzieningenrechter constateert ook dat de kantonrechter – anders dan de vrouw stelt – de belangen van de vrouw uitvoerig heeft meegewogen in haar beslissing van 6 februari 2026. De voorzieningenrechter erkent het belang van de omwonenden en biedt met dit vonnis een allerlaatste – in tijd beperkte – kans aan de vrouw, maar tegelijk aan de omwonenden concreet uitzicht op een bestendig hersteld woongenot vanaf mei 2026 zodat het rustige woongenot in een veilige leefomgeving op korte termijn terugkeert.
Conclusie
4.12.
Vordering I van de vrouw wordt toegewezen met dien verstande dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter wordt gekoppeld aan de gedwongen zorg die duurt tot mei 2026. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat eventuele verlengingen van de termijn gedurende welke gedwongen zorg wordt verleend, niet meebrengt dat het belang van de vrouw zwaarder blijft wegen dan het belang van Hef Wonen en haar andere huurders. Een periode van relatieve rust neemt de wanprestatie uit het verleden niet weg en doet niet af aan het belang van Hef Wonen en haar andere huurders bij het realiseren van een bestendig hersteld rustig woongenot vanaf mei 2026.
4.13.
Er bestaat geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom.
De proceskosten worden gecompenseerd
4.14.
De vrouw heeft vorderingen van veel verdergaande strekking ingesteld dan wat de de voorzieningenrechter toewijst. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen van partijen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij is aan te merken. Dat brengt mee dat de proceskosten worden gecompenseerd, zo dat ieder partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van deze rechtbank van 6 februari 2026, voor zover het ziet op de ontruiming per 19 maart 2026, met dien verstande dat de schorsing duurt tot mei 2026;
5.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
[4041/1729]