AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing vordering wegens onvoldoende onderbouwing in expeditiegeschil over demurragekosten
Slavenburg & Huyser B.V. vordert betaling van €53.635,30 van Logwin Air + Ocean Deutschland GmbH wegens kosten gerelateerd aan containers die niet binnen de freetime zijn opgehaald (demurrage). De rechtbank stelt vast dat de vordering onvoldoende feitelijk is toegelicht en onderbouwd, mede doordat Slavenburg niet duidelijk heeft gemaakt wat er met de containers is gebeurd en waarom Logwin aansprakelijk zou zijn.
Logwin betwist de vordering, stelt dat zij geen contractuele relatie met Slavenburg heeft en beroept zich op verjaring conform artikel 8:1740 BWPro. Partijen zijn het eens over de toepasselijkheid van Nederlands recht en de internationale bevoegdheid van de rechtbank. Slavenburg kon ter zitting geen nadere feitelijke toelichting geven en kon de stuiting van de verjaring niet met bewijs onderbouwen.
De rechtbank oordeelt dat de vordering faalt wegens onvoldoende onderbouwing en wijst deze af. Slavenburg wordt veroordeeld in de proceskosten van Logwin, begroot op €5.601,00, met een uitvoerbaar bij voorraad verklaring. De uitspraak is mondeling gedaan op 13 januari 2026 en schriftelijk vastgelegd op 14 januari 2026.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van Slavenburg af wegens onvoldoende onderbouwing en veroordeelt haar in de proceskosten van Logwin.
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/699858 / HA ZA 25-420
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 januari 2026, met de schriftelijke uitwerking van het ter zitting gewezen mondeling vonnis van 13 januari 2026 op grond van artikel 29a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
in de zaak van
SLAVENBURG & HUYSER B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres
advocaat: mr. J.W. Hilhorst,
tegen
LOGWIN AIR + OCEAN DEUTSCHLAND GMBH,
te Groβostheim (Duitsland),
gedaagde,
advocaat: mr. V.R. Pool.
Partijen worden hierna Slavenburg en Logwin genoemd.
De zitting wordt gehouden op grond van de oproepingsbrief van 25 september 2025 van deze rechtbank.
De zaak wordt behandeld door mr. P.A.M. Laan, rechter, bijgestaan door mr. B. Meeuwisse-den Boer als griffier.
Op de zitting zijn de volgende personen verschenen:
- mr. E. Holthuizen, advocaat van Slavenburg;
- mr. V.R. Pool, advocaat van Logwin, voornoemd;
- mr. J.D.G. van der Vliet, advocaat van Logwin.
De rechter gaat over tot de mondelinge behandeling.
1.De processtukken
De rechter stelt in overleg met de raadslieden vast dat de navolgende stukken deel uitmaken van het procesdossier:
- de dagvaarding van 21 maart 2025, met twee producties; - de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 3; - de brief van 25 september 2025 van deze rechtbank, waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- het B8-formulier van 31 december 2025 van Slavenburg, met aanvullende producties genummerd 1 tot en met 3;
- de mondelinge behandeling van 13 januari 2026 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen van beide partijen.
2.De ter zitting gegeven toelichtingen
De advocaten hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Zij verklaren in aanvulling daarop – verkort weergegeven en voor zover relevant – als volgt.
Aan de zijde van Slavenburg
De verjaringstermijn is verlengd. Als u vraagt of dan juist is dat er een verjaringstermijn loopt, en welke dat dan is en hoe ik de rechtsverhouding tussen Slavenburg en haar opdrachtgever kwalificeer, dan zeg ik dat Slavenburg waarschijnlijk expediteur was. Maar de FENEX-voorwaarden (en de daarin opgenomen verjaringstermijn) zijn niet van toepassing omdat Logwin geen opdrachtgever van Slavenburg is, dat was Hanwha Q Cells, maar Logwin was wel op grond van de machtiging tot betaling gehouden. Uit de wet volgt ook een verjaringstermijn van 9 maanden voor een expediteur.
U vraagt naar wanneer de verjaringstermijn dan volgens Slavenburg is gaan lopen en of Slavenburg dan stelt dat de verjaring is gestuit. De verjaring is in elk geval voor 30 juni 2024 gestuit, binnen 9 maanden na 30 september 2023, maar de exacte datum is niet bekend. U vraagt hoe ik dat weet. Slavenburg wilde eerst in Duitsland een gerechtelijke procedure opstarten maar vanwege de bevoegdheid is er voor gekozen om hier in Nederland een procedure te starten. In de overdracht van het dossier door de Duitse advocaat, voorafgaand aan het maken van de dagvaarding, stond een korte samenvatting waarin hij heeft vermeld dat hij nog een sommatie heeft verstuurd. Van die sommatie is nog steeds geen kopie verkregen, hoewel aan de Duitse advocaat meermaals specifiek is verzocht om hiervan een kopie te verstrekken. Het heeft ook te maken met een wisseling van Duitse advocaten.
Op uw vragen (Had Slavenburg ook een contractuele relatie met één van de vervoerders, gelet op de vermelding ‘as agents for BAL Transport’ op sommige stukken? Wie was de vervoerder bij deze zeeschepen? Welke partij in de keten deed precies wat? Wanneer is dan precies door Slavenburg opdracht aan Logwin gegeven en waartoe strekte deze dan? Wat is er nu feitelijk precies gebeurd met die containers? Waarom staat er storage op de facturen? Wijst dit wel op een expeditierelatie of duidt het er meer op dat Slavenburg aan de zijde van de zeevervoerder de containers moest vrijgeven en demurrage moest innen als containers te laat werden teruggegeven?) kan op dit moment geen antwoord worden gegeven. Dat heb ik nog niet van Slavenburg gehoord.
De factuur van 4 oktober 2021 is op naam van Hanwha Q Cells gesteld omdat Slavenburg toen nog niet de machtiging van Logwin had ontvangen. Op 7 oktober 2021 heeft Slavenburg de machtiging van Logwin ontvangen. Ik geloof niet dat alle facturen eerder op naam van Hanwha Q Cells stonden en later op naam van Logwin zijn gezet.
Aan de zijde van Logwin
Logwin is ermee akkoord om de wettelijke verjaringstermijn van 9 maanden voor expeditie te hanteren, artikel 8:1740 BWPro, voor zover Slavenburg daar ook van uitgaat.
Logwin is vertegenwoordiger van importeur Hanwha Q Cells. Samsung is de rechtstreekse opdrachtgever van Logwin.
Welke rol Slavenburg precies had hebben wij niet precies kunnen construeren. Wij houden het er bij gebrek aan beter op dat Slavenburg als expediteur is opgetreden. Zij regelde dat de containers overgeslagen zouden worden. Slavenburg heeft niet rechtstreeks van Logwin opdrachten gekregen.
Dat er een nadere stuiting zou zijn geweest hebben we niet eerder gehoord en wij betwisten dat.
3.Het verdere verloop van de zitting
De rechter heeft de zitting geschorst om de advocaten de gelegenheid te geven voor minnelijk overleg en (zo nodig) ook telefonisch met hun cliënten.
Partijen delen na hervatting mee dat zij nog geen schikking hebben bereikt, maar dat zij de procedure met 1 of 2 weken willen aanhouden voor schikkingsoverleg.
De rechter deelt mede dat de zaak zich leent voor het uitspreken van een mondeling vonnis, tenzij partijen tijdens een tweede schorsing alsnog een schikking bereiken. De zitting is vervolgens nogmaals enige tijd geschorst. Na hervatting delen partijen mede dat zij geen schikking hebben bereikt, maar dat zij na een mondeling vonnis desgewenst alsnog de mogelijkheden van een schikking kunnen bespreken.
De rechter sluit de mondelinge behandeling.
Vervolgens wijst de rechter mondeling vonnis onder toelichting van de gronden van de beslissing, zoals hierna weergegeven. De rechter deelt mee dat het mondeling vonnis in het proces-verbaal zal worden vastgelegd.
4.Mondeling vonnis van 13 januari 2026
4.1.
Slavenburg vordert, samengevat, dat de rechtbank Logwin veroordeelt tot betaling van € 53.635,30, te vermeerderen met verdere rente en met kosten, en de beslissing te waarmerken als een Europese Executoriale titel. Logwin concludeert - samengevat - tot afwijzing van de vordering, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling in de proceskosten.
4.2.
Dat deze rechtbank internationale bevoegdheid heeft is niet in geschil. Gelet op artikel 26 BrusselPro I-bis Vo heeft de rechtbank die bevoegdheid inderdaad, nog los van de kwalificatie van de (gestelde) rechtsverhouding tussen partijen. Partijen zijn het eens over de toepasselijkheid van het Nederlandse recht en de rechtbank volgt hen daarin.
4.3.
De rechtbank wijst de vordering af. Deze is onvoldoende begrijpelijk toegelicht en onderbouwd. De dagvaarding zegt weinig meer dan dat Logwin aan Slavenburg zaken en/of diensten heeft geleverd waarvoor facturen zijn gestuurd, voornamelijk voor demurrageen detentionkosten omdat ‘de containers’ niet in de ‘freetime’ zijn opgehaald door Logwin.
Slavenburg heeft ter onderbouwing een stapeltje van ongeveer twintig facturen over twee afvaarten en veelal meerdere containers per factuur overgelegd, en ook enige correspondentie, zonder duidelijke toelichting op wat er concreet met die schepen en containers is gebeurd en waarom Logwin het gevorderde bedrag zou moeten betalen.
4.4.
Logwin heeft de vordering bestreden. Zij betwist ten eerste een overeenkomst met Slavenburg te hebben en stelt dat haar opdrachtgever Hanwha Q Cells GmbH eventuele kosten moet betalen. Zij zegt dat zij weliswaar een volmacht heeft gekregen om als factureeradres voor alleen terminalkosten op te treden, maar niet voor de hier gefactureerde kosten, en dat Slavenburg dat ook weet. Logwin doet ten tweede een beroep op verjaring, en legt correspondentie over waaruit blijkt dat tussen de Duitse advocaten van partijen verjaringstermijnen zijn verlengd. Ten derde betwist Logwin dat het gevorderde bedrag klopt. Ten vierde betoogt Logwin dat de extra kosten geheel of gedeeltelijk zijn veroorzaakt door Slavenburg zelf.
4.5.
Ter zitting zijn aan beide zijden alleen advocaten verschenen. De raadsvrouwe van Slavenburg heeft de rechter ondanks daarop gerichte vragen bij gebrek aan wetenschap niet kunnen uitleggen hoe de feiten liggen, en niemand van Slavenburg zelf was aanwezig om die toelichting wel te geven. Wel is duidelijk geworden dat Slavenburg niet Logwin maar Hanwha Q Cells GmbH als haar opdrachtgever beschouwt, en dat zij Logwin aanspreekt op grond van een door Hanwha Q Cells GmbH in oktober 2021 verstrekte volmacht. Deze volmacht is overgelegd en heeft naar de letter een beperkte strekking. Een nadere duiding van de gevolgen van die volmacht kan echter achterwege blijven. De stukken doen de rechtbank namelijk vermoeden dat Slavenburg niet zozeer opdrachten tot dienstverlening van Hanwha Q Cells GmbH heeft gekregen, maar dat Slavenburg (alleen of ook) optrad voor de zeevervoerder onder (house of master) cognossementen. Dat past bij de vordering voor demurrage en ook op sommige correspondentie staat dat Slavenburg optrad ‘as agents for’ een bij name genoemde vervoerder. Hoe de vervoersketen in elkaar stak heeft Slavenburg ter zitting niet kunnen ophelderen. Dat geldt ook voor de feitelijke achtergrond van de vele (betwiste) facturen voor ‘storage’. Op Slavenburg rust als eiseres niettemin de stelplicht en bewijslast.
4.6.
Tot slot hebben partijen ter zitting eensluidend verklaard dat de rechtbank ervan uit mag gaan dat op de vorderingen een verjaringstermijn van negen maanden van toepassing is. Daarbij heeft Logwin artikel 8:1740 BWPro onbestreden als relevante wetsbepaling genoemd. Vast staat dat deze termijn in ieder geval tot 30 september 2023 is verlengd. Pas ter zitting heeft Slavenburg gesteld dat nadien nog een sommatie met stuitende werking is verzonden door de (toenmalige) Duitse advocaat van Slavenburg, dat Slavenburg dit weet omdat dit bij het voorbereiden van de op 21 maart 2025 uitgebrachte dagvaarding aan de orde is gekomen, en dat Slavenburg ondanks vele pogingen om contact te krijgen met voornoemde advocaat er niet in is geslaagd om tijdig voor de zitting een kopie van die sommatiebrief te krijgen. Logwin heeft aangegeven dat zij geen weet heeft van zodanige brief en ook niet eerder heeft gehoord dat een nadere stuiting zou hebben plaatsgevonden. De rechtbank ziet onder de omstandigheden van dit geval geen reden om in te gaan op het door Slavenburg ter zitting gedane bewijsaanbod om alsnog de gestelde stuitingsbrief over te leggen.
4.7.
De vordering strandt namelijk, ook als deze niet al is verjaard, reeds omdat deze te weinig feitelijk is uitgewerkt en onderbouwd om op te wegen tegen het wel uitgewerkte, gemotiveerde en met stukken onderbouwde verweer van Logwin. Slavenburg heeft dus onvoldoende gedaan om bewijslevering te ‘verdienen’.
4.8.
De rechtbank zal Slavenburg veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van Logwin. De proceskosten van Logwin worden begroot op:
- griffierecht € 2.995,00
- salaris advocaat € 2.428,00 (2 punten x € 1.214,00)
- nakosten € 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 5.601,00
4.9.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5.De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt Slavenburg in de proceskosten, aan de kant van Logwin tot op heden begroot op € 5.601,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Slavenburg niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Waarvan proces-verbaal.
N.B. Het vonnis is mondeling uitgesproken op 13 januari 2026.
De schriftelijke uitwerking in dit proces-verbaal wordt afgegeven op 14 januari 2026.
De dag waarop de mondelinge uitspraak wordt gedaan, geldt als dag van uitspraak en is bepalend voor de aanvang van de rechtsmiddelentermijn.