Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2765

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
C/10/709215 / HA RK 25-1061
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 1 AVGArt. 4 lid 7 AVGArt. 15 lid 1 AVGArt. 15 lid 3 AVGArt. 15 lid 4 AVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om inzage in interne communicatie op grond van de AVG

Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend om inzage te verkrijgen in alle interne communicatie, notities, analyses en correspondentie met zijn persoonsgegevens van de afdeling kanton en bestuursondersteuning van de rechtbank Den Haag. Dit verzoek volgt op eerdere procedures en klachten die verzoeker heeft ingediend bij de rechtbank Den Haag.

Het gerechtsbestuur van de rechtbank Den Haag heeft verzoeker gedeeltelijk inzage verleend, maar geweigerd inzage te geven in interne correspondentie en stukken uit het primaire juridische proces, met een beroep op de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en de rechten van medewerkers. Verzoeker stelt dat hij de informatie nodig heeft voor lopende procedures en vermoedt procedurele manipulatie.

De rechtbank stelt vast dat verzoeker onvoldoende concreet heeft toegelicht welke stukken hij nog wenst en dat hij al inzage heeft gekregen in een deel van de gegevens. De rechtbank overweegt dat het recht op inzage op grond van de AVG beperkingen kent, waaronder bescherming van rechten van anderen en de onafhankelijkheid van de rechter.

De rechtbank wijst het verzoek af voor inzage in interne correspondentie van de afdeling bestuursondersteuning en kanton, omdat het belang van bescherming van medewerkers en rechterlijke onafhankelijkheid zwaarder weegt dan het belang van verzoeker. Ook het verzoek om integrale kopieën, digitale inzage, logfiles en metadata wordt afgewezen. Verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om inzage in interne communicatie en documenten wordt afgewezen en verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/709215 / HA RK 25-1061
Beschikking van 13 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker],
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoeker,
die zelf procedeert,
tegen
HET GERECHTSBESTUUR VAN DE RECHTBANK DEN HAAG,
vestigingsplaats: Den Haag,
verweerder,
advocaten: mrs. G.J. Zwenne en S. Zamani.
Partijen worden hierna [verzoeker] en het Gerechtsbestuur genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het, bij rechtbank Den Haag ingediende, verzoekschrift van 22 oktober 2025, met bijlagen 1 tot en met 6;
- de verwijzingsbeschikking van rechtbank Den Haag van 23 oktober 2025;
- het verweerschrift van 27 januari 2026, met bijlagen A tot en met J;
- de e-mail van verzoeker, met 81 aanvullende bijlagen;
- de pleitnota van [verzoeker] ;
- de pleitnota van mr. Zamani;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 30 januari 2026.
1.2.
Bij e-mail van 6 februari 2026 heeft [verzoeker] zes aanvullende bijlagen toegestuurd. De rechtbank heeft bij e-mail van 13 februari 2026, onder verwijzing naar de wet en het toepasselijke procesreglement, laten weten dat de aanvullende bijlagen van 6 februari 2026 buiten beschouwing worden gelaten.

2.Het verzoek en het verweer

Het verzoek van [verzoeker]
2.1.
verzoekt de rechtbank - samengevat - om het Gerechtsbestuur te bevelen om inzage te verlenen in en kopieën te verstrekken van alle interne communicatie, notities, analyses en correspondentie met daarin zijn persoonsgegevens van de afdeling kanton en de afdeling bestuursondersteuning, een en ander met veroordeling van het Gerechtsbestuur in de proceskosten. Hij legt hieraan het volgende ten grondslag.
2.2.
[verzoeker] heeft in mei 2025 een procedure gevoerd bij de kantonrechter in de rechtbank Den Haag. In die zaak is op 5 juni 2025 een beschikking gegeven. Na ontvangst van deze beschikking heeft [verzoeker] verschillende klachten tegen het Gerechtsbestuur en enkele medewerkers van rechtbank Den Haag ingediend. [verzoeker] heeft voorts enkele Woo-verzoeken bij rechtbank Den Haag ingediend. De rechtbank Den Haag heeft laten weten dat de Woo-verzoeken niet in behandeling worden genomen omdat de gerechten niet vallen onder het toepassingsbereik van de Woo. Op 29 juli 2025 heeft [verzoeker] een inzageverzoek ingediend. Hij verzoekt daarmee inzage in alle persoonsgegevens die door of namens de rechtbank Den Haag, de griffie, de klachtenafdeling, het Gerechtsbestuur en andere betrokken functionarissen zijn verwerkt. [verzoeker] verzoekt inzage in alle interne communicatie waarin zijn naam of e-mailadres voorkomt, documenten, lijsten of registratiegegevens van klachten en/of Woo-verzoeken waarin hij onderwerp is, interne weergaven of kwalificaties van zijn processtukken, aantekeningen, analyses of doorgeleidingen over de behandeling van zijn zaak, zijn proceshouding of zijn persoon en communicatie waarin getracht wordt zijn proceshandelingen administratief of procedureel buiten behandeling te stellen zonder rechterlijke toetsing.
2.3.
Op 21 oktober 2025 heeft het Gerechtsbestuur per brief laten weten dat hij het verzoek van [verzoeker] gedeeltelijk inwilligt. Het Gerechtsbestuur heeft [verzoeker] op 7 november 2025 inzage verleend in drie procesdossiers waarbij [verzoeker] betrokken is. Het Gerechtsbestuur heeft met een beroep op de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en de gerechtelijke procedure, en bescherming van de rechten en vrijheden van de desbetreffende medewerkers geweigerd inzage te verlenen in interne correspondentie en stukken uit het primaire juridische proces van de afdeling kanton. [verzoeker] heeft daarnaast inzage gekregen in alle op hem betrekkende persoonsgegevens, behalve de interne correspondentie tussen medewerkers van de afdeling bestuursondersteuning waarin de klachten van verzoeker werden besproken.
2.4.
Volgens [verzoeker] heeft hij recht op inzage in alle door hem genoemde stukken en is de weigering van inzage in strijd met het uitgangspunt van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). [verzoeker] heeft deze informatie nodig met het oog op verschillende nog lopende procedures – bij de rechtbank (een wraking) en het hof– waarin mondelinge behandelingen gepland zijn of nog worden en hij zonder deze informatie zijn procespositie niet kan bepalen. Daarnaast heeft [verzoeker] het vermoeden dat er sprake is van procedurele manipulatie, structurele procedurefouten, dossieronthouding en framing en fraude bij de rechtbank Den Haag. [verzoeker] stelt dat hij deze stukken nodig heeft om dit te bewijzen. Er is sprake van een schending van het recht op een eerlijk proces van [verzoeker] .
Het standpunt van het Gerechtsbestuur
2.5.
Het Gerechtsbestuur verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Het Gerechtsbestuur stelt zich op het standpunt dat hij terecht inzage heeft geweigerd in de interne correspondentie van de afdeling bestuursondersteuning en de interne correspondentie en stukken uit het primaire juridische proces van de afdeling kanton. Volgens het Gerechtsbestuur heeft hij terecht een beroep gedaan op het beschermen van de rechten en vrijheden van zijn medewerkers en op de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en de gerechtelijke procedure. Het Gerechtsbestuur stelt daarnaast dat er sprake is van een kennelijk buitensporig verzoek en misbruik van procesrecht.

3.De beoordeling

Enkele opmerkingen vooraf
3.1.
[verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift de rechtbank Den Haag aangemerkt als verweerder. In deze procedure is echter het gerechtsbestuur van de rechtbank Den Haag verschenen. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken wie als verweerder moet worden aangemerkt. De rechtbank begrijpt het verzoek van [verzoeker] zo, dat het gericht is aan de verwerkingsverantwoordelijke van zijn persoonsgegevens zoals bedoeld in artikel 4 lid 7 AVG Pro. [verzoeker] en het Gerechtsbestuur zijn het erover eens dat het Gerechtsbestuur die verwerkingsverantwoordelijke is. Het Gerechtsbestuur wordt daarom als verweerder aangemerkt. Dat is in de kop van deze beschikking al tot uitdrukking gebracht.
3.2.
De rechtbank stelt voorop dat [verzoeker] in deze procedure een veelvoud aan bijlagen heeft ingediend zonder concreet naar (onderdelen van) die bijlagen te verwijzen. Het is echter niet aan de rechtbank om de door [verzoeker] ingediende bijlagen integraal te lezen en daaruit de delen te halen die (mogelijk) als onderbouwing voor de standpunten van [verzoeker] kunnen dienen. Voor zover [verzoeker] niet concreet naar (delen van) door hem ingediende bijlagen heeft verwezen, neemt de rechtbank die bijlagen dan ook niet mee in de beoordeling van het verzoek. Ten overvloede wordt hierover opgemerkt dat veel van de door [verzoeker] ingediende bijlagen, blijkens de omschrijving daarvan, zien op de inhoud en correspondentie van klachten tegen het Gerechtsbestuur en zijn medewerkers, op andere procedures en op andere zaken die voor deze procedure niet relevant (lijken te) zijn.
3.3.
De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] al inzage heeft gekregen in een deel van de door hem verzochte stukken. [verzoeker] heeft namelijk niet betwist dat hij op 7 november 2025 inzage heeft gekregen in zijn procesdossiers bij de afdeling kanton en dat hij een overzicht heeft gekregen van de door de Rechtbank Den Haag verwerkte persoonsgegevens en de zip-bestanden met alle e-mailcorrespondentie tussen hem en de medewerkers van de afdeling bestuursondersteuning. De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] weliswaar stelt dat hij nog geen volledige inzage heeft gekregen, maar dat hij, in licht van het voorgaande, heeft nagelaten te concretiseren en specificeren in welke stukken hij nog inzage verlangt. Dat is strikt genomen voldoende voor afwijzing van het verzoek. De rechtbank begrijpt het (nog resterende) verzoek van [verzoeker] , mede gelet op wat ter zitting is besproken, desalniettemin zo, dat nog aan de orde is het verzoek om inzage in (en kopieën van) alle nog niet verstrekte interne correspondentie tussen medewerkers van de afdeling bestuursondersteuning en alle interne correspondentie en stukken van de afdeling kanton. [verzoeker] wil, zo heeft hij tijdens de mondelinge behandeling duidelijk gemaakt, een en ander in digitale vorm, inclusief logfiles en metadata, ontvangen en doet daartoe een beroep op artikel 15 en Pro 20 AVG.
Het beoordelingskader
3.4.
Artikel 4 lid 1 AVG Pro definieert “persoonsgegevens”: “
alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon ("de betrokkene"); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon”.
3.5.
Op grond van artikel 15 lid 1 AVG Pro heeft een betrokkene het recht op inzage in hem betreffende persoonsgegevens en (onder meer) de verwerkingsdoeleinden, de betrokken categorieën van persoonsgegevens en de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt. Artikel 15 lid 3 AVG Pro bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene een kopie verstrekt van de persoonsgegevens die worden verwerkt met inachtneming van artikel 15 lid 4 AVG Pro, waarin is opgenomen dat het recht om een kopie te verkrijgen geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen doet. Het doel van artikel 15 AVG Pro is dat een betrokkene zich van de verwerking van zijn persoonsgegevens op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren (zie overweging 63 van de AVG). Artikel 15 AVG Pro verplicht de verwerker niet tot het verstrekken van afschriften of het bieden van inzage in complete stukken, voor zover aan de met het recht op inzage nagestreefde doelstelling kan worden voldaan door een andere vorm van verstrekking.
3.6.
Op grond van artikel 23 AVG Pro kunnen nationale bepalingen uitzonderingen te maken op het recht op inzage zoals bedoeld in artikel 15 AVG Pro, waarbij geldt dat een beperking noodzakelijk en evenredig moet zijn. Het Gerechtsbestuur beroept zich op zulke uitzonderingen, namelijk de uitzonderingen in artikel 15 lid 4 AVG Pro, artikel 23 lid 1 onder Pro f en i AVG, en artikel 41 lid 1 onder Pro f en i Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensverwerking (UAVG). Daarin staat dat inzage kan worden geweigerd ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en gerechtelijke procedures.
Interne correspondentie van de afdeling bestuursondersteuning
3.7.
Het verzoek van [verzoeker] om inzage te verkrijgen in de interne correspondentie tussen medewerkers van de afdeling bestuursondersteuning wordt afgewezen. Hoewel [verzoeker] in beginsel recht heeft op inzage in correspondentie waar zijn persoonsgegevens in staan, kan het Gerechtsbestuur zich in dit geval beroepen op de uitzonderingsgrond van artikel 41 lid 1 onder Pro i UAVG (de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen). Het belang van het Gerechtsbestuur is erin gelegen dat zijn medewerkers zonder terughoudendheid met elkaar kunnen corresponderen over de afhandeling van de klachten die [verzoeker] heeft ingediend. Daarbij is in aanmerking genomen dat [verzoeker] heeft aangekondigd juridische stappen te willen ondernemen tegen deze medewerkers. Dat [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgesteld om de gegevens van de medewerkers te anonimiseren, leidt niet tot een andere beslissing. Zeker niet nu het Gerechtsbestuur al een overzicht heeft verstrekt van de persoonsgegevens van [verzoeker] die in de klachtafwikkeling als feitelijke basis zijn opgenomen. Het belang van het Gerechtsbestuur om de rechten en vrijheden van zijn medewerkers te beschermen, weegt zwaarder dan het belang van [verzoeker] om inzage te krijgen in de tussen die medewerkers uitgewisselde interne correspondentie.
Interne correspondentie en stukken van de afdeling kanton
3.8.
Ook het verzoek van [verzoeker] dat ziet op inzage in de interne correspondentie en stukken van de afdeling kanton wordt afgewezen. Het Gerechtsbestuur heeft terecht een beroep gedaan op de uitzonderingsgrond van artikel 41 lid 1 onder Pro f en i (de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en de gerechtelijke procedure). Het belang van het Gerechtsbestuur en zijn medewerkers om zonder terughoudendheid hun standpunten te kunnen bepalen in de procedures waarbij [verzoeker] betrokken is, weegt zwaarder dan het belang van [verzoeker] om inzage te verkrijgen. Daarnaast heeft [verzoeker] zijn belang bij inzage onvoldoende aannemelijk gemaakt, omdat hij onvoldoende concreet heeft toegelicht in hoeverre hij de juistheid en rechtmatigheid van zijn persoonsgegevens die in de stukken als feitelijke basis zijn opgenomen wil controleren. [verzoeker] stelt dat hij met deze stukken wil bewijzen dat er sprake is van procedurele manipulatie, structurele procedurefouten en dossieronthouding en framing, maar daarvoor is een verzoek op grond van de (U)AVG niet bedoeld. [verzoeker] heeft bovendien al een overzicht van de door het Gerechtsbestuur verwerkte persoonsgegevens ontvangen zodat hij zijn persoonsgegevens heeft kunnen controleren. Daarom valt – zonder nadere toelichting, die [verzoeker] niet heeft gegeven – niet in te zien welk belang [verzoeker] nog heeft bij inzage in deze stukken.
Integrale kopieën van documenten
3.9.
De rechtbank wijst het verzoek van [verzoeker] ook af voor zover het ziet op het verstrekken van integrale kopieën van documenten waarin zijn persoonsgegevens zijn opgenomen. Het Gerechtsbestuur heeft al een overzicht met de door hem verwerkte persoonsgegevens van [verzoeker] verstrekt. Aan de hand van dat overzicht heeft [verzoeker] al zijn persoonsgegevens kunnen controleren op juistheid en rechtmatigheid. Uit de toelichting van [verzoeker] blijkt dat hij integrale kopieën van documenten wil om te bewijzen dat zijn dossier niet compleet is of dat zijn dossier gemanipuleerd is. Dat valt echter buiten de reikwijdte van artikel 15 AVG Pro. Het Gerechtsbestuur hoeft daarom geen integrale kopieën van documenten waarin de persoonsgegevens van [verzoeker] zijn opgenomen aan hem te verstrekken.
Digitale inzage, metadata en logfiles
3.10.
Het verzoek van [verzoeker] om hem digitale inzage te verlenen, en om logfiles en metadata te verstrekken, hangt samen met de overige verzoeken van [verzoeker] . Uit wat hiervoor in 3.7. tot en met 3.9. is overwogen, blijkt dat die overige verzoeken worden afgewezen. Het verzoek om digitale inzage, logfiles en metadata wordt daarom ook afgewezen.
3.11.
De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat [verzoeker] zich voor zijn verzoek om hem digitale inzage te verlenen op artikel 20 AVG Pro beroept. Dit artikel ziet op het recht op overdraagbaarheid van gegevens. Artikel 20 AVG Pro ziet – anders dan [verzoeker] betoogt – echter niet op het mogelijk maken van digitale inzage, maar op het recht van een betrokkene om de persoonsgegevens die hij zelf aan een verwerkingsverantwoordelijke heeft verstrekt in een gestructureerd, gangbaar en machineleesbaar formaat te kunnen verkrijgen om deze gemakkelijk aan een andere verwerkingsverantwoordelijke te kunnen overdragen. Ook om deze reden is het verzoek van [verzoeker] om hem digitale inzage te verstrekken niet toewijsbaar.
Conclusie
3.12.
De conclusie is dat het verzoek van [verzoeker] wordt afgewezen.
Proceskostenveroordeling
3.13.
[verzoeker] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van het Gerechtsbestuur betalen. De proceskosten van het Gerechtsbestuur worden begroot op:
  • griffierecht € 735,00
  • salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × tarief II à € 653,00 per punt)
  • nakosten
Totaal € 2.230,00

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst het verzoek af;
4.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van het Gerechtsbestuur van € 2.230,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoeker] de proceskosten niet op tijd betaalt en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verzoeker] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.
3965/3349/2009