Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2737

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
ROT 26/777 en ROT 26/778
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.4.3 Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025Art. 3.1.3 Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025Art. 3.1.7 Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025Art. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning urgentieverklaring na onterechte afwijzing door college Rotterdam

Verzoekster, moeder van drie kinderen, verblijft met twee van hen in een opvanglocatie in Rotterdam en heeft een urgentieverklaring aangevraagd voor uitstroom naar zelfstandig wonen. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af omdat verzoekster niet economisch of maatschappelijk gebonden zou zijn aan de woningmarktregio Rotterdam.

Na bezwaar en beroep oordeelt de voorzieningenrechter dat verzoekster wel degelijk een redelijk belang heeft om zich in Rotterdam te vestigen, mede vanwege haar langdurige inschrijving, sociale netwerk, en de schoolgaande kinderen in de regio. Het college heeft het criterium van maatschappelijke gebondenheid te strikt geïnterpreteerd en onvoldoende gemotiveerd.

De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit, herroept het eerdere besluit en bepaalt dat de urgentieverklaring aan verzoekster wordt verstrekt. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat deze niet meer nodig is. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het college heeft ten onrechte de urgentieverklaring geweigerd; deze wordt nu toegekend aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 26/777 en ROT 26/778

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 maart 2026 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. I. Car),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. W. Breure).

Samenvatting

Verzoekster heeft een urgentieverklaring aangevraagd. In deze uitspraak komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het college die aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. De voorzieningenrechter bepaalt dat aan verzoekster de aangevraagde urgentieverklaring wordt verstrekt.

Procesverloop

1.1.
Het college heeft met een besluit van 1 augustus 2025 de aanvraag van verzoekster om een urgentieverklaring afgewezen.
1.2.
Met een besluit van 22 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
1.3.
Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld (zaaknummer ROT 26/777) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer ROT 26/778).
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 maart 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde, [persoon A] (begeleidster van verzoekster bij het Leger des Heils) en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2.
2.1.
Verzoekster heeft drie kinderen in de leeftijden zestien jaar, twaalf jaar en vijf jaar. Zij verblijft op dit moment met haar twee jongste kinderen in een kamer in de opvanglocatie The Village van het Leger des Heils in Rotterdam, in het kader van een hulpverleningstraject in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Het oudste kind van verzoekster woont bij de moeder van verzoekster in Hoogvliet.
2.2.
Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] . Zij heeft van 1994 tot 2003 in de Basisregistratie personen (Brp) ingeschreven gestaan in Rotterdam. Zij is in Rotterdam naar de basisschool gegaan. Rond 2011-2012 en rond 2020-2021 heeft zij tweemaal ongeveer een jaar ingeschreven gestaan in Rotterdam. In de tussenliggende periodes heeft verzoekster deels op andere plaatsen in Nederland (waaronder Heerenveen) en deels in het buitenland verbleven. Vanaf 6 februari 2023 stond verzoekster in Rotterdam geregistreerd met een briefadres. Met ingang van 31 juli 2024 woont verzoekster in opvanglocatie The Village.
2.3.
Op 30 juni 2025 heeft het Leger des Heils namens verzoekster een aanvraag om een urgentieverklaring ingediend op de urgentiegrond uitstroom naar zelfstandig wonen. [1] Het college heeft deze aanvraag afgewezen omdat de aanvraag volgens het college moet worden beoordeeld door de gemeente Heerenveen.
2.4.
Het Leger des Heils heeft namens verzoekster een bezwaarschrift ingediend. Daarin is betoogd dat er sprake is van gebondenheid aan de woningmarktregio Rotterdam. In een bijlage bij het bezwaarschrift heeft verzoekster onder meer beschreven dat zij gedupeerde is van de toeslagenaffaire en als gevolg daarvan vanaf 2014 te maken heeft gekregen met grote problemen.
2.5.
In het bestreden besluit heeft het college het standpunt dat de aanvraag moet worden beoordeeld door de gemeente Heerenveen, losgelaten en de aanvraag alsnog inhoudelijk beoordeeld. Volgens het college kan echter geen urgentieverklaring worden toegekend omdat zich een weigeringsgrond voordoet: volgens het college is verzoekster niet economisch of maatschappelijk gebonden aan de woningmarktregio. [2] In het bestreden sluit is het volgende vermeld:
“Naar ons oordeel zijn er onvoldoende aanknopingspunten dat wel sprake is van een maatschappelijke binding op grond van artikel 14 lid 4 onder Pro bl. Uw stelling dat bezwaarmaakster als kind met haar moeder in Rotterdam is komen wonen en dat het traject bij het Leger des Heils nagenoeg is afgerond achten wij onvoldoende. Ook het gegeven dat bezwaarmaakster familiebanden heeft in Rotterdam en dat haar drie kinderen in Rotterdam naar school gaan achten wij onvoldoende om te spreken van maatschappelijke gebondenheid aan de woningmarktregio.”
Het college heeft verder geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule. [3] Het college is hierbij niet ingegaan op de stellingen van verzoekster over de toeslagenaffaire.
Spoedeisend belang
3. Verzoekster heeft in het kader van het vereiste spoedeisend belang [4] aangevoerd dat zij momenteel met twee kinderen van twaalf en vijf jaar over slechts één kamer (van 20 m²) beschikt. Badkamer en toilet worden gedeeld met een ander gezin. Daar komt bij dat verzoekster het Wmo-traject inmiddels heeft voltooid en nu onnodig een kamer in de opvanglocatie bezet houdt. Het is de bedoeling dat ook het oudste kind van verzoekster weer bij haar komt wonen, maar dat is nu niet mogelijk. De voorzieningenrechter ziet in deze stellingen voldoende aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen en de zaak inhoudelijk te beoordelen.
Ook een uitspraak in het beroep
4. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal direct uitspraak in het beroep worden gedaan. [5] Partijen hebben ter zitting verklaard hiertegen geen bezwaar te hebben.
Inhoudelijke beoordeling
5.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat niet in geschil is dat sprake is van een urgentiegrond, namelijk uitstroom naar zelfstandig wonen. [6] De vraag is of het college de aanvraag heeft mogen afwijzen op de grond dat verzoekster niet economisch of maatschappelijk gebonden is aan de woningmarktregio Rotterdam.
5.2.
Van maatschappelijke gebondenheid is sprake als geconcludeerd moet worden dat verzoekster een redelijk, met de plaatselijke samenleving verband houdend belang heeft zich in de woningmarktregio Rotterdam te vestigen. [7] Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster zo’n redelijk belang. Verzoekster heeft vele jaren in Rotterdam gewoond (zie hiervoor in 2.2). Weliswaar heeft zij ook diverse periodes buiten Rotterdam gewoond, maar zij is steeds naar Rotterdam teruggekeerd. Volgens verzoekster verblijft zij sinds oktober 2022 weer in Rotterdam, maar kon zij zich op haar toenmalige verblijfadres niet inschrijven in de Brp. Verzoekster is vanaf 6 februari 2023 ingeschreven in Rotterdam met een briefadres. Vanaf 31 juli 2024 woont verzoekster in opvanglocatie The Village. Het is in de regio Rotterdam waar zich het sociale netwerk van verzoekster bevindt. Haar moeder woont in Hoogvliet. Al haar kinderen gaan in deze regio naar school. Het college heeft overigens niet gesteld – het is ook niet gebleken – dat er een andere woningmarktregio in Nederland is waaraan verzoekster maatschappelijk is gebonden.
5.3.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat maatschappelijke gebondenheid pas kan worden aangenomen als duidelijk zou zijn dat verzoekster “op basis van familiebanden of langdurig engagement in onder meer vrijwilligersorganisaties een expliciete bijdrage levert aan de lokale gemeenschap”. Het college heeft hierbij verwezen naar de Leeswijzer Huisvestingswet 2014 van het Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties. [8] Dit criterium is kennelijk afkomstig uit de Memorie van Antwoord in het kader van de behandeling van het voorstel voor de Huisvestingswet in de Eerste Kamer. [9] Het betreft hier een toelichting op het voorgestelde artikel 14 van Pro de Huisvestingswet, een bepaling die het, onder voorwaarden, mogelijk maakt dat in een Huisvestingsverordening wordt bepaald dat bij de verlening van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de woningmarktregio. Het gaat hier dus om redenen die het geven van voorrang rechtvaardigen. In de onderhavige zaak gaat het echter om de vraag of het ontbreken van maatschappelijke gebondenheid een weigeringsgrond oplevert. De urgentiegrond staat niet ter discussie. Het is daarom de vraag of het wettelijke criterium (het hebben van een redelijk belang) in deze zaak inderdaad moet worden ingekleurd met het door het college genoemde criterium uit de Leeswijzer en de Kamerstukken.
5.4.
Voor het geval aangenomen zou moeten worden dat dit criterium in deze zaak inderdaad van toepassing is, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Verzoekster heeft aangevoerd dat haar moeder in Hoogvliet woont en dat zij haar enige kind is. Haar moeder moet regelmatig naar het ziekenhuis en dan begeleidt verzoekster haar. Deze stellingen worden ondersteund door een verklaring van het Leger des Heils. Verzoekster heeft verder aangevoerd dat zij bepaalde post en e-mailberichten voor haar moeder afhandelt. Ook bij andere afspraken begeleidt verzoekster haar moeder. Verder woont de zestienjarige zoon van verzoekster bij haar moeder. Met hem is het de afgelopen jaren niet goed gegaan. Hij heeft een HALT-traject gevolgd en momenteel volgt hij een ander hulpverleningstraject (“Pak je kans”). Verzoekster is hierbij nauw betrokken, ook omdat haar moeder de zorg voor de zestienjarige zoon niet alleen aankan. Ook deze stellingen van verzoekster worden ondersteund door de verklaring van het Leger des Heils. Voor zover van belang merkt de voorzieningenrechter nog op dat de begeleidster van verzoekster bij het Leger des Heils ter zitting heeft toegelicht dat verzoekster een actieve bewoonster is: zij zit in de feestcommissie en doet onder meer mee met het organiseren van activiteiten voor kinderen in de buurt. De voorzieningenrechter ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding voor het oordeel dat niet is voldaan aan het door het college genoemde criterium en dat verzoekster om die reden geen redelijk, met de plaatselijke samenleving verband houdend belang zou hebben zich in de woningmarktregio Rotterdam te vestigen.

Conclusie en gevolgen

6.
6.1.
Gelet op het voorgaande heeft het college de aanvraag om een urgentieverklaring ten onrechte afgewezen op de grond dat verzoekster niet economisch of maatschappelijk gebonden is aan de woningmarktregio Rotterdam. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig tot stand gekomen en niet toereikend gemotiveerd. [10] Het beroep is dus gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.
6.2.
Een aan de bestuursrechter voorgelegd geschil moet zoveel mogelijk definitief worden beslecht. [11] Definitieve beslechting is in dit geval temeer wenselijk omdat het college de aanvraag inmiddels tweemaal op onjuiste gronden heeft afgewezen, terwijl het voor verzoekster erg belangrijk is dat zij spoedig kan doorstromen naar zelfstandige woonruimte. Verzoekster houdt bovendien een plaats in de opvang bezet, terwijl het Wmo-traject al lang is afgerond. Definitieve beslechting is in dit geval ook mogelijk. Niet in geschil is dat sprake is van een urgentiegrond, namelijk uitstroom naar zelfstandig wonen. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter aan de hand van de Verordening met partijen doorgenomen of sprake zou kunnen zijn van een ander beletsel voor het toekennen van een urgentieverklaring. Het college heeft hierop verklaard dat het erop lijkt dat er geen ander beletsel is. Het is de voorzieningenrechter ook niet gebleken dat er een ander beletsel is. De voorzieningenrechter ziet onder deze omstandigheden aanleiding te bepalen dat aan vezoekster de aangevraagde urgentieverklaring wordt verstrekt.
6.3.
Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen omdat een voorlopige voorziening niet meer nodig is.
6.4.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college in beide zaken het betaalde griffierecht aan verzoekster vergoeden (tweemaal € 200,-). Ook krijgt zij een vergoeding van haar proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht krijgt verzoekster een vergoeding van in totaal € 2.802,- omdat haar gemachtigde een beroepschrift en een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en heeft deelgenomen aan de zitting.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het besluit van 1 augustus 2025;
- bepaalt dat aan verzoekster de aangevraagde urgentieverklaring wordt verstrekt;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat het college het griffierecht van in totaal € 400,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover het gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover het gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak voor zover het gaat om het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 3.4.3 van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 (de Verordening).
2.Artikel 3.1.3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Verordening.
3.Artikel 3.1.7 van de Verordening.
4.Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Artikel 8:86, eerste lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
6.Artikel 3.4.3 van de Verordening.
7.Zie artikel 1.1.1, aanhef en onder 17, van de Verordening, waarin wordt verwezen naar artikel 14, vierde lid, onder b, van Huisvestingswet.
8.Pagina 24 en 33.
9.Eerste Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 32 271, C, p. 6.
10.Zie de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.
11.Zie artikel 8:41a van de Awb.