2.3.3.Bewijsmotivering
Op grond van het dossier en het verhandelde op zitting kan worden vastgesteld dat de verdachte, zijn halfbroer (hierna: de medeverdachte) en [slachtoffer] in de nacht van 18 mei 2025 aanwezig waren bij horecagelegenheid ‘ [naam horecagelegenheid] ’ in Vlaardingen. Rond 02:51 uur ontstaat een worsteling tussen de verdachte en [slachtoffer] . Om 02:52 uur worden de partijen door handhavers uit elkaar gehaald. Verbalisanten zijn na deze vechtpartij rond 03:24 uur gebeld door de beveiliger van [naam horecagelegenheid] omdat een persoon, die betrokken was bij de vechtpartij, rond het café bleef hangen. Ter plaatse gekomen hebben zij de verdachte aangesproken en om zijn identiteitsbewijs gevraagd. [slachtoffer] is na de vechtpartij naar huis gegaan. Later die avond, omstreeks 03:54 uur, wordt bij de woning van [slachtoffer] door de verdachte aangebeld. Na het aanbellen gaan de verdachte en medeverdachte met hun rug richting de muur van de woning staan. Direct nadat [slachtoffer] de deur opent, escaleert de situatie. Uiteindelijk rent de verdachte met de medeverdachte weg en blijft [slachtoffer] achter met een steekwond in zijn buik.
Betrokkenheid verdachte
De eerste vraag is of kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die met een mes in de buik van [slachtoffer] heeft gestoken.
Op de camerabeelden van het incident is te zien dat de verdachte, voordat hij bij [slachtoffer] aanbelt, in zijn rechterhand een puntig voorwerp vastheeft. Op het moment dat [slachtoffer] zijn deur opendoet, raken [slachtoffer] en de verdachte met elkaar in gevecht en wordt er door de verdachte uitgehaald richting [slachtoffer] . Naast de verdachte komt verder niemand, ook niet de medeverdachte, in de buurt van [slachtoffer] . Op het moment dat [slachtoffer] zich omdraait, waardoor de voorkant van zijn lichaam te zien is, is op de camerabeelden een duidelijke bloedvlek op de buikzijde van zijn witte trui waar te nemen, die niet eerder waar te nemen was. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte tijdens dit gevecht [slachtoffer] heeft gestoken. Vlak na de steekpartij wordt een mes met een zwart lemmet en een rood/oranje handvat in de bosjes aangetroffen nabij de locatie waar de verdachte wordt aangehouden. Op dit mes wordt op onder meer het handvat het DNA van de verdachte aangetroffen en op het gekartelde deel van het snijvlak het DNA van [slachtoffer] . Gelet hierop kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] is gestoken met dit mes.
De rechtbank verwerpt met het bovenstaande het verweer van de verdediging dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte een mes voorhanden heeft gehad en dat niet is gebleken dat de verdachte [slachtoffer] heeft gestoken. Hoewel het toebrengen van de steekwond zelf niet goed op de camerabeelden is waar te nemen, stelt de rechtbank vast dat het de verdachte is geweest die de steekwond bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt.
Poging tot moord
De tweede vraag is hoe deze gedragingen van de verdachte juridisch dienen te worden gekwalificeerd.
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.
Op grond van de wettige bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte na de vechtpartij bij [naam horecagelegenheid] om 03:53 uur met zijn bestelbus bij de woning aankomt, waarna het steken heeft plaatsgevonden. Het besluit om [slachtoffer] te gaan steken is naar het zich laat aanzien genomen kort na de vechtpartij bij [naam horecagelegenheid] . Uit het tijdsverloop tussen de worsteling bij [naam horecagelegenheid] en het steken van [slachtoffer] , blijkt dat de verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad zich te beraden. Tussen de vechtpartij en het steken zit namelijk meer dan een uur. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte niet alleen tijd en gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op dit handelen, maar gaat er op basis van de hierbij gebleken feiten en omstandigheden vanuit dat hij zich ook daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van zijn voorgenomen daad.
Dat sprake was van een voorgenomen daad volgt namelijk ook uit de dreigende uitlatingen over [slachtoffer] die de verdachte eerder die avond heeft gedaan. Getuige [getuige 1] heeft namelijk verklaard dat de verdachte omstreeks 03:00 uur aan hem heeft gevraagd waar [slachtoffer] is, dat zijn laatste dagen zijn geteld, dat de verdachte hem gaat vinden en dat [slachtoffer] de fout van zijn leven heeft gemaakt. Getuige [getuige 1] heeft gezien dat de verdachte hierbij een mes in zijn handen had. De door de getuige direct die avond gegeven beschrijving van het mes komt overeen met het mes dat later op de avond in de bosjes is aangetroffen.
Dat de verdachte vastberaden is geweest, lijkt ook uit de beelden te volgen. Zodra de verdachte zijn bestelbus uitstapt, loopt hij met een ferme pas in de richting van de woning, doet hierbij zijn capuchon op, belt aan en gaat daarna met zijn rug tegen de muur van de woning staan. Daarbij staat hij met zijn handen, waarin hij het mes vastheeft, voor zijn lichaam. Het is dus niet zo dat hij het mes ‘voor de zekerheid’ bij zich draagt in bijvoorbeeld zijn jaszak. Bovendien zijn er meerdere momenten geweest waarop hij zich had kunnen bezinnen. Zo is de verdachte na de worsteling bij [naam horecagelegenheid] aangesproken door de politie. Daarnaast heeft de verdachte verschillende gemiste en ontvangen telefonische oproepen van de medeverdachte ontvangen. De rechtbank kan niet vaststellen wat door de verdachte en de medeverdachte (telefonisch) besproken is. Wel lijkt uit de camerabeelden te volgen dat de medeverdachte op het moment dat de verdachte naar de woning van [slachtoffer] loopt achter de verdachte aanrent en hem probeert tegen te houden. Er was toen nog steeds een mogelijkheid om zich te beraden, maar de verdachte is willens en wetens doorgegaan.
Gelet op het voorgaande is, anders dan door de verdediging is aangevoerd, niet aannemelijk geworden dat de verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Gelet op het feit dat het steken binnen tien seconden na het aanbellen heeft plaatsgevonden en de plek van de aangetroffen steekverwonding zich in de buikholte bevindt, komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte de opzet had om hem van het leven te beroven. Het steken is naar de uiterlijke verschijningsvormen namelijk zo zeer gericht op - en geschikt tot - het toebrengen van dodelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte ook bewust de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Dat het letsel ook potentieel dodelijk was, blijkt uit de letselrapportage.
Alles overwegende, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord.
2.3.4.Volledige bewezenverklaring
Feit 1 primair:
hij op 18 mei 2025 te Vlaardingen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen
misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, eenmaal, met een mes, heeft gestoken in de maagstreek/romp van die [slachtoffer] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.