ECLI:NL:RBROT:2026:2588

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/10/707357 / HA RK 25-916
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 RvArt. 197 lid 2 RvArt. 194 RvArt. 195 RvArt. 195a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek voorlopige bewijsverrichting inzake beëindiging dienstverlening advocatenkantoor

Verzoeker, failliet verklaard in 2017 en bijgestaan door advocatenkantoor Buren tijdens zijn faillissement, verzoekt om afschriften van e-mails en berichten van Buren uit de periode eind 2019 tot medio 2021. Dit om te achterhalen waarom de dienstverlening aan hem werd beëindigd, nadat volgens hem een gesprek plaatsvond waarin werd gedreigd met minder toebedeling van faillissementen als Buren hem zou blijven bijstaan.

Buren betwist de feiten en stelt niet te beschikken over de gevraagde gegevens, met name WhatsApp-berichten en e-mails. De rechtbank oordeelt dat het verzoek voldoet aan de formele eisen en dat er voldoende belang is bij de bewijsverrichting. Er is geen strijd met de goede procesorde, geen misbruik van bevoegdheid en geen gewichtige redenen om het verzoek af te wijzen.

De rechtbank beveelt Buren om binnen een week de gevraagde gegevens te verstrekken en veroordeelt Buren in de proceskosten. Hiermee wordt verzoeker in staat gesteld een eventuele hoofdprocedure tegen de Staat der Nederlanden te starten wegens een vermeende onrechtmatige daad.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige bewijsverrichting wordt toegewezen en Buren wordt veroordeeld tot het verstrekken van gevraagde gegevens en betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/707357 / HA RK 25-916
Beschikking van 4 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonend te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. P.H.J. Körver,
tegen
de naamloze vennootschap
BUREN N.V.,
gevestigd te Den Haag,
verwerende partij,
hierna te noemen: Buren,
advocaat: mr. [toenmalige collega] .

1.De kern van de zaak

[verzoeker] is in juni 2017 failliet verklaard door het gerechtshof Den Haag. Tijdens zijn faillissement is [verzoeker] onder andere door het advocatenkantoor Buren, en dan met name door mr. [voormalige advocaat] , bijgestaan. Het faillissement is op 29 maart 2021 opgeheven vanwege gebrek aan baten. Volgens [verzoeker] heeft hij in de tweede helft van 2023 samen met zijn zoon een bespreking gehad met mr. [voormalige advocaat] , die inmiddels zijn eigen kantoor hield. Tijdens dat gesprek heeft mr. [voormalige advocaat] volgens [verzoeker] verteld dat hij in het tweede semester van 2019 samen met zijn collega bij Buren, mr. [toenmalige collega] , op gesprek is gevraagd bij leden van het team insolventie bij de rechtbank in Den Haag. Tijdens dat gesprek deelden de leden van het team insolventie mee dat als Buren en/of mr. [voormalige advocaat] [verzoeker] zou(den) blijven bijstaan, Buren en/of mr. [voormalige advocaat] geen of minder faillissementen toebedeeld zou(den) krijgen door het team insolventie van de rechtbank Den Haag. Volgens [verzoeker] zei mr. [voormalige advocaat] dat die mededeling gepaard ging met een groot financieel belang, omdat de omzet van Buren deels afhankelijk was van toebedeling van faillissementen door de desbetreffende rechtbank. Mr. [voormalige advocaat] vertelde dat Buren hierdoor vrij snel de dienstverlening aan [verzoeker] heeft beëindigd, zonder nadere redengeving. [verzoeker] heeft Buren meerdere malen verzocht om uitleg omtrent de beëindiging van de dienstverlening, maar daar heeft hij geen inhoudelijk antwoord op gekregen. In deze zaak wil [verzoeker] afschriften van bepaalde gegevens van Buren, om in een eventuele hoofdprocedure (leden van het team insolventie van) de rechtbank Den Haag en de Staat der Nederlanden aansprakelijk te kunnen stellen vanwege een onrechtmatige daad. Buren betwist de feiten zoals hiervoor omschreven. Haar verweer strekt tot afwijzing van het verzoek. De rechtbank wijst het verzoek toe en legt haar oordeel hierna uit.
2. De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van de rechtbank Den Haag van 9 september 2025, waarin de zaak is doorverwezen naar deze rechtbank, en de daarin benoemde stukken,
- de brieven van 3 december 2025 van de rechtbank, waarin de mondelinge behandeling is bepaald op 11 februari 2026,
- de mondelinge behandeling van 11 april 2026 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mr. Körver en mr. [toenmalige collega] .

3.De feiten

3.1.
[verzoeker] is in juni 2017 failliet verklaard door het gerechtshof in Den haag.
3.2.
Tijdens zijn faillissement is [verzoeker] onder andere door het advocatenkantoor Buren, en dan met name door mr. [voormalige advocaat] , bijgestaan.
3.3.
Op enig moment is de dienstverlening van Buren aan [verzoeker] gestopt.

4.Het verzoek en het verweer

4.1.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank om te bevelen dat Buren binnen één week [verzoeker] voorziet van afschriften van de volgende gegevens:
( i) e-mails verzonden dan wel ontvangen (waaronder steeds wordt verstaan in CC dan wel BCC), inclusief concepten, verwijderde en gearchiveerde e-mails en bijlagen, afkomstig van en/of verzonden naar medewerkers van Buren (zowel advocaten als overige
fee earnersen ondersteunend personeel werkzaam bij Buren), in het laatste kwartaal van 2019 (de periode waarin het gesprek heeft plaatsgevonden) tot het tweede semester van 2021, waarin [verzoeker] voornaam en/of achternaam en/of een acroniem van [verzoeker] voornaam en/of achternaam en/of bijnaam en/of zaakkenmerk(en) van zijn dossier(s) bij Buren wordt of worden genoemd;
( ii) berichten verstuurd dan wel ontvangen, inclusief concepten, verwijderde en gearchiveerde berichten, afkomstig van en/of verzonden naar medewerkers van Buren (zowel advocaten als overige
fee earnersen ondersteunend personeel werkzaam bij Buren), met inbegrip van geluidsbestanden, afbeeldingen, video’s en andere bestanden die onderdeel of bijlage zijn van een chat/conversatie, waaronder in ieder geval berichten op WhatsApp, LinkedIn, Telegram, Signal, Messenger en sms-berichten in het laatste kwartaal van 2019 (de periode waarin het gesprek heeft plaatsgevonden) tot het tweede semester van 2021 waarin [verzoeker] voornaam en/of achternaam en/of een acroniem van [verzoeker] voornaam en/of achternaam en/of bijnaam en/of zaakkenmerk(en) van zijn dossier(s) bij Buren wordt of worden genoemd.
4.2.
Het verweer van Buren strekt tot afwijzing van het verzoek.

5.De beoordeling

5.1.
Het verzoekschrift voorlopige bewijsverrichtingen moet op grond van artikel 197 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inhouden:
a. een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek
b. de aard en het beloop van de vordering
c. de naam en woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.
5.2.
[verzoeker] heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift voldaan. Het verzoek zal daarom worden toegewezen tenzij de rechtbank van oordeel is:
- dat de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald,
- er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat,
- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde,
- er sprake is van misbruik van bevoegdheid, of
- als er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting (artikel 196 Rv Pro).
5.3.
Daarnaast moet ter zake een vordering tot inzage, afschrift of uittreksel van gegevens op grond van artikel 204 Rv Pro in verbinding met de artikelen 194, 195 en 195a Rv sprake zijn van een rechtsbetrekking waarop de gevorderde gegevens zien.
5.4.
De rechtbank wijst het verzoek van [verzoeker] toe. De gegevens waarvan [verzoeker] afschrift wil hebben zijn voldoende bepaald. [verzoeker] heeft verder voldoende belang bij de verzochte afschriften. Hij wil achterhalen wat er precies is gebeurd rondom en tijdens het gesprek dat volgens hem heeft plaatsgevonden in het tweede semester van 2019 tussen
mr. [voormalige advocaat] en mr. [toenmalige collega] en (leden van het team insolventie van) de rechtbank Den Haag. Naar aanleiding daarvan wil [verzoeker] eventueel een hoofdprocedure beginnen tegen de Staat der Nederlanden. Het verzoek is niet in strijd met de goede procesorde en er is geen sprake van misbruik van bevoegdheid. Bovendien zijn er geen gewichtige redenen aangevoerd die zich verzetten tegen de toewijzing van het verzoek. De van Buren gevraagde gegevens kunnen van belang zijn in het kader van de rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad die volgens [verzoeker] bestaat met de Staat der Nederlanden.
5.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Buren verweer gevoerd. Zij betwist dat er een gesprek heeft plaatsgevonden op de rechtbank in Den Haag in het tweede semester van 2019, waarbij is gezegd dat Buren en/of mr. [voormalige advocaat] geen of minder faillissementen toebedeeld zouden krijgen als zij [verzoeker] zouden blijven bijstaan. Daarnaast is het onjuist dat Buren afhankelijk is van de omzet die wordt gegenereerd uit dergelijke zaken. Tot slot voert Buren aan dat zij niet beschikt over de verzochte gegevens. Meer specifiek beschikt zij niet over WhatsApp-berichten en e-mails. Het advocatendossier van [verzoeker] heeft Buren wel.
De door Buren aangevoerde verweren geven geen aanleiding om het verzoek af te wijzen op grond van (een van) de uitzonderingsgronden van artikel 196 Rv Pro. Buren heeft haar verweren overigens ook niet ingekleed in die uitzonderingsgronden.
Proceskosten
5.6.
Buren moet als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten (inclusief nakosten) van [verzoeker] betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op:
griffierecht € 331,00
salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × tarief II à € 653,00 per punt)
nakosten €
189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.826,00

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
beveelt Buren om afschrift te verstrekken aan [verzoeker] van de gegevens zoals vermeld onder 4.1 (i) en (ii),
6.2.
bepaalt dat het verstrekken van afschrift van de gegevens moet plaatsvinden uiterlijk op 18 maart 2026,
6.3.
veroordeelt Buren in de proceskosten van € 1.826,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Buren de proceskosten niet op tijd betaalt en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet Buren € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Rop en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
3961/2819