Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 18 maart 2025, met bijlagen;
- het antwoord, met bijlagen;
- de akte van [eiseres] van 14 oktober 2025, met bijlagen.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 16 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen [eiseres], h.o.d.n. [handelsnaam], en [gedaagde]. De eiseres vorderde betaling van € 1.489,- aan openstaande opleidingskosten, die [gedaagde] niet had voldaan ondanks een betalingsregeling. De kantonrechter oordeelde dat er een geldige opleidingsovereenkomst tussen partijen bestond, en dat [gedaagde] de kosten volledig moest betalen. Het verweer van [gedaagde] dat de overeenkomst mondeling was ontbonden, werd verworpen omdat dit niet voldoende was onderbouwd.
Daarnaast heeft de kantonrechter ambtshalve de algemene voorwaarden van [eiseres] getoetst op oneerlijke bepalingen. De kantonrechter oordeelde dat bepaalde kosten, zoals administratiekosten en rente, onredelijk bezwarend waren en daarom niet konden worden opgelegd aan [gedaagde]. De kantonrechter heeft de vordering tot betaling van deze extra kosten afgewezen, omdat de bepalingen in de algemene voorwaarden in strijd waren met de wet en als oneerlijk werden aangemerkt.
De proceskosten werden toegewezen aan [eiseres], omdat [gedaagde] grotendeels ongelijk kreeg. De totale proceskosten werden begroot op € 913,14, inclusief wettelijke rente. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat [eiseres] het vonnis onmiddellijk kon uitvoeren zonder dat [gedaagde] daar bezwaar tegen had gemaakt.