Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2569

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
11891224 CV EXPL 25-20151
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 129 RvArt. 237 RvArt. 40 Wet op de rechtsbijstandArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling proceskosten wegens late verstrekking bruto-nettospecificaties na dagvaarding

In deze civiele procedure stond de verstrekking van bruto-nettospecificaties centraal. Eerder hadden partijen een regeling getroffen waarbij de gedaagde uiterlijk 1 april 2025 de ontbrekende loonstroken en een specificatie van de eindafrekening aan de eiseres zou verstrekken. De gedaagde heeft dit niet nageleefd, waarop de eiseres een procedure startte en de verstrekking van de specificaties eiste, onder dreiging van een dwangsom.

Tijdens de procedure heeft de eiseres haar vordering tot verstrekking van de specificaties en de dwangsom ingetrokken, maar de proceskostenvordering gehandhaafd. De gedaagde had de juiste specificaties pas op 25 november 2025 verstrekt, wat niet werd betwist. Hierdoor was de procedure gerechtvaardigd en kwam de proceskostenveroordeling voor rekening van de gedaagde.

De kantonrechter begrootte de proceskosten op €415,50, bestaande uit griffierecht, salaris gemachtigde en nakosten, en wees geen dagvaardingskosten toe vanwege toevoeging. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd ondanks eventuele hoger beroep procedures.

Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €415,50 wegens late verstrekking van bruto-nettospecificaties.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11891224 CV EXPL 25-20151
datum uitspraak: 13 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. K. Hoesenie,
tegen
[gedaagde], die handelt onder de naam
[bedrijf],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 12 september 2026, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de e-mail van [eiser] van 26 januari 2026;
  • de akte van [eiser] met een wijziging van eis, met één bijlage.
1.2.
[gedaagde] heeft, ondanks dat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet meer gereageerd op de akte van [eiser] en heeft ook niet om uitstel gevraagd.

2.De beoordeling

Wat is de kern van de zaak?
2.1.
Tussen partijen heeft eerder een procedure bij deze rechtbank plaatsgevonden over (onder andere) betaling van achterstallig loon en het verstrekken van loonstroken van dat achterstallige loon door [gedaagde] aan [eiser] . In die procedure met zaaknummer 11438605 VV EXPL 24-606 hebben partijen uiteindelijk op de zitting van 16 januari 2025 afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in een proces-verbaal. Onderdeel van die afspraken was dat [gedaagde] uiterlijk 1 april 2025 de ontbrekende loonstroken over 2024 en januari 2025 en een specificatie van de eindafrekening aan [eiser] zou verstrekken. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] dat niet gedaan. Daarom heeft [eiser] [gedaagde] gedagvaard en geëist dat zij die loonstroken (bruto-netto specificaties) alsnog verstrekt, op straffe van een dwangsom. [gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de eis van [eiser] .
2.2.
[eiser] heeft in haar akte medegedeeld dat zij haar vordering tot het verstrekken van de bruto-netto specificaties en de daaraan gekoppelde dwangsom intrekt.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.3.
Zolang nog geen eindvonnis is gewezen, kan een eiser zijn vordering verminderen, ook tot nihil, zonder dat daarvoor de toestemming van de gedaagde partij nodig is (artikel 129 Rv Pro). Een intrekking van een vordering – zoals hier het geval is – is in beginsel op te vatten als een vermindering van eis tot nihil. Feiten of omstandigheden die meebrengen dat hierover in dit geval anders moet worden geoordeeld zijn niet gesteld of gebleken. Deze vermindering van de vordering tot nihil heeft tot gevolg dat geen verder processueel debat meer zal plaatsvinden over die vordering. Er zal dus alleen een beslissing worden gegeven over de proceskosten.
2.4.
[eiser] heeft in haar akte gesteld dat zij [gedaagde] voorafgaand aan de procedure meerdere keren heeft gevraagd om de juiste bruto-netto specificaties, maar dat [gedaagde] die specificaties pas op 25 november 2025 aan [eiser] heeft verstrekt. [gedaagde] heeft dat verder niet meer betwist. Daarmee staat vast dat [gedaagde] alle juiste bruto-netto specificaties pas tijdens deze procedure alsnog aan [eiser] heeft verstrekt. [eiser] is dus terecht tot het starten van de onderhavige procedure overgegaan. Daarom komen de proceskosten voor rekening van [gedaagde] (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 90,- aan griffierecht, € 217,- aan salaris voor de gemachtigde en
€ 108,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 415,50. Er worden geen dagvaardingskosten toegewezen, omdat [eiser] met een toevoeging procedeert en daarom geen dagvaardingskosten hoefde te betalen (artikel 40 Wet Pro op de rechtsbijstand).
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.5.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 415,50;
3.2.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
44487