ECLI:NL:RBROT:2026:2566
Rechtbank Rotterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling ongegrond verklaard
De veroordeelde is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 50 maanden en kreeg op 24 april 2024 voorwaardelijke invrijheidstelling. Na feitelijke vrijlating op 16 juni 2024 startte de proeftijd. Het Openbaar Ministerie besloot op 10 december 2025 de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen voor 96 dagen vanwege overtreding van de voorwaarden.
De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze herroeping, stellende dat hij zich na een incident met drugsgebruik op 21 november 2025 aan de afspraken had gehouden en dat de incidenten in het reclasseringsrapport onvoldoende waren onderbouwd. Hij verzocht tevens om aanpassing van de bijzondere voorwaarden.
De rechtbank voerde een marginale toetsing uit en concludeerde dat het Openbaar Ministerie op grond van het reclasseringsrapport terecht oordeelde dat de veroordeelde meerdere voorwaarden had geschonden, waaronder drugsgebruik, dealen, antisociaal gedrag en het missen van afspraken. Daarom werd het bezwaar ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt ongegrond verklaard.