Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2026 in de zaak tussen
1.Stichting Human Rights in Finance.EU, de stichting,
[verzoeker 2],
De Nederlandsche Bank N.V., DNB,
Inleiding
.
Rechtbank Rotterdam
Stichting Human Rights in Finance.EU verzocht DNB om openbaarmaking van een bevindingenbrief van 4 juli 2018 en een interne besluitnotitie, welke DNB weigerde vanwege geheimhoudingsplicht onder de Wft en Wwft. De stichting maakte bezwaar tegen deze afwijzing en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de procedure voor voorlopige voorziening niet geschikt is voor het verkrijgen van inzage in stukken die onder geheimhouding vallen, omdat openbaarmaking onomkeerbare gevolgen heeft. Er was geen zwaarwegend of spoedeisend belang dat openbaarmaking voorafgaand aan de bezwaarprocedure rechtvaardigde.
Daarnaast werd het verzoek van een tweede verzoeker niet-ontvankelijk verklaard omdat deze geen belanghebbende was en geen bezwaar had gemaakt. De rechtbank wees het verzoek van de stichting af en verklaarde het verzoek van de tweede verzoeker niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot openbaarmaking van vertrouwelijke toezichtinformatie door DNB wordt afgewezen.