Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2527

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
C/10/697908 / JE RK 25-751
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen in pleegzorg

De rechtbank Rotterdam behandelde op 20 februari 2026 het verzoek van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, geboren in 2020 en 2022, die momenteel bij pleegouders verblijven.

De moeder, belast met het ouderlijk gezag, en de stiefvader wensen terugplaatsing, maar de rechtbank constateert een zorgelijke en instabiele opvoedsituatie met onvoldoende basiszorg, hygiëne, structuur en emotionele beschikbaarheid. De geplande gezinsopname bij GGZ Beilen ging niet door vanwege vermoedelijk hergebruik van cannabis door de stiefvader, wat de samenwerking tussen de GI en ouders bemoeilijkt.

De rechtbank oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. Zij beveelt voortzetting van de pleegzorg tot 2 mei 2026 en adviseert de GI om verdere hulpverleningstrajecten te onderzoeken, waaronder het traject Gezin Totaal en diagnostiek via het KSCD. De samenwerking tussen GI en ouders moet verbeteren om terugplaatsing mogelijk te maken.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen tot 2 mei 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/697908 / JE RK 25-751
Datum uitspraak: 20 februari 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaten mrs. N.A.H. Limbourg en A. Koop-van Vliet, kantoorhoudende in Breda,
[pleegmoeder] en [pleegvader],
hierna te noemen de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De rechtbank merkt als informant aan:
[naam stiefvader],
hierna te noemen de stiefvader,
wonende te [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van
  • de briefrapportage met bijlagen van de GI van 12 februari 2026;
  • de ongedateerde brief met bijlagen van mr. N.A.H. Limbourg, ingediend op
1.2.
Op 20 februari 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder en haar advocaten;
  • de stiefvader;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [persoon A] .
1.3.
De pleegouders zijn niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
1.4.
Bijzondere toegang is verleend aan [persoon B] , ambulant begeleider van de stiefvader, werkzaam bij het Leger des Heils.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven bij de pleegouders.
2.3.
Bij beschikking van 30 april 2025 is - voor zover hier van belang - de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 2 mei 2026.
2.4.
Bij beschikking van 16 december 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 1 maart 2026 en is het overig verzochte aangehouden.

3.Het (aangehouden) verzoek

De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er moet nu nog worden beslist over de periode tot 2 mei 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter zitting het resterende deel van het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.
De voor 2 tot 13 februari 2026 geplande samenwerkingsopname met de moeder en de stiefvader bij GGZ Beilen is niet doorgegaan, omdat uit de vierde urinecontrole van de stiefvader is gebleken dat sprake was van hergebruik van cannabis. De moeder en de stiefvader waren door GGZ Beilen ervan op de hoogte gesteld dat zij geen middelen mochten gebruiken. Er is miscommunicatie ontstaan over het moment waarop de waarden volledig negatief hadden moeten zijn. Maar dat staat los van het feit dat de stiefvader tussen de derde en vierde urinecontrole meer is gaan gebruiken. De moeder en de stiefvader willen het liefst per direct voor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] zorgen. Dit is echter zonder hulpverlening niet mogelijk. Eerdere ambulante trajecten zoals bij ASVZ en Tien voor Toekomst hebben onvoldoende effect gehad. De GI heeft tijd nodig om in overleg met pleegzorgorganisatie Enver een visie over het vervolg te bepalen, waarbij de in de briefrapportage van de GI van 12 februari 2026 vermelde vragen zullen worden meegenomen. De GI en de moeder en de stiefvader staan niet op één lijn. Het contact tussen hen verloopt spanningsvol. Zo hebben de moeder en de stiefvader aan de jeugdbeschermer tijdens een huisbezoek te kennen gegeven dat zij de woning moet verlaten. Daarom heeft de jeugdbeschermer ervoor gekozen om geen volgend huisbezoek af te leggen. De samenwerking met de jeugdbeschermer van de oudste zoon van de moeder verloopt ook niet goed. De GI zal blijven zoeken naar mogelijkheden om de samenwerking met de moeder en de stiefvader te verbeteren.
Op 19 februari 2026 heeft de jeugdbeschermer contact gehad met IHub Rotterdam over het traject Gezin Totaal. Het traject start met een verkenningsweek, waarbij het gezin een week opgenomen is en 4 à 8 uur per dag wordt geobserveerd en ondersteuning krijgt, gevolgd door ambulante hulpverlening. Dit traject kan echter uitsluitend starten als geen sprake meer is van alcohol- en drugsgebruik. De zaak moet nog door Ihub gescreend worden. Er moet dus nog blijken of dit traject passend is. Bij een positieve screening zou er half/eind april 2026 een plek beschikbaar zijn. In reactie op de stelling namens de moeder dat er nu wel een plan B lijkt te zijn, laat de GI weten dat het traject Gezin Totaal niet eerder ter sprake is gebracht, omdat het onvoldoende passend en toereikend werd geacht. Nu GGZ Beilen de moeder en de stiefvader niet meer wil opnemen, zal onderzocht worden of Gezin Totaal misschien toch nog een mogelijkheid is. Overigens heeft GGZ Beilen aangegeven dat als de vader alsnog aantoont clean te zijn, de GI een nieuwe aanmelding kan doen.
De EMDR-therapeute van de moeder heeft aangegeven dat de behandeling effect heeft gehad en is afgerond. Zo raakt zij minder snel overspoeld door emoties. Er is voor haar een aanvraag op grond van de WMO (Wet maatschappelijke ondersteuning) gedaan.
In april 2026 wordt de begeleiding van de stiefvader vanuit de reclassering en het forensisch ambulante team afgesloten. Op korte termijn zal bij Antes een intake plaatsvinden. Het is nog onduidelijk welke hulpverlening na april 2026 bij de moeder en de stiefvader betrokken zal zijn.
De pleegouders hebben aangegeven dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] tot de zomer kunnen blijven, om een tussentijdse overplaatsing te voorkomen. Het pleeggezin van [naam zoontje] kan [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] niet opvangen. Pleegzorg is op zoek naar een ander pleeggezin voor hen.
4.2.
Namens en door de moeder is ter zitting verzocht om het resterende deel van het verzoek af te wijzen. Ter onderbouwing van dit standpunt is het volgende aangevoerd.
Er zijn geen gronden voor een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. De uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] is niet meer noodzakelijk. Vanwege de band tussen hen en de pleegouders moet wel gefaseerd worden toegewerkt naar een thuisplaatsing. De moeder en de stiefvader hebben alle hulpverlening zelf geregeld en hebben alles op orde. De moeder heeft behandeling gevolgd. Zij zal binnenkort praktische hulp krijgen van het Centrum voor Dienstverlening (CVD). De stiefvader heeft een cognitieve training afgerond en heeft begin maart een intake bij Antes. De stiefvader is clean en hij heeft begeleiding van de reclassering.
Door miscommunicatie tussen GGZ Beilen en de GI gaat het traject bij GGZ Beilen niet meer door. Volgens de jeugdbeschermer moest voor dit traject sprake zijn van een afname van middelengebruik, terwijl GGZ Beilen aan de moeder en de stiefvader heeft meegedeeld dat zij geen middelen meer mochten gebruiken. De huisarts heeft, anders dan GGZ Beilen, aangegeven dat de uitslag van de vierde urinecontrole niet duidt op hergebruik.
De jeugdbeschermers zijn de toezeggingen niet nagekomen. Zo is aangegeven dat [naam zoontje] zo spoedig mogelijk weer zou worden teruggeplaatst. De huidige jeugdbeschermer is slechts één keer op huisbezoek geweest. De moeder loopt vast in de verwerking van trauma. Hulpverlening is nooit van de grond gekomen. Alle hulpverlening is gestagneerd. De GI had moeten onderzoeken op welke manieren [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] thuis geplaatst hadden kunnen worden. De mogelijkheid van een terugplaatsing is nooit onderzocht, terwijl dat de taak van de GI is. De GI heeft nooit gewerkt aan een plan B, terwijl er nu toch een plan B blijkt te zijn in de vorm van Gezin Totaal.

5.De informatie van de stiefvader

De stiefvader heeft ter zitting verklaard dat hij tot een paar weken geleden een paar jointjes per dag heeft gerookt en dat hij sinds twee weken geen jointjes meer rookt.

6.De informatie van de begeleider van de stiefvader

[persoon B] heeft namens het Leger des Heils ter zitting de volgende informatie verstrekt. Sinds september 2025 wordt de stiefvader vanuit het forensisch kader begeleid. De moeder en de stiefvader zetten zich in en staan open voor hulpverlening. Zij zijn enigszins in de steek gelaten. De hulp vanuit het forensisch ambulante team wordt in april 2026 afgesloten. Daarom wordt hulpverlening voor de moeder en de stiefvader vanuit het CVD ingezet. Door de gebeurtenissen is de samenwerking tussen de GI en de moeder en de stiefvader verstoord geraakt. Totdat het reclasseringstoezicht zal aflopen zal [persoon B] meedenken over mogelijke opties.

7.De beoordeling

7.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
7.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een zorgelijke en instabiele opvoedsituatie zijn opgegroeid. Ondanks de ingezette ambulante spoedhulp bleven er zorgen bestaan over het ontbreken van basiszorg, te weten over onvoldoende hygiëne, een gebrek aan structuur en de fysieke en emotionele beschikbaarheid van de moeder voor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . Ook waren er zorgen over hun veiligheid. Zo heeft de hond van het gezin bij [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in bed geslapen en is [voornaam minderjarige 1] met de hond opgesloten. Volgens de hulpverlening leek de moeder overvraagd te worden en beklijfde de hulpverlening niet. Vanwege de zorgen zijn [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] op 5 april 2024 met spoed uit huis geplaatst. Sindsdien verblijven zij in een pleeggezin. Bij de pleegouders ontwikkelen [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] zich naar omstandigheden goed.
7.3.
Tijdens de omgangsmomenten met [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wordt gezien dat de moeder moeite heeft met het verwerken van prikkels. Als zij overbelast raakt, trekt zij zich regelmatig terug. Dit is van invloed op haar beschikbaarheid en sensitiviteit naar [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . De overprikkeling bij de moeder belemmert haar om passend te reageren op de behoeften van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] en leidt tot beperkingen in haar opvoedvaardigheden.
7.4.
Na de geboorte van haar jongste zoon [naam zoontje] is de moeder voor een opname naar een moeder- en kindhuis van Pluryn gegaan, met als doel doorstromen naar een gezinsopname bij GGZ Beilen. In het namens de moeder overgelegde perspectiefplan moeder-kindhuis Pluryn van 13 mei 2025 is te lezen dat de moeder tijdens deze opname met [naam zoontje] door de vele triggers moeite heeft met de opvoedingstaken. Zo lukt het de moeder met name in de nachten en avonden minder goed om de zorg te dragen. Tijdens deze momenten is het voor de moeder ingewikkeld om te voorzien in behoeften van het kind en is bij haar sprake van irritatie en spanning. Daardoor is zij minder emotioneel beschikbaar.
7.5.
Op 2 februari 2026 zou bij GGZ Beilen opnieuw een samenwerkingsopname met de moeder en de stiefvader starten. Volgens de GI zijn de moeder en de stiefvader voorafgaand aan deze opname door GGZ Beilen op de hoogte gesteld van de voorwaarden voor de opname. Zo moest de stiefvader met cannabisgebruik stoppen. Uit de beoordeling van de vierde urinecontrole bleek echter dat de cannabis kreat ratio was toegenomen en dat dit op hergebruik wijst. De samenwerkingsopname is daardoor niet doorgegaan.
7.6.
De moeder en de stiefvader hebben ter zitting verklaard dat zij bekend waren met de voorwaarden van GGZ Beilen, namelijk dat geen sprake mag zijn van middelengebruik. Namens en door de moeder en de stiefvader is bestreden dat sprake is van hergebruik van cannabis door de stiefvader. Dit standpunt is echter niet met stukken onderbouwd. Daar komt bij dat de stiefvader ter zitting heeft verklaard dat hij tot twee weken voorafgaande de zitting nog heeft gebruikt.
7.7.
De rechtbank betreurt het dat de geplande gezinsopname bij GGZ Beilen geen doorgang heeft kunnen vinden door de uitslagen van de urinecontroles en het kennelijke hergebruik van cannabis door de stiefvader. Gezien de problematiek van de moeder en de stiefvader en het verloop van de zaak tot nu toe is de rechtbank onveranderd van oordeel dat een gezinsopname het instrument is om te onderzoeken of de moeder en de stiefvader kunnen bieden wat de kinderen nodig hebben. Daarbij neemt de rechtbank ook de namens de moeder overgelegde brief van het Leger des Heils van 17 februari 2026 in aanmerking, waarin wordt bevestigd dat de moeder en de stiefvader een belast verleden hebben en een uitgebreide en belaste hulpverleningsgeschiedenis kennen en sprake is van een kwetsbaar gezinssysteem. Intussen is het in het belang van de opvoeding en verzorging van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] dat het verblijf van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in het pleeggezin wordt voortgezet.
7.8.
Gelet op al het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om het resterende deel van het verzoek van de GI toe te wijzen. Daarom zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg worden verlengd voor de resterende periode, te weten tot 2 mei 2026.
7.9.
Gezien de verklaring van de stiefvader ter zitting dat hij inmiddels twee weken geen drugs meer gebruikt, verzoekt de rechtbank de GI de komende periode te onderzoeken of GGZ Beilen bereid is om alsnog een samenwerkingsopname met de moeder en de stiefvader aan te gaan. Indien dat niet het geval is, verzoekt de rechtbank de GI om de optie van Gezin Totaal of een gezinsopname bij een andere instelling (verder) te onderzoeken. Voor zover een gezinsopname binnen afzienbare periode niet tot de mogelijkheden behoort, wordt de GI in overweging gegeven om te bezien of er door middel van een onderzoek door het Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek (KSCD) zicht zou kunnen komen op de problematiek van de moeder en de stiefvader en hun opvoedvaardigheden.
7.10.
De rechtbank heeft geconstateerd dat de samenwerking tussen de GI en de moeder en de stiefvader niet goed verloopt en verstoord lijkt. Om toe te kunnen werken naar het doel dat de moeder en de stiefvader voor ogen hebben, te weten toewerken naar een terugplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] , is een constructieve samenwerking een vereiste. De rechtbank geeft de moeder en de stiefvader dan ook uitdrukkelijk mee dat het van belang is open te staan voor de noodzakelijke hulpverlening en samenwerking met de GI. De GI zal de hulpverleners van de moeder en de stiefvader daarbij ook zoveel mogelijk betrekken. Daarbij merkt de rechtbank op dat de jeugdbeschermer de beslissingen over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] niet alleen neemt; beslissingen over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] worden binnen de GI in een multidisciplinair overleg genomen.
7.11.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

8.De beslissing

De rechtbank:
8.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 2 mei 2026;
8.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026 door
mr. G.M. Paling, voorzitter, tevens kinderrechter, en mr. A.A.J. de Nijs en
mr. L.L.H. Roebroek, kinderrechters, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 13 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.