ECLI:NL:RBROT:2026:2526

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
C/10/701788 HA RK 25-599
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 RvArt. 197 lid 2 RvArt. 197 lid 3 onder a RvArt. 170 RvArt. 42 Wrra
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor in civiele procedure over vermeende onrechtmatige gedragingen Team Insolventie

De verzoeker, voormalig failliet verklaard en bijgestaan door advocaten van Buren, verzoekt de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Dit verzoek vloeit voort uit een vermoeden dat leden van het Team Insolventie van de Rechtbank Den Haag in 2019 een gesprek hebben gevoerd met advocaten van Buren, waarin werd gedreigd met het verminderen van faillissementsbenoemingen indien de dienstverlening aan verzoeker zou worden voortgezet.

De Staat voert verweer en betwist het belang van het getuigenverhoor, stelt dat slechts één gesprek bekend is en dat de cliëntrelatie al was beëindigd vóór dat gesprek. Tevens wordt aangevoerd dat het verzoek een fishing expedition betreft en prematuur is.

De rechtbank oordeelt dat verzoeker voldoende belang heeft bij het getuigenverhoor, omdat het bestaan van het vermeende gesprek niet is uitgesloten en het getuigenverhoor kan bijdragen aan het vaststellen van feiten die relevant zijn voor een mogelijke aansprakelijkheidsprocedure. De rechtbank wijst het verzoek toe, bepaalt de te horen getuigen en veroordeelt de Staat in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen en de Staat wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/701788 / HA RK 25-599
Beschikking van10februari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
woonplaats kiezend te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
advocaat: mr. P.H.J. Körver,
tegen
1. [verweerder]zijnde een persoon die in het tweede semester van 2019 werkzaam was als lid of medewerker van Team Insolventie van de rechtbank
Den Haag,
2. DE STAAT DER NEDERLANDEN,
zetelend te Den Haag,
3. RECHTBANK DEN HAAG,
zetelend te Den Haag,
van wie de Staat, ook namens de rechtbank Den Haag, verweer voert,
advocaten: mrs. M.T. Beumers en M. Moret.
Partijen worden hierna [verzoeker] en de Staat genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 8 mei 2025, met bijlagen 1 tot en met 5;
- het verweerschrift, met bijlagen 1 tot en met 4;
- de mondelinge behandeling op 12 december 2025 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mr. Körver.

2.Het verzoek

2.1.
Het verzoekschrift strekt tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor. [verzoeker] legt aan zijn verzoek het volgende ten grondslag.
2.2.
[verzoeker] is bij arrest van het Gerechtshof Den Haag van 15 juni 2017 in staat van faillissement verklaard. Tijdens de afwikkeling van zijn faillissement is hij bijgestaan door mr. [voormalig advocaat] en mr. Körver. Mr. [voormalig advocaat] was in die periode verbonden aan advocatenkantoor Buren (hierna: Buren). In die hoedanigheid was mr. [voormalig advocaat] beschikbaar voor benoemingen als curator door de Rechtbank Den Haag. Op 29 maart 2021 is het faillissement van [verzoeker] opgeheven wegens een gebrek aan baten.
2.3.
In 2023 hebben mr. [voormalig advocaat] , [verzoeker] en [verzoeker] ’s zoon (hierna: [naam] ) een gesprek gevoerd. In dit gesprek heeft mr. [voormalig advocaat] het volgende aan [verzoeker] en [naam] medegedeeld. In 2019 is mr. [toenmalige collega] , de toenmalige collega van mr. [voormalig advocaat] en managing partner van Buren, gevraagd door een lid van het Team Insolventie van de Rechtbank Den Haag (hierna: Team Insolventie) om op gesprek te komen. Het gesprek heeft vervolgens plaatsgevonden tussen twee leden van het Team Insolventie en mr. [toenmalige collega] en mr. [voormalig advocaat] . In dit gesprek is door de twee leden van het Team Insolventie medegedeeld dat als Buren en/of mr. [voormalig advocaat] [verzoeker] zou blijven bijstaan, Buren en mr. [voormalig advocaat] minder of geen faillissementen meer als curator toebedeeld zou krijgen van het Team Insolventie. Na dit gesprek heeft Buren zijn dienstverlening aan [verzoeker] stopgezet.
2.4.
[verzoeker] heeft Buren en mr. [voormalig advocaat] in 2024 meermaals verzocht om toe te lichten waarom zij hun dienstverlening aan [verzoeker] hebben stopgezet. Buren heeft hierop gereageerd dat de reden dat de dienstverlening is stopgezet al bij [verzoeker] bekend is en heeft hem daarna gesommeerd om de nog openstaande declaraties uit 2019 aan Buren te betalen. Een schriftelijke bevestiging van mr. [voormalig advocaat] is uitgebleven.
2.5.
[verzoeker] vermoedt te weten wie één van de twee leden van het Team Insolventie is die bij het gesprek aanwezig was. Het andere, voor [verzoeker] onbekende, lid van het Team Insolventie dat bij het gesprek aanwezig was, heeft [verzoeker] aangeduid met ‘ [aanduiding verweerder] ’.
2.6.
[verzoeker] overweegt om een gerechtelijke procedure aanhangig te maken tegen [verweerder] en/of de Staat. Hij meent dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover hem. Wat [verweerder] tijdens het gesprek in 2019 heeft gezegd, heeft ertoe geleid dat Buren haar dienstverlening aan [verzoeker] heeft stopgezet en [verzoeker] stelt dat hij daardoor schade heeft geleden. [verzoeker] is meer dan 115 dagen gegijzeld geweest.
2.7.
[verzoeker] wil met het horen van getuigen het volgende bewijzen dan wel verduidelijken:
  • wie [verweerder] is;
  • wie aan het gesprek hebben deelgenomen of anderszins bij de totstandkoming van dit gesprek betrokken zijn geweest;
  • wat de aanleiding voor en de inhoud van het gesprek zijn geweest; en
  • wie op de hoogte van de uitkomst van dit gesprek waren en wanneer zij dat waren.
2.8.
[verzoeker] verzoekt daartoe de volgende getuigen te horen: [verweerder] ,
mr. [voormalig advocaat] , mr. [toenmalige collega] , mr. [getuige 1] , mr. [getuige 2] , mr. [getuige 3] , mr. [getuige 4] , mr. [getuige 5] en de heer [naam] .

3.Het verweer

3.1.
De Staat voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek. De Staat stelt dat [verzoeker] geen belang heeft bij een voorlopig getuigenverhoor, omdat:
bij de rechtbank Den Haag maar één gesprek bekend is. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 12 december 2019 en ging over het beloningsbeleid van curatoren. De cliëntrelatie tussen Buren, althans mr. [voormalig advocaat] en [verzoeker] was al beëindigd vóórdat dit gesprek plaatsvond en het gesprek kan dus niet geleid hebben tot het beëindigen van de cliëntrelatie;
[verzoeker] al bekend is met de personen die bij dit gesprek aanwezig waren en hij dus al weet wie [verweerder] is;
tegen [verweerder] geen aansprakelijkheidsprocedure kan worden gevoerd. Het is namelijk aannemelijk dat deze persoon een rechterlijk ambtenaar in de zin van artikel 42 Wrra Pro is en uitsluitend de Staat is aansprakelijk voor een door een rechterlijk ambtenaar in de uitvoering van zijn ambt uitgevoerde handeling;
niet aannemelijk is dat [verzoeker] schade heeft geleden als gevolg van de onttrekking van mr. [voormalig advocaat] ;
[verzoeker] niet voldoende concreet heeft gesteld dat er nog een ander gesprek dan het gesprek van 12 december 2019 heeft plaatsgevonden; en
toewijzing van het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor leidt tot een zogenaamde fishing expedition, aangezien het gaat om vermoedens waarvoor feitelijke onderbouwing nog ontbreekt.
3.2.
De Staat stelt daarnaast dat het verzoek prematuur is, omdat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een ander gesprek dan het gesprek op 12 december 2019 heeft plaatsgevonden. Over een dergelijk beweerdelijk ander gesprek kunnen geen getuigen worden gehoord, zolang niet vast staat dat dat gesprek heeft plaatsgevonden. Toewijzing van het verzoek is in strijd met de goede procesorde. Subsidiair stelt de Staat dat het aantal getuigen dat mag worden gehoord, moet worden beperkt tot één getuige, namelijk
mr. [voormalig advocaat] . Het is volgens de Staat in strijd met de goede procesorde om alle andere getuigen, met name de rechterlijk ambtenaren, zonder enige andere onderbouwing op te roepen.

4.De beoordeling

Het verzoek wordt toegewezen
4.1.
Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor beveelt. Op grond van artikel 196 Rv Pro kan de rechter voordat een zaak aanhangig is op verzoek van een belanghebbende een voorlopig getuigenverhoor bevelen in de gevallen waarin bij de wet het bewijs door getuigen is toegelaten. De rechter wijst een dergelijk verzoek toe, tenzij hij van oordeel is dat:
de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;
onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;
sprake is van misbruik van bevoegdheid; of
andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
4.2.
De rechtbank wijst het verzoek van [verzoeker] toe zoals hierna onder de beslissing is vermeld. Geen van de gronden waarop de rechtbank het verzoek kan afwijzen, doet zich hier voor. Daartoe is het volgende redengevend.
[verzoeker] heeft voldoende belang bij toewijzing van het verzoek
4.3.
In de eerste plaats stelt de Staat dat [verzoeker] onvoldoende belang heeft bij zijn verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor. De rechtbank volgt de Staat daar niet in.
4.4.
[verzoeker] heeft gesteld dat mr. [voormalig advocaat] hem heeft verteld dat mr. [voormalig advocaat] “in het tweede semester” van 2019 in een gesprek bij de Rechtbank Den Haag van leden van de rechtbank de boodschap heeft gekregen dat hij minder faillissementen toebedeeld zou krijgen als Buren of hijzelf [verzoeker] zouden blijven bijstaan. Dat is een concrete stelling die met het horen van getuigen mogelijk bewezen kan worden. Als die stelling bewezen wordt, is aansprakelijkheid van de Staat niet ondenkbaar. Verder hoeft [verzoeker] in dit stadium nog niet aannemelijk te maken dat hij schade heeft geleden. Voor afwijzing zou alleen grond kunnen bestaan als nu al volledig uitgesloten is dat [verzoeker] enige schade kan hebben geleden. Dat is echter niet het geval, waarbij de rechtbank onder meer in aanmerking neemt dat [verzoeker] 115 dagen gegijzeld is geweest.
4.5.
De Staat heeft aangevoerd dat [verzoeker] geen belang heeft bij het bevragen van getuigen over dat gesprek, omdat alleen op 12 december 2019 een gesprek heeft plaatsgevonden en de cliëntrelatie tussen [verzoeker] en Buren al voor dat gesprek geëindigd was. Dat staat echter onvoldoende vast om te oordelen dat [verzoeker] geen belang heeft bij het getuigenverhoor. Het feit dat de Rechtbank Den Haag heeft verklaard dat voor zover zij dat nog kan nagaan alleen op 12 december 2019 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen leden van de rechtbank en
mr. [voormalig advocaat] , sluit niet uit dat er in het tweede semester van 2019 nog een dergelijk gesprek heeft plaatsgevonden. Daarover kan het horen van getuigen duidelijkheid brengen. Omdat [verzoeker] zelf niet bij het vermeende gesprek aanwezig was, kan van hem niet worden verwacht dat hij – bijvoorbeeld – het precieze moment waarop het gesprek heeft plaatsgevonden of de inhoud van het gesprek verder concretiseert.
4.6.
Evenmin is uitgesloten dat de cliëntrelatie op een ander (later) moment is beëindigd dan [verzoeker] op grond van wat hem thans bekend is moet aannemen. Zowel mr. [voormalig advocaat] als Buren hebben geen inhoudelijke reactie gegeven op het verzoek van [verzoeker] om toe te lichten waarom de cliëntrelatie is stopgezet. Uit de brief van mr. Körver aan Buren van 21 juni 2024 volgt dat [verzoeker] er op dat moment vanuit ging dat dat “op of omstreeks 21 november 2019” is gebeurd, maar er staat ook “voor zover ik kan overzien”. Daarover bestaat dus ook geen duidelijkheid.
4.7.
Het verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor dient er juist toe om mogelijke onduidelijkheden op te helderen en degene die zo’n verhoor verzoekt in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is om een procedure te starten. Op grond van het voorgaande wordt ook het verweer van de Staat dat het verzoek prematuur is, verworpen. Het is ook niet in strijd met de goede procesorde dat [verzoeker] de mogelijkheid krijgt om vragen te stellen over een gesprek waarvan mogelijk niet bewezen kan worden dat het heeft plaatsgevonden. De rechtbank mag niet vooruit lopen op de mogelijkheid dat [verzoeker] het bestaan van dat (tweede) gesprek niet kan bewijzen.
4.8.
Aan de Staat kan worden toegegeven dat mogelijk geen aansprakelijkheidsprocedure kan worden gevoerd tegen [verweerder] , omdat aannemelijk is dat deze persoon een rechterlijk ambtenaar is in de zin van artikel 1 sub b Wrra Pro. Dit speelt echter geen doorslaggevende rol in deze procedure, omdat het verzoek zich ook richt tegen de Staat. Overigens heeft [verzoeker] niet gesteld dat hij uitsluitend [verweerder] aansprakelijk wil stellen in een eventuele bodemprocedure.
Er is geen sprake van een fishing expedition
4.9.
De Staat kan evenmin worden gevolgd in zijn verweer dat sprake is van een zogenaamde fishing expedition, in de zin dat de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is. Er is pas sprake van een fishing expedition als een directe connectie tussen de gevraagde informatie en de mogelijke vordering ontbreekt. [verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift vier vragen opgenomen die hij aan de getuigen wil stellen en die vragen staan in directe betrekking tot de mogelijk door hem aan te vangen procedure. Hoewel nog niet alle feiten bij [verzoeker] bekend zijn, is hij niet zonder duidelijk doel noch in een onbegrensd feitencomplex op zoek naar mogelijke aanknopingspunten voor een eventuele procedure.
Het aantal getuigen is niet in strijd met de goede procesorde
4.10.
De Staat voert tot slot aan dat het aantal getuigen dat gehoord mag worden, moet worden beperkt tot alleen het horen van mr. [voormalig advocaat] . Hij kan immers bevestigen of het gesprek tussen hem, mr. [toenmalige collega] en de twee leden van Team Insolventie heeft plaatsgevonden. Het toelaten van meer getuigen in de procedure is volgens de Staat in strijd met de goede procesorde. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om op voorhand het aantal te horen getuigen te beperken, omdat [verzoeker] duidelijk heeft omschreven waarom en waarover hij de verschillende getuigen wil horen en wat de getuigen kunnen verklaren. Er is geen sprake van een situatie waarin op dit moment voorzienbaar is dat het horen van één of meerdere van de verzochte getuigen geen relevante verklaring zal kunnen opleveren, laat staan dat sprake is van strijd met de goede procesorde. Geheel ten overvloede merkt de rechtbank op dat als na het verhoor van één of meerdere van de getuigen de vraag opkomt of het zinvol is om de overige getuigen nog te horen, dit nadat partijen zich hierover hebben kunnen uitlaten een beslissing is die aan de rechter-commissaris is voorbehouden, die de regie over de getuigenverhoren voert binnen de grenzen die de Hoge Raad heeft gesteld [1] .
[verweerder]
4.11.
Artikel 197 lid 2 onder Pro Rv bepaalt dat de verzoeker in het verzoekschrift de naam en woonplaats van de wederpartij vermeldt of de redenen waarom de wederpartij onbekend is. Die redenen heeft [verzoeker] ten aanzien van [verweerder] gegeven: hij weet niet wie deze persoon is en beoogt de identiteit van zijn mogelijke wederpartij met dit verhoor te achterhalen.
4.12.
[verzoeker] wil [verweerder] ook horen. Artikel 197 lid 3 onder Pro a Rv schrijft voor dat de verzoeker de namen en woonplaatsen vermeldt van de personen die de verzoeker als getuigen wil horen. De naam en woonplaats van [verweerder] heeft [verzoeker] niet vermeld, om de in 4.11. genoemde redenen. Dat staat er niet aan in de weg dat [verweerder] kan worden gehoord als [verzoeker] , bijvoorbeeld naar aanleiding van het verhoor van een of meer andere getuigen, overeenkomstig artikel 170 Rv Pro ten minste tien dagen voor het verhoor alsnog de naam en woonplaats van [verweerder] aan de Staat en de griffier doorgeeft.
De conclusie
4.13.
De conclusie is dat het verzoek wordt toegewezen.
Het oproepen van getuigen door [verzoeker]
4.14.
Bij het oproepen van getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld ten minste 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, moeten ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank worden opgegeven.
Proceskostenveroordeling
4.15.
De Staat is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op:
- griffierecht € 331,00
- salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × tarief II à € 653,00 per punt)
- nakosten €
189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.826,00

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
beveelt een voorlopig getuigenverhoor;
5.2.
bepaalt dat de hiervoor in 2.8 genoemde getuigen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank te Rotterdam door mr. P.D. Olden, op een nader, in overleg met partijen, vast te stellen datum en tijdstip;
5.3.
veroordeelt de Staat in de proceskosten van € 1.826,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de Staat de proceskosten niet op tijd betaalt en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet de Staat € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Rop, mr. P.D. Olden en mr. S.V. Hardonk en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.
3965/3669/3407/2819

Voetnoten

1.HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3922.