Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2525

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
C/10/705922 / JE RK 25-1806
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in pleegzorg

De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige verblijft sinds mei 2025 in een pleeggezin na een ondertoezichtstelling en eerdere uithuisplaatsing vanwege problematische thuissituatie.

De ouders, belast met het ouderlijk gezag, hebben een belaste hulpverleningsgeschiedenis en problematiek, waaronder middelengebruik door de vader. Een geplande gezinsopname bij GGZ Beilen ging niet door vanwege hergebruik van cannabis door de vader, ondanks dat de ouders aangeven dat zij graag voor de minderjarige willen zorgen. De moeder heeft een traumatisch verleden en loopt vast in verwerking, terwijl de vader impulsief gedrag vertoont.

De rechtbank constateert een zorgelijke en instabiele opvoedsituatie en acht verlenging van de machtiging noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De machtiging wordt verlengd tot 9 april 2026. De rechtbank verzoekt de GI om te onderzoeken of alsnog een gezinsopname mogelijk is en benadrukt het belang van constructieve samenwerking tussen ouders en GI. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 9 april 2026 wegens een zorgelijke opvoedsituatie en middelengebruik van de vader.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/705922 / JE RK 25-1806
Datum uitspraak: 20 februari 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [voornaam minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaten mrs. A. Koop-van Vliet en N.A.H. Limbourg, kantoorhoudende in Breda,
[naam vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 16 december 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage met bijlagen van de GI van 12 februari 2026;
  • de ongedateerde brief met bijlagen van mr. N.A.H. Limbourg, ingediend op
1.2.
Op 20 februari 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder en haar advocaten;
  • de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [persoon A] .
1.3.
Bijzondere toegang is verleend aan [persoon B] , ambulant begeleider van de vader, werkzaam bij het Leger des Heils.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 26 september 2025 is - voor zover hier van belang - de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 9 oktober 2026.
2.4.
Bij beschikking van 16 december 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 1 maart 2026 en is het overig verzochte aangehouden.

3.Het (aangehouden) verzoek

De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing
uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI heeft dit verzoek tijdens de zitting van
16 oktober 2025 mondeling gewijzigd, in die zin dat wordt verzocht om de machtiging tot
uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van zes maanden. Er moet nu nog worden beslist
over de periode tot 9 april 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter zitting het resterende deel van het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.
De voor 2 tot 13 februari 2026 geplande samenwerkingsopname met de ouders bij GGZ Beilen is niet doorgegaan, omdat uit de vierde urinecontrole van de vader is gebleken dat sprake was van hergebruik van cannabis. De ouders waren door GGZ Beilen ervan op de hoogte gesteld dat zij geen middelen mochten gebruiken. Er is miscommunicatie ontstaan over het moment waarop de waarden volledig negatief hadden moeten zijn. Maar dat staat los van het feit dat de vader tussen de derde en vierde urinecontrole meer is gaan gebruiken. De ouders willen het liefst per direct voor [voornaam minderjarige] zorgen. Dit is echter zonder hulpverlening niet mogelijk. Eerdere ambulante trajecten zoals bij ASVZ en Tien voor Toekomst hebben onvoldoende effect gehad. De GI heeft tijd nodig om in overleg met pleegzorgorganisatie Enver een visie over het vervolg te bepalen, waarbij de in de briefrapportage van de GI van 12 februari 2026 vermelde vragen zullen worden meegenomen. De GI en de ouders staan niet op één lijn. Het contact tussen hen verloopt spanningsvol. Zo hebben de ouders aan de jeugdbeschermer tijdens een huisbezoek te kennen gegeven dat zij de woning moest verlaten. Daarom heeft de jeugdbeschermer ervoor gekozen om geen volgend huisbezoek af te leggen. De samenwerking met de jeugdbeschermer van de oudste zoon van de moeder verloopt ook niet goed. De GI zal blijven zoeken naar mogelijkheden om de samenwerking met de ouders te verbeteren.
Op 19 februari 2026 heeft de jeugdbeschermer contact gehad met IHub over het traject Gezin Totaal. Het traject start met een verkenningsweek, waarbij het gezin een week opgenomen is en 4 à 8 uur per dag wordt geobserveerd en ondersteuning krijgt, gevolgd door ambulante hulpverlening. Dit traject kan echter uitsluitend starten als geen sprake is van alcohol- en/of drugsgebruik. De zaak moet nog door IHub gescreend worden. Er moet dus nog blijken of dit traject passend is. Bij een positieve screening zou er half/eind april 2026 een plek beschikbaar zijn. In reactie op de stelling namens de moeder dat er nu wel een plan B lijkt te zijn, laat de GI weten dat het traject Gezin Totaal niet eerder ter sprake is gebracht, omdat het onvoldoende passend en toereikend werd geacht. Nu GGZ Beilen de ouders niet meer wil opnemen, zal onderzocht worden of Gezin Totaal misschien toch een mogelijkheid is. Overigens heeft GGZ Beilen aangegeven dat als de vader alsnog aantoont clean te zijn, de GI een nieuwe aanmelding kan doen.
Zodra de ouders hun wensen aan de GI kenbaar hebben gemaakt, zal de GI bezien of de omgang tussen [voornaam minderjarige] en de ouders met bijvoorbeeld een extra moment in de week kan worden uitgebreid.
De EMDR-therapeute van de moeder heeft aangegeven dat de behandeling effect heeft gehad en is afgerond. Zo raakt zij minder snel overspoeld door emoties. Er is voor haar een aanvraag op grond van de WMO (Wet maatschappelijke ondersteuning) gedaan.
In april 2026 wordt de begeleiding van de vader vanuit de reclassering en het forensisch ambulante team afgesloten. Op korte termijn zal bij Antes een intake plaatsvinden. Het is nog onduidelijk welke hulpverlening na april 2026 bij de ouders betrokken zal zijn.
4.2.
Namens en door de moeder is ter zitting verzocht om het resterende deel van het verzoek van de GI af te wijzen. Ter onderbouwing van dit standpunt is het volgende aangevoerd.
Er zijn geen gronden voor een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. De uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] is niet meer noodzakelijk. De ouders hebben alle hulpverlening zelf geregeld en hebben alles op orde. De moeder heeft behandeling gevolgd. Zij zal binnenkort praktische hulp krijgen van het Centrum voor Dienstverlening (CVD). De vader heeft een cognitieve training afgerond en heeft begin maart een intake bij Antes. De vader is clean en hij heeft begeleiding van de reclassering.
Door miscommunicatie tussen GGZ Beilen en de GI gaat het traject bij GGZ Beilen niet meer door. Volgens de jeugdbeschermer moest voor dit traject sprake zijn van een afname in middelengebruik, terwijl GGZ Beilen aan de ouders heeft meegedeeld dat zij geen middelen meer mochten gebruiken. De huisarts heeft, anders dan GGZ Beilen, aangegeven dat de uitslag van de vierde urinecontrole niet duidt op hergebruik.
De jeugdbeschermers zijn de toezeggingen niet nagekomen. Zo is aangegeven dat [voornaam minderjarige] zo spoedig mogelijk weer zou worden teruggeplaatst. De huidige jeugdbeschermer is slechts één keer op huisbezoek geweest. De moeder loopt vast in de verwerking van trauma. Hulpverlening is nooit van de grond gekomen. Alle hulpverlening is gestagneerd. De GI had moeten onderzoeken op welke manieren [voornaam minderjarige] thuis geplaatst had kunnen worden. De mogelijkheid van een terugplaatsing is nooit onderzocht, terwijl dat de taak van de GI is. De GI heeft nooit gewerkt aan een plan B, terwijl er nu toch een plan B blijkt te zijn in de vorm van Gezin Totaal.
4.3.
De vader heeft zich ter zitting ook verzet tegen toewijzing van het resterende deel van het verzoek van de GI. Hij heeft verklaard dat hij tot een paar weken geleden een paar jointjes per dag heeft gerookt en dat hij sinds twee weken geen jointjes meer rookt.

5.De informatie van de begeleider van de vader

[persoon B] heeft namens het Leger des Heils ter zitting de volgende informatie verstrekt. Sinds september 2025 wordt de vader vanuit het forensisch kader begeleid. De ouders zetten zich in en staan open voor hulpverlening. Zij zijn enigszins in de steek gelaten. De hulp vanuit het forensisch ambulante team wordt in april 2026 afgesloten. Daarom wordt hulpverlening voor de ouders vanuit het CVD ingezet. Door de gebeurtenissen is de samenwerking tussen de GI en de ouders verstoord geraakt. Totdat het reclasseringstoezicht zal aflopen zal [persoon B] meedenken over mogelijke opties.

6.De beoordeling

6.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [1]
6.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat sprake is van een instabiele en zorgelijke opvoedsituatie bij de ouders. De moeder heeft een belast verleden, waarbij zij traumatische gebeurtenissen heeft meegemaakt. De vader is een steun voor de moeder. Er is bij hem echter sprake van impulsief en opvliegend gedrag. Ook heeft de vader een verleden met middelenproblematiek en er zijn signalen van een strafrechtelijk belast verleden.
6.3.
Na zijn geboorte is [voornaam minderjarige] met de moeder bij het ouder- en kindhuis van Pluryn in Doetinchem geplaatst. In het door de GI overgelegde perspectiefplan moeder-kindhuis Pluryn van 13 mei 2025 is te lezen dat de moeder tijdens deze opname door de vele triggers door haar eigen problematiek steeds meer moeite kreeg met de opvoeding van [voornaam minderjarige] . Zo was het voor haar lastig om zelfstandig de dagelijkse zorg voor [voornaam minderjarige] te dragen, in het bijzonder in de nachten en avonden. Er werd gezien dat het voor de moeder ingewikkeld was om voldoende te voorzien in de behoeften van [voornaam minderjarige] en dat er bij haar sprake was van irritatie en spanning. Daardoor was zij minder emotioneel beschikbaar voor [voornaam minderjarige] . Ook bleek tijdens de opname van wantrouwen van de moeder richting hulpverleners, waardoor de samenwerking ingewikkeld kon zijn. Daarnaast was er bij haar een gebrek aan eigen hulpvragen.
6.4.
Het doel van het traject bij het ouder- en kindhuis van Pluryn was met de vader doorstromen naar een gezinsopname bij GGZ Beilen, waaraan verschillende voorwaarden waren verbonden, zoals negatieve urinecontroles van de vader om aan te tonen dat hij geen cannabis meer gebruikte. In de periode van 14 april tot en met 24 april 2025 hebben de ouders daar met [voornaam minderjarige] voor een samenwerkingsopname verbleven, echter zonder resultaat. De vader bleek (opnieuw) positief te hebben getest op middelengebruik. Ook werd de samenwerking met de ouders als niet goed genoeg beoordeeld - deze verliep moeizaam - en werd er geen ontwikkeling gezien na de gegeven adviezen. De vraag was of een gezinsopname nog een mogelijkheid was.
6.5.
Op 5 mei 2025 heeft de moeder de jeugdbeschermer verzocht om (tijdelijke) pleegzorg voor [voornaam minderjarige] in te zetten. Zij heeft [voornaam minderjarige] bij het ouder- en kindhuis van Pluryn achtergelaten. De moeder gaf daarbij aan [voornaam minderjarige] niet te kunnen bieden wat hij nodig heeft en dat zij voelde dat de spanning bij haar opliep. Ook gaf zij aan dat zij de geboden ondersteuning en behandeling als onvoldoende intensief ervaarde en dat zij een gezinsopname bij GGZ Beilen niet meer zag zitten. Vanwege de zorgen is [voornaam minderjarige] uit huis geplaatst. Sinds 12 mei 2025 verblijft hij in een pleeggezin.
6.6.
Op 3 december 2025 heeft GGZ Beilen aan de ouders laten weten dat zij opnieuw welkom waren voor een samenwerkingsopname, waaraan dezelfde voorwaarden waren verbonden als eerder. Op 2 februari 2026 zou de samenwerkingsopname met de ouders starten. De opname is echter niet doorgegaan vanwege hergebruik van cannabis door de vader, waarvan uit urinecontroles was gebleken. GGZ Beilen heeft gelet op de beoordeling van de controles geconcludeerd dat het de ouders niet is gelukt om aan de voorwaarden te voldoen. Een nieuwe opname behoort voorlopig niet tot de mogelijkheden, aldus de GI.
6.7.
Uit de door de GI overgelegde ongedateerde brief van [persoon C] , werkzaam als gedragswetenschapper bij GGZ Drenthe, blijkt dat voorafgaand aan de nieuwe samenwerkingsopname, te weten op 11 september 2025, een e-mailbericht aan de ouders is gestuurd met daarin (wederom) de voorwaarden voor de samenwerkingsopname, onder meer dat de vader met cannabisgebruik moest stoppen. Uit deze brief blijkt verder dat bij de beoordeling van de vierde urinecontrole zichtbaar was dat de cannabis kreat ratio was toegenomen en dat dit op hergebruik wijst.
6.8.
De ouders hebben ter zitting bevestigd dat zij bekend waren met de voorwaarden van GGZ Beilen, namelijk dat geen sprake mag zijn van middelengebruik. Namens en door de ouders is bestreden dat sprake is van hergebruik van cannabis door de vader. Dit standpunt is echter niet met stukken onderbouwd. Daar komt bij dat de vader ter zitting heeft verklaard dat hij tot twee weken voorafgaande aan de zitting nog gebruikte.
6.9.
De rechtbank betreurt het dat de geplande gezinsopname bij GGZ Beilen geen doorgang heeft kunnen vinden door de uitslagen van de urinecontroles en het kennelijke hergebruik van cannabis door de vader. Gezien de problematiek van de ouders en het verloop van de zaak tot nu toe is de rechtbank onveranderd van oordeel dat een gezinsopname het instrument is om te onderzoeken of de ouders [voornaam minderjarige] kunnen bieden wat hij nodig heeft. Daarbij neemt de rechtbank ook de namens de moeder overgelegde brief van het Leger des Heils van 17 februari 2026 in aanmerking, waarin wordt bevestigd dat beide ouders een belast verleden hebben en een uitgebreide en belaste hulpverleningsgeschiedenis kennen en sprake is van een kwetsbaar gezinssysteem. Intussen is het in het belang van de opvoeding en verzorging van [voornaam minderjarige] dat het verblijf van [voornaam minderjarige] in het pleeggezin wordt voortgezet.
6.10.
Gelet op al het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om het resterende deel van het verzoek van de GI toe te wijzen. Daarom zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg worden verlengd voor de resterende periode, te weten tot 9 april 2026.
6.11.
Gezien de verklaring van de vader ter zitting dat hij inmiddels twee weken geen drugs meer gebruikt, verzoekt de rechtbank de GI de komende periode te onderzoeken of GGZ Beilen bereid is om alsnog een samenwerkingsopname met de ouders aan te gaan. Indien dat niet het geval is, verzoekt de rechtbank de GI om de optie van Gezin Totaal of een gezinsopname bij een andere instelling (verder) te onderzoeken. Voor zover een gezinsopname binnen afzienbare periode niet tot de mogelijkheden behoort, wordt de GI in overweging gegeven om te bezien of er door middel van een onderzoek door het Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek (KSCD) zicht zou kunnen komen op de problematiek van de ouders en hun opvoedvaardigheden.
6.12.
De rechtbank heeft geconstateerd dat de samenwerking tussen de GI en de ouders niet goed verloopt en verstoord lijkt. Om toe te kunnen werken naar het doel dat de ouders voor ogen hebben, te weten toewerken naar een terugplaatsing van [voornaam minderjarige] , is een constructieve samenwerking een vereiste. De rechtbank geeft de ouders dan ook uitdrukkelijk mee dat het van belang is open te staan voor de noodzakelijke hulpverlening en samenwerking met de GI. De GI zal de hulpverleners van de ouders daarbij ook zoveel mogelijk betrekken. Daarbij merkt de rechtbank op dat de jeugdbeschermer de beslissingen over [voornaam minderjarige] niet alleen neemt; beslissingen over [voornaam minderjarige] worden binnen de GI in een multidisciplinair overleg genomen.
6.13.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 9 april 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026 door
mr. G.M. Paling, voorzitter, tevens kinderrechter, en mr. A.A.J. de Nijs en
mr. L.L.H. Roebroek, kinderrechters, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 13 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.