AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verlening zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg ondanks ontbreken persoonlijk onderzoek
De rechtbank Rotterdam behandelde op 5 januari 2026 het verzoek van de officier van justitie tot verlenging van een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 WvggzPro. Betrokkene, lijdend aan een bipolaire I stoornis en cannabisgebruik, was niet persoonlijk onderzocht door de onafhankelijk psychiater die de medische verklaring opstelde. De rechtbank oordeelde dat de verklaring desalniettemin bruikbaar was, omdat betrokkene herhaaldelijk weigerde mee te werken aan persoonlijk onderzoek.
Uit de stukken en mondelinge behandeling bleek dat betrokkene ernstige psychische klachten heeft met wisselend gedrag, medicatieontrouw en risico op ontregeling, wat leidt tot ernstig nadeel zoals agressie, maatschappelijke teloorgang en gevaar voor zichzelf en anderen. Ondanks ambulante zorg is betrokkene wisselend in medewerking, waardoor vrijwillige zorg onvoldoende is.
De rechtbank achtte verplichte zorg noodzakelijk om ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke en fysieke gezondheid te stabiliseren. De zorgmachtiging omvat medicatietoediening, medische controles, beperkingen in bewegingsvrijheid en opname in een accommodatie met een maximale opnameduur van één maand per keer. Minder bezwarende alternatieven zijn niet beschikbaar en de verplichte zorg is evenredig en effectief.
De rechtbank wees het verweer van betrokkene af dat hij geen zorgmachtiging meer wenst, omdat het risico op schade voor betrokkene en anderen zwaarder weegt. De zorgmachtiging wordt verleend voor de duur van twaalf maanden, aansluitend op de eerdere machtiging, en geldt tot 5 januari 2027.
Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor twaalf maanden ondanks het ontbreken van persoonlijk onderzoek door de onafhankelijk psychiater.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/711796 / FA RK 25-9528
Referentienummer: [nummer]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 5 januari 2026 betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1979, [geboorteplaats] ,
hierna: betrokkene,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. S.R. Kwee te Rotterdam.
1.Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 15 december 2025.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
de medische verklaring opgesteld door [naam 1] , psychiater, van 10 december 2025;
de niet ingevulde zorgkaart;
het zorgplan van 26 november 2025;
de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;
de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wvggz en de Wet Bopz;
het bericht dat er geen relevante politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene zijn.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden in de rechtbank te Rotterdam op 5 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;
[naam 2] , verpleegkundige (hierna: de behandelaar), en [naam 3] , verpleegkundige, beiden verbonden aan Antes.
1.3.
De officier is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.
2.Beoordeling
2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 6 februari 2025 is op grond van artikel 6:4 WvggzPro een zorgmachtiging verleend tot en met 6 februari 2026. De officier heeft op 15 december 2025 een verzoek ingediend voor een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden.
2.2.
Gezien het feit dat betrokkene voor het opstellen van de medische verklaring niet persoonlijk is onderzocht, acht de rechtbank het noodzakelijk om, voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek, in te gaan op de pogingen die door de onafhankelijk psychiater zijn gedaan om betrokkene persoonlijk te onderzoeken. In de medische verklaring ontbreekt namelijk een uitgebreide toelichting daaromtrent.
2.2.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de behandelaar desgevraagd verklaard dat betrokkene tijdig op de hoogte is gesteld van het onderzoek door de onafhankelijk psychiater. Betrokkene heeft daarop aangegeven dat hij niet met de onafhankelijk psychiater wilde spreken. Desondanks is gepoogd om betrokkene thuis te spreken. Betrokkene was echter op het aangekondigde moment niet aanwezig. Voor het opstellen van eerdere medische verklaringen, in 2024 en 2025, was het, ondanks verscheidene pogingen, eveneens niet mogelijk om betrokkene bereid te vinden zich persoonlijk te laten onderzoeken. Daarbij komt dat toen het onderwerp werd besproken tijdens de mondelinge behandeling, betrokkene niet heeft gevraagd alsnog met een onafhankelijk psychiater te kunnen spreken.
2.2.2.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de medische verklaring bruikbaar is voor de verdere beoordeling van het verzoek, ondanks dat geen persoonlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Zij verwerpt daarmee het verweer van betrokkene dat de onafhankelijk psychiater meer pogingen had moeten doen om hem te spreken.
2.3.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een bipolaire I stoornis en een stoornis in middelengebruik, te weten cannabis.
2.4.
Het gedrag van betrokkene leidt als gevolg van zijn psychische stoornis tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige materiële schade, ernstige financiële schade, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang, de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
2.4.1.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat betrokkene al lange tijd wordt behandeld binnen de GGZ wegens manisch psychotische klachten. Ondanks deze behandeling is er vaak sprake geweest van ontregeling en daaropvolgende opnames. Wanneer betrokkene ontregelt, verslechtert zijn slaap, is hij achterdochtig en snel geagiteerd, en uit hij verbale agressie en dreiging richting anderen. Aanleiding voor zijn laatste opname, in 2023, was een manisch psychotisch beeld als gevolg van medicatie-ontrouw en cannabisgebruik, waardoor betrokkene paranoïde werd en zich dreigend opstelde richting medebewoners in de BW waar hij destijds verbleef. Recent lijkt er echter een zekere stabiliteit te zijn bereikt in het toestandsbeeld van betrokkene. Hij woont inmiddels zelfstandig en krijgt ambulante zorg.
2.4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de behandelaar aangevuld dat het beeld van betrokkene, ondanks de vooruitgang, nog erg wisselend is. Soms komt betrokkene afspraken na, maar soms ook niet. Huisbezoeken kunnen niet altijd plaatsvinden, omdat betrokkene niet aanwezig is of er geen zin in heeft. Zijn medicatie kon tot op heden nog niet worden afgebouwd vanwege zijn opvliegende gedrag. Bovendien bestaat er een grote kans dat betrokkene opnieuw ontregelt wanneer hij geen medicatie meer inneemt, met als gevolg dat hij datgene dat hij net weer heeft opgebouwd, verliest, waaronder zijn woning.
2.5.
Om ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren en dusdanig te herstellen dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint, en de fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen in het geval diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel daarvoor, heeft betrokkene zorg nodig.
2.6.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Zowel uit de stukken als tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene nog erg wisselend is in zijn bereidheid tot medewerking aan zijn ambulante behandeling. Hoewel hij zijn medicatie en de bijbehorende controles accepteert, zijn er ook momenten waarop hij de afspraken met de ambulante behandelaren niet nakomt. De nodige huisbezoeken kunnen daardoor niet altijd plaatsvinden. De behandelaren verwachten daarom dat de huidige vooruitgang van betrokkene niet duurzaam zal blijken wanneer hij zich in een vrijwillig kader weer onttrekt aan behandeling. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank verplichte zorg noodzakelijk.
2.7.
De in het verzoekschrift opgenomen vormen van verplichte zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
het beperken van de bewegingsvrijheid
het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken;
het opnemen in een accommodatie
2.7.1.
Ten aanzien van de opname in een accommodatie, en de bijbehorende beperking van de bewegingsvrijheid, bepaalt de rechtbank nog het volgende. Gedurende de looptijd van deze zorgmachtiging zijn meer opnames mogelijk. Voor iedere opname van betrokkene geldt echter een maximale duur van één maand. Indien een langere opname noodzakelijk lijkt, moet een wijziging van de zorgmachtiging worden gevraagd.
2.8.
Voor de toegewezen vormen van verplichte zorg zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Verder is de voorgestelde verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief.
2.8.1.
De rechtbank verwerpt het verweer dat de advocaat namens betrokkene heeft gevoerd, te weten dat betrokkene het zat is om verplichte zorg te moeten ontvangen. Betrokkene vindt dat het al lang genoeg heeft geduurd. De wens van betrokkene om geen zorgmachtiging meer te hebben, weegt naar het oordeel van de rechtbank echter niet op tegen het risico van de schade die betrokkene en anderen zullen oplopen wanneer hij geen medicamenteuze behandeling meer ontvangt. Deze schade blijkt uit het ernstig nadeel zoals omschreven onder rechtsoverweging 2.4.
2.8.2.
Uit de stukken blijkt verder dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
2.9.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal aansluitend op een zorgmachtiging worden verleend voor de verzochte duur van twaalf maanden met ingang van vandaag.
3.Beslissing
De rechtbank:
3.1.
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene] voornoemd;
3.2.
bepaalt dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.7. en 2.7.1 kunnen worden getroffen;
3.3.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 5 januari 2027.
Deze beschikking is op 5 januari 2026 mondeling gegeven door mr. drs. J. van den Bos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. de Visser, griffier, en op 13 januari 2025 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.