In deze kort geding procedure eist [eiseres] B.V. ontruiming van een winkelruimte en betaling van een huurachterstand door [gedaagde], die de winkel huurt sinds september 2024. De kantonrechter stelt vast dat de achterstand € 5.276,95 bedraagt, wat neerkomt op bijna 2,5 maand huur. Hoewel dit een substantiële achterstand is, wordt ontruiming afgewezen omdat het onvoldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure ontbinding van de huurovereenkomst zal worden toegewezen.
De achterstand bestaat deels uit huurachterstand over de maanden september tot en met december 2024 en deels uit een geschil over de hoogte van de servicekosten, die fors zijn verhoogd op basis van de afrekening over 2023. De kantonrechter oordeelt dat de verhoging niet onredelijk is, maar dat het onzeker is of de werkelijke kosten in 2025 en 2026 zo hoog zullen zijn, waardoor de achterstand minder zwaar weegt.
Subsidiair eist [eiseres] ontruiming op grond van een afspraak in de allonge om te verhuizen naar een andere winkelruimte. De kantonrechter wijst dit af omdat onduidelijk is of deze afspraak het dwingendrechtelijke huurrecht doorbreekt en omdat onduidelijkheid bestaat over de gelijkwaardigheid van de aangeboden winkelruimte, wat nader feitenonderzoek vereist.
De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van € 5.276,95 binnen vijf dagen na het vonnis.