Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De kern van het geschil
2.De procedure
- de dagvaarding van 6 november 2024, met producties 1 tot en met 7;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens vordering in reconventie van 19 februari 2025, met producties 1 tot en met 7;
- de brieven van de rechtbank van 3 maart 2025, waarin mondelinge behandeling is bepaald op 6 mei 2025;
- het B2-formulier van de man van 6 mei 2025, dat mr. Kandemir zich heeft onttrokken;
- het bericht van de rechtbank van 6 mei 2025, dat de mondelinge behandeling van die dag geen doorgang vindt;
- de herhaalde advocaatstelling van mr. Kandemir als advocaat van de man van 4 juni 2025;
- de brieven van de rechtbank van 20 juni 2025, waarin is mondelinge behandeling is bepaald op 31 oktober 2025;
- de conclusie van antwoord in reconventie van 17 oktober 2025 (tegen roldatum 31 oktober 2025), met vier producties wederom genummerd 1 tot en met 4, feitelijk 8 tot en met 11.
3.De feiten
Primair: De vrouw te veroordelen het bedrag van € 1.932,60 met daarbij de wettelijke rente vanaf 1 juni 2023, alsmede de proceskosten van € 1.041,83, in totaal € 2.974,43 te betalen aan de man, met daarbij de wettelijke rente vanaf 1 juni 2023, althans een bedrag als uw rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
subsidiairtot betaling van € 2.500,-, zijnde de waarde daarvan;
dan weldat de man € 15.000,-, zijnde de waarde daarvan, aan de vrouw moet betalen,
dan weldat de man de helft van de waarde daarvan aan de vrouw moet betalen;
5.De beoordeling
aan hemde gevorderde bedragen te betalen. Dat is niet toewijsbaar, reeds omdat de man niet stelt dat hij de schuld aan PIT volledig heeft voldaan noch stelt dat hij de schuld aan PIT voor meer dan de helft heeft voldaan. Hij stelt slechts dat hij erop aflost maar stelt niet hoeveel hij heeft afgelost.
bij helftedraagplichtig is voor de schuld bij PIT ten bedrage van € 1.932,60 met daarbij de wettelijke rente vanaf 1 juni 2023, alsmede de proceskosten van € 1.041,83, in totaal € 2.974,43.
“de facturen zien op de kosten van kinderopvang. Deze kosten vallen onder de noemer
op sokken en onder politiebegeleiding” (zoals de vrouw stelt en de man niet heeft betwist) én zij nadien een kort geding heeft moeten voeren om op een later moment nog persoonlijke spullen, kleding en schoenen op te kunnen halen, dat de vrouw die persoonlijke spullen dan niet al eerder (maar na haar vertrek) zou hebben meegenomen als zij voorafgaand aan het kort geding wel grote en zware inboedelstukken heeft kunnen meenemen uit de woning. Het verweer van de man dat de vrouw al inboedelstukken onder zich heef genomen wordt daarom verworpen.
6.De beslissing
3718/638