Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2489

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
C/10/714514 / KG ZA 26-124
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 139 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot intrekking ziekenhuisverbod na bedreiging medewerker

In juli 2025 legde het Albert Schweitzer Ziekenhuis (ASZ) aan eiser een ziekenhuisverbod van een jaar op vanwege een telefonisch geuite bedreiging aan een medewerker. Eiser ontkent de bedreiging, stelt dat het verbod disproportioneel is en vordert intrekking daarvan.

De rechtbank oordeelt dat het ASZ onvoldoende harde bewijzen van de exacte inhoud van het telefoongesprek heeft, maar dat uit de omstandigheden, waaronder de melding van de medewerker aan de beveiliging en haar ziekmelding, aannemelijk is dat eiser bedreigende uitlatingen heeft gedaan. De schijn is tegen eiser.

Het ziekenhuisverbod wordt als gerechtvaardigd en niet disproportioneel beoordeeld, mede omdat het verbod niet geldt voor spoedeisende hulp. Eiser heeft onvoldoende concreet spoedeisend belang bij intrekking van het verbod gesteld. De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot intrekking van het ziekenhuisverbod af wegens onvoldoende spoedeisend belang en aannemelijkheid van de bedreiging.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/714514 / KG ZA 26-124
Vonnis in kort geding van 9 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. T.G.F. Lourents,
tegen
stichting ALBERT SCHWEITZER ZIEKENHUIS,
gevestigd in Dordrecht,
gedaagde,
hierna te noemen: het ASZ,
advocaat: mr. S. Slabbers.

1.De zaak in het kort

Het ASZ heeft in juli 2025 aan [eiser] een ziekenhuisverbod voor een jaar opgelegd. Met dit kort geding komt [eiser] op tegen dat ziekenhuisverbod. Volgens [eiser] heeft hij de door het ASZ gestelde telefonische uitlatingen aan een medewerker van het ASZ niet gedaan. Daarnaast is het verbod volgens [eiser] in strijd met de subsidiariteitsprincipe en aldus disproportioneel. In het kader van dit kort geding is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] de bedoelde uitlatingen heeft gedaan. De voorzieningenrechter oordeelt dat die uitlatingen het opgelegde ziekenhuisverbod rechtvaardigen en voor opheffing daarvan niet van een voldoende (spoedeisend) belang is gebleken.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 februari 2026, met producties 1 tot en met 7;
- de conclusie van antwoord van ASZ, met producties 1 tot en met 9;
- de mondelinge behandeling van 27 februari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
- de pleitnota van [eiser] .

3.De feiten

3.1.
De moeder van [eiser] was terminaal ziek. Tussen 18 juli 2025 en 29 juli 2025 was de moeder van [eiser] in verband daarmee opgenomen in het ASZ.
3.2.
Het ASZ had met de moeder van [eiser] een euthanasiegesprek gepland. Dat gesprek is een keer uitgesteld door het ASZ. [eiser] heeft toen telefonisch contact opgenomen met het ASZ en een medewerker van het ASZ (hierna: de medewerker) gesproken.
3.3.
De medewerker heeft na het telefoongesprek met [eiser] de beveiliging van het ziekenhuis gebeld omdat zij de bejegening door [eiser] als dreigend had ervaren. De beveiliging heeft de medewerker daarover gehoord. Vervolgens heeft de beveiliging de veiligheidscoördinator van het ASZ ingeschakeld. Deze heeft de medewerker nogmaals gehoord. Het ASZ heeft wat tussen [eiser] en de medewerker is voorgevallen intern als incident geregistreerd.
3.4.
Op dezelfde dag als het in 3.2 bedoelde telefoongesprek tussen [eiser] en de medewerker heeft plaatsgevonden, heeft de veiligheidscoördinator (na het de medewerker te hebben gesproken) [eiser] opgebeld en medegedeeld dat hem de toegang tot het ASZ per direct werd verboden.
3.5.
De medewerker heeft zich de volgende dag ziekgemeld. Zij is pas weer aan het werk gegaan nadat de moeder van [eiser] uit het ziekenhuis was ontslagen.
3.6.
Het ASZ heeft aangifte van bedreiging gedaan tegen [eiser] .
3.7.
[eiser] heeft na daartoe een ongeveer anderhalf jaar durend traject te hebben doorlopen, op 22 juli 2025 verlof verkregen voor het bezitten van een klein kaliber wapen.
3.8.
Op 29 juli 2025 is de politie bij [eiser] aan de deur geweest in verband met de aangifte door het ASZ. Het wapen van [eiser] is toen door de korpschef in bewaring genomen.
3.9.
Circa een week na het telefoongesprek tussen [eiser] en de medewerker heeft [eiser] van de raad van bestuur van het ASZ een ziekenhuisontzegging op schrift ontvangen. Deze luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“Betreft:
Ontzegging van de toegang tot het ziekenhuis(conform artikel 139 van Pro het Wetboek van Strafrecht [lokaalvredebreuk])
(…)
(…) datum : 28 juli 2025
Hierbij delen wij u mee dat wij besloten hebben u met ingang van heden de toegang te ontzeggen
tot alle locaties van het Albert Schweitzer ziekenhuisvoor de periode van 1 jaar (tot 28-07-2026) behalve in een spoedeisend geval alleen geldend voor uzelf. Dit op grond van het bedreigen van de oncoloog op 28-07-2025. (…)
De door u geuite bedreiging:

Als dat niet lukt kom ik persoonlijk naar het ziekenhuis en neem ik mijn mes mee en zet ik die op de keel van de oncoloog, zodat er vandaag alsnog een gesprek komt.”
3.10.
Het euthanasiegesprek van de moeder van [eiser] heeft uiteindelijk op 4 augustus 2025 plaatsgevonden. De moeder van [eiser] is op 12 augustus 2025 overleden.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert:
Primair:
1. het ASZ te bevelen de ontzegging ongedaan te maken, aldus, dat schriftelijk door het ASZ aan [eiser] wordt bevestigd dat de ontzegging is ingetrokken en dat [eiser] aldus weer toegang tot alle locaties van het ASZ krijgt, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag dat het ASZ, na betekening van het te wijzen vonnis, in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen;
ll. het ASZ te bevelen om [eiser] , na betekening van het vonnis, daadwerkelijk toe te laten tot alle locaties van het ASZ, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor
elke keer dat het ASZ, aan [eiser] de toegang tot het terrein en de gebouwen van het ASZ weigert;
III. het ASZ te bevelen de signalering betreffende de ziekenhuisontzegging in HiX te verwijderen en verwijderd te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor elke dag dat het ASZ, na betekening van het te wijzen vonnis, in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen;
Subsidiair:
IV. voor het geval de ontzegging niet ongedaan worden gemaakt, het ASZ te bevelen om de
duur van de opgelegde ontzegging in overeenstemming te brengen met de ernst van de
gedraging die aan de ziekenhuisontzegging ten grondslag ligt;
Primair en subsidiair:
V. het ASZ te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris van de advocaat van [eiser] te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening
van het vonnis, en – voor het geval de voldoening van de proceskosten niet binnen de
gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede de nakosten.
4.2.
Het ASZ voert verweer. ASZ concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vorderingen en tot afwijzing van die vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente.

5.De beoordeling

5.1.
Voor toewijzing van een vordering in kort geding is plaats in spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad nodig is. Hierna wordt beoordeeld of in dit geval aan die vereisten voldaan is.
5.2.
Voor een beoordeling van het spoedeisend belang is een inhoudelijke beoordeling van de zaak nodig. Daarom wordt het niet-ontvankelijkheidsverweer verworpen.
5.3.
Met zijn vorderingen wil [eiser] bereiken dat het zeven maanden geleden door het ASZ aan hem opgelegde ziekenhuisverbod wordt ingetrokken. [eiser] legt daaraan ten grondslag dat voor het opleggen van dat verbod aan hem geen goede grond aanwezig was. [eiser] ontkent dat hij de door het ASZ gestelde uitingen tegen de medewerker heeft gedaan. Volgens [eiser] heeft hij geen doodsbedreigingen geuit.
5.4.
Juist is dat het ASZ geen harde bewijzen heeft overgelegd van de inhoud van het telefoongesprek tussen [eiser] en de medewerker. Dat heeft er volgens de onbetwiste stelling van het ASZ mee te maken dat zij als ziekenhuis van de meeste telefoongesprekken geen opnames mag maken. Wat wel vast staat is dat [eiser] op de bewuste dag naar het ziekenhuis heeft gebeld. Uit de stellingen van [eiser] zelf volgt dat hij dat telefoongesprek voerde, omdat hij om verschillende redenen erg ontevreden was over de manier waarop het ASZ met zijn terminaal zieke moeder omging. Voorts stelt [eiser] zelf dat daar de nodige emoties bij kwamen kijken van zijn kant.
5.5.
Ook staat vast dat de medewerker kort na het telefoongesprek de beveiliging heeft gebeld, nog diezelfde dag met de veiligheidscoördinator heeft gesproken en zich heeft ziekgemeld. Dat alles duidt erop dat sprake was van een telefoongesprek dat bij de medewerker zorgen en angst heeft opgewekt. Niet in te zien valt dat de medewerker de beveiliging zou hebben ingeschakeld als daarvoor in haar ogen geen redenen aanwezig waren. In het gesprek met de veiligheidscoördinator heeft de medewerker nogmaals verteld wat [eiser] aan de telefoon had gezegd. Nadat de veiligheidscoördinator hierover telefonisch met [eiser] had gesproken en [eiser] de bedreiging ontkende, heeft de medewerker bij de veiligheidscoördinator haar lezing van het gebeurde gehandhaafd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] gelet op die omstandigheden in dit geval de schijn tegen zich. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op grond van de hiervoor geschetste feiten – erkenning van het telefoongesprek, de ontevredenheid en de emoties en de snelle melding door de medewerker die volhard heeft in wat zij gehoord heeft – dat aannemelijk is dat [eiser] mededelingen van bedreigende aard tegen de medewerker heeft gedaan. Dat uit de stukken volgt, zoals [eiser] heeft gesteld, dat de medewerker zich niet alles meer goed kan herinneren en zich dus misschien de exacte inhoud van het telefoongesprek ook niet meer goed herinnert, vindt de voorzieningenrechter onvoldoende om aan de juistheid van de verklaring van de medewerker te twijfelen. Het ligt voor de hand dat de medewerker zich juist de essentie, de dreigende taal, goed herinnert en andere details mogelijk minder, omdat een bedreiging over het algemeen indruk maakt en voor angst zorgt. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de medewerker alles verzonnen heeft.
5.6.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een bedreiging als hier geuit, voldoende grond voor het opleggen van een ziekenhuisverbod. Ontevredenheid over de gang van zaken of de (medische) behandeling in een ziekenhuis, vormt geen rechtvaardiging voor het doen van dergelijke uitlatingen. Het is gerechtvaardigd dat een ziekenhuis daarop maatregelen neemt.
5.7.
In dit geval heeft het ASZ een verbod voor een jaar opgelegd. Dat acht de voorzieningenrechter gezien de aard van de geuite bedreiging vooralsnog niet disproportioneel. Van dat jaar zijn inmiddels zeven maanden verstreken. [eiser] heeft niet onderbouwd waarom het voor hem nodig is om het verbod nu (nog) van tafel te krijgen. Het verbod geldt namelijk niet voor spoedeisende hulpverlening aan [eiser] . Voor dergelijke hulp kan [eiser] dus bij het ASZ terecht. Dat [eiser] reguliere behandeling in het ASZ nodig heeft of op korte termijn nodig zal hebben is niet aan de orde, zo heeft hij desgevraagd geantwoord. Het feit dat [eiser] jonge kinderen heeft die in theorie (spoedeisende) ziekenhuishulp nodig zouden kunnen hebben, geeft niet een voldoende concreet en spoedeisend belang bij het terzijde stellen van het verbod. Datzelfde geldt voor de ter zitting door [eiser] naar voren gebrachte stelling dat zijn schoonmoeder gezondheidsproblemen heeft die er recent al meerdere keren toe hebben geleid dat zij direct naar het ziekenhuis moest worden gebracht. Niet gebleken is dat er in dat geval geen andere alternatieven zijn voor vervoer naar het ziekenhuis. Integendeel, Drogendijk heeft ter zitting aangegeven dat er dan steeds iemand anders gevraagd moet (en dus blijkbaar ook kan) worden. Het ASZ heeft er bovendien op gewezen dat er op relatief korte afstand andere ziekenhuizen zijn waarvan gebruik gemaakt zou kunnen worden. Gesteld noch gebleken is dat dat voor [eiser] bezwaarlijk is.
5.8.
Volgens het ziekenhuis heeft [eiser] de gelegenheid gehad telefonisch zijn kant van het verhaal te doen. Vooralsnog valt dan ook niet in te zien dat het ASZ op dat punt meer had moeten doen dan zij heeft gedaan alvorens het ziekenhuisverbod op te leggen. Evenmin valt op dit moment in te zien dat het ASZ had moeten besluiten om eerst een waarschuwing te geven. Het is tot op zekere hoogte aan een ziekenhuis om te beoordelen welke maatregelen zij passend vindt als haar gedragscode wordt geschonden. Dat het ASZ direct een ziekenhuisverbod heeft opgelegd en niet eerst een waarschuwing heeft gegeven komt, gezien de ernstige aard van de uitlatingen waarvan in dit kort geding moet worden uitgegaan, niet onterecht voor. Haar interne beleid geeft die ruimte bovendien.
5.9.
Het ziekenhuisverbod heeft kennelijk tot gevolg gehad dat het wapen waarvoor [eiser] juist kort daarvoor verlof had verkregen, is ingenomen. Volgens [eiser] kan hij zijn hobby als schutter nu blijvend niet uitoefenen. [eiser] heeft geen stukken in het geding gebracht die dit kunnen staven. Het ASZ heeft betoogd dat het uitoefenen van zijn hobby door [eiser] nog steeds mogelijk is, namelijk op een schietvereniging met een wapen van de vereniging. [eiser] heeft dat niet tegengesproken. Nu er op dit moment van uit wordt gegaan dat [eiser] de uitlatingen die hebben geleid tot het ziekenhuisverbod heeft gedaan en niet duidelijk geworden is wat precies de gevolgen van dat verbod zijn voor de hobby van [eiser] , ziet de voorzieningenrechter onvoldoende grond voor het treffen van voorziening.
5.10.
Ook de vordering van [eiser] tot het bevelen van het ASZ om de signalering van het ziekenhuisverbod in HiX te verwijderen wordt afgewezen. Vooralsnog is immers onvoldoende aannemelijk dat het verbod ten onrechte is opgelegd.
5.11.
Alle vorderingen van [eiser] worden dus afgewezen.
5.12.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het ziekenhuis worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
6. De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00 en € 189,- aan nakosten te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [eiser] € 98,00 extra betalen plus de kosten van betekening, en wettelijke rente over voornoemde bedragen;
6.3.
verklaart 6.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026.
1861/2009