ECLI:NL:RBROT:2026:2488

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
C/10/714954 / KG ZA 26-154
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253k BWArt. 1:349 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot boedelbeschrijving en verkoop woning in nalatenschapsverdeling

De zaak betreft een kort geding tussen erfgenamen over de verdeling van de nalatenschap van hun moeder, die in 2022 is overleden. De eisers vorderen dat de gedaagde, mede-erfgenaam, een boedelbeschrijving opstelt, inzage geeft in financiële administratie, de woning verlaat en medewerking verleent aan verkoop. De gedaagde beroept zich op een afspraak om de woning voor € 400.000 te kopen.

De rechtbank verleent verstek tegen de gedaagde die niet is verschenen. De wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige erfgenaam wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging van de kantonrechter. De voorzieningenrechter gaat verder uit van de eisende partij [eiser 1].

De vorderingen tot boedelbeschrijving en inzage worden beperkt toegewezen; de gedaagde moet binnen vier weken een boedelbeschrijving opstellen op basis van verificatoire bescheiden, met een dwangsom bij niet-nakoming. De gedaagde krijgt twee maanden om de woning over te nemen tegen de getaxeerde waarde van € 520.000, bij gebreke waarvan hij de woning binnen drie maanden moet verlaten. Daarna mag [eiser 1] de woning verkopen en leveren, waarbij dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste medewerking van de gedaagde.

De gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot het opstellen van een boedelbeschrijving, verlaten van de woning bij niet-overname, en eisende partij wordt gemachtigd tot verkoop van de woning.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/714954 / KG ZA 26-154
Vonnis in kort geding van 9 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,wonend in [woonplaats] ,2. [eiser 2] als wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarige [minderjarige] ,wonend in [woonplaats] ,eisende partijen,

advocaat: mr. A. van Bendegems,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
Eiser sub 1 wordt aangeduid als [eiser 1] , eiseres sub 2 als [eiser 2] , de minderjarige als [minderjarige] en gedaagde als [gedaagde] .

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit een dagvaarding, 9 producties en een pleitnota.
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 27 februari 2026.

2.De feiten

2.1.
[eiser 1] en [minderjarige] zijn de kinderen van de in 2021 overleden [overledene] ( [overledene] ). [overledene] en [gedaagde] zijn/waren de kinderen van [erflaatster] ( [erflaatster] ) die op 20 november 2022 is overleden.
2.2.
[erflaatster] heeft haar twee kinderen als erfgenaam aangewezen. [eiser 1] en [minderjarige] zijn in de plaats van [overledene] getreden. [gedaagde] heeft de nalatenschap zuiver aanvaard, namens [eiser 1] en [minderjarige] is deze beneficiair aanvaard.
2.3.
Namens [eiser 1] en [minderjarige] is [gedaagde] meegedeeld dat de nalatenschap van [erflaatster] moet worden vereffend en is hij, omdat hij over (onder meer) de bankafschriften beschikt, verzocht om gegevens met het oog op een boedelbeschrijving. Daarbij is ook meegedeeld dat hij een vergoeding moet gaan betalen voor het gebruik dat hij maakt van de woning van [erflaatster] ( [adres] ) en is hij, ervan uitgaande dat hij niet in staat is om die woning over te nemen, gesommeerd om medewerking te verlenen aan verkoop van de woning.
2.4.
[gedaagde] heeft zich er in juni 2025 op beroepen dat hij met [overledene] heeft afgesproken dat hij de woning kon kopen voor € 400.000,00.

3.3. Het geschil

3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen, kort gezegd, om [gedaagde] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot het opstellen van een boedelbeschrijving, tot het verschaffen van inzage in de volledige (financiële) administratie, om binnen twee maanden de woning te verlaten, hen te machtigen om de verkoop van de woning ter hand te nemen en in dat kader dit vonnis zo nodig in de plaats te laten treden van de vereiste toestemming, medewerking en/of handtekening van [gedaagde] , voorts te bepalen dat de netto-verkoopopbrengst bij helfte tussen partijen wordt gedeeld en ten slotte [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2.
[eiser 1] en [eiser 2] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat de nalatenschap moet worden vereffend maar dat daar drie jaar na het overlijden van [erflaatster] nog geen start mee gemaakt is. Zij hebben belang bij een boedelbeschrijving en de opgevraagde gegevens omdat zij hun vordering op de nalatenschap moeten kunnen vaststellen. In dat kader willen zij [gedaagde] een termijn van twee maanden gunnen om de woning tegen de getaxeerde waarde van € 520.000,00 – zij betwisten een afspraak over overname voor € 400.000,00 – over te nemen, tegen betaling van € 260.000,00. Als overname niet mogelijk is, moet de woning worden verkocht.

4.De beoordeling

Verstekverlening
4.1.
[gedaagde] is niet verschenen. Hij is op de juiste wijze voor dit kort geding opgeroepen. Het gevraagde verstek wordt daarom verleend.
[eiser 2] is niet-ontvankelijk
4.2.
In de aanhef van de dagvaarding staat dat [eiser 2] optreedt als wettelijk vertegenwoordigster van [minderjarige] . Een ouder die als eisende partij in rechte optreedt voor het minderjarige kind heeft op grond van artikel 1:253k BW, gelezen in samenhang met artikel 1:349 lid 1 BW Pro, een machtiging van de kantonrechter nodig. Een dergelijke machtiging ontbreekt. Opgemerkt wordt dat [eiser 2] wel een machtiging ten behoeve van [minderjarige] zal moeten vragen voor alle rechtshandelingen die hierna ten gunste van [eiser 1] worden toegewezen. Aangenomen moet worden dat zonder die machtiging de, eventuele, verkoop en levering van de woning, niet mogelijk zal blijken te zijn.
4.3.
De voorzieningenrechter gaat bij de verdere beoordeling uit van [eiser 1] als eisende partij. De toets in een verstekzaak is of de vorderingen de (voorzieningen)rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomen. Dat is hier voor een deel het geval. Daarbij wordt opgemerkt dat uit wat hiervoor is overwogen blijkt dat de vorderingen namens [minderjarige] volledig worden ondersteund. Het spoedeisend belang – [gedaagde] heeft, naar moet worden aangenomen, de beschikking over alle informatie over [erflaatster] en tot op heden de beschikking over haar volledige nalatenschap en doet al ruim drie jaar niets – brengt met zich dat met dat het feit dat alleen [eiser 1] overblijft als eisende partij – in afwachting van een machtiging van de kantonrechter – niet in de weg staat aan toewijzing.
De boedelbeschrijving en de gevorderde inzage (vorderingen a en b)
4.4.
Gevorderd wordt een boedelbeschrijving aan de hand van verificatoire bescheiden, inzage in de volledige financiële administratie en overige bescheiden, en een afschrift van erflaatster over de laatste vijf jaren voor haar overlijden, om te kunnen bepalen hoe groot de omvang van de nalatenschap van [erflaatster] is. Deze vorderingen a en b lijken een overlap te vertonen, zijn deels onbepaalbaar en veel te vaag. Zo is niet duidelijk wat wordt bedoeld met een afschrift van erflaatster of met overige bescheiden (beide onderdeel van vordering b). Daardoor kan (ook) de vermoede overlap met verificatoire bescheiden in vordering a niet worden vastgesteld. De vorderingen onder a en b zijn daarom maar beperkt toewijsbaar. [gedaagde] wordt veroordeeld om een boedelbeschrijving op te maken aan de hand van verificatoire bescheiden. Tot die bescheiden behoren uitsluitend de stukken waaruit blijkt van de banksaldi van [erflaatster] op de dag van overlijden, een overzicht van alle roerende zaken, de WOZ-waarde van de woning op het moment van overlijden en een overzicht van eventuele schulden, waaronder een hypotheekschuld. Omdat deze gegevens al meermaals aan [gedaagde] gevraagd zijn en hij op dat punt niet thuis geeft, wordt aan de veroordeling een dwangsom, als prikkel tot nakoming verbonden. Daarnaast wordt [gedaagde] een termijn gegund om de boedelbeschrijving op te stellen.
De vordering om de woning te verlaten (vordering c)
4.5.
Met deze vordering wordt – blijkens de toelichting ter zitting – beoogd om [gedaagde] een termijn van twee maanden te gunnen om de woning over te nemen tegen de getaxeerde prijs van € 520.000,00. Vooropgesteld zij dat nog niet kan worden aangenomen dat [gedaagde] de woning niet kan overnemen omdat nergens uit blijkt dat daar al enig onderzoek naar gedaan is. Daarvan uitgaande komt een periode van twee maanden om te bezien of dat toch kan de voorzieningenrechter als wat kort voor. Dat [gedaagde] de woning moet verlaten voordat deze wordt verkocht en geleverd, komt de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden op zichzelf beschouwd niet onrechtmatig of ongegrond voor.
Verkoop van de woning met bijbehorende nevenvorderingen (vorderingen d, e en f)
4.6.
Vordering d wordt zo begrepen dat bedoeld is een machtiging voor verkoop van de woning te vorderen, na ommekomst van de hiervoor in 4.5. bedoelde periode zonder overname door [gedaagde] . Die vordering komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt toegewezen zoals blijkt uit de beslissing hierna. Reële executie voor verkoop en levering (vorderingen d en e) is ook toewijsbaar. Herhaald zij dat dit niet wegneemt dat voor daadwerkelijke realisatie daarvan, een machtiging van de kantonrechter ten behoeve van [minderjarige] vereist zal zijn. Vordering f is declaratoir en daarom, in kort geding, niet toewijsbaar. Daar komt nog bij dat verdeling van de netto-verkoopopbrengst van de woning de voorzieningenrechter prematuur voorkomt in de situatie dat er nog geen boedelbeschrijving is.
Proceskosten
4.7.
[gedaagde] heeft de afgelopen jaren nergens op gereageerd. Dit kort geding was voor [eiser 1] nodig om [gedaagde] te kunnen gaan dwingen mee te werken aan een start van de vereffening van de nalatenschap. Dat is reden om [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure. Die kosten worden begroot op
€ 153,02 aan dagvaardingskosten, € 341,00 aan griffierecht en € 760,00 aan salaris advocaat (totaal: € 1.254,02).

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
verklaart [eiser 2] niet-ontvankelijk in haar vorderingen;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis een boedelbeschrijving op te maken, aan de hand van verificatoire bescheiden genoemd in 4.4. van dit vonnis, van de nalatenschap van erflaatster [erflaatster] en deze aan [eiser 1] te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 ineens en
€ 250,00 per dag dat [gedaagde] niet voldoet aan deze veroordeling, een en ander tot een maximum van € 50.000,00;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om de woning [adres] te verlaten binnen drie maanden na betekening van dit vonnis, indien hij binnen die termijn niet heeft aangetoond financieel in staat te zijn om de woning over te nemen;
5.4.
bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 ineens en
€ 100,00 voor iedere dag dat hij niet voldoet aan de veroordeling in 5.3, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt;
5.5.
machtigt [eiser 1] om de verkoop en levering van de woning [adres] ter hand te nemen zodra drie maanden na betekening van dit vonnis zijn verstreken en [gedaagde] in die periode niet heeft aangetoond financieel in staat te zijn om de woning over te nemen;
5.6.
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring en/of medewerking en/of handtekening en/of andere noodzakelijke handelingen van [gedaagde] ter zake van de koopovereenkomst en de akte van levering strekkende tot de eigendomsoverdracht van de woning [adres] ;
5.7.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de
zijde van [eiser 1] begroot op € 153,02 aan dagvaardingskosten, € 341,00 aan griffierecht en € 760,00 aan salaris advocaat (totaal: € 1.254,02) te vermeerderen met
€ 189,- aan nakosten te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 98,00 extra betalen plus de kosten van betekening;
5.8.
verklaart onderdelen 5.2. tot en met 5.7. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026.
[2009/1861]