ECLI:NL:RBROT:2026:2477

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
ROT 26/1853
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1.1 Wmo 2015Art. 1.2.1 Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor maatschappelijke opvang na afwijzing college

Verzoekster, samen met haar drie minderjarige kinderen, is vanuit Sint-Maarten naar Nederland gekomen vanwege huiselijk geweld. Na aankomst bleek haar woonruimte niet beschikbaar en verbleef zij tijdelijk als bankslaper bij een kennis. Het college wees haar aanvraag voor maatschappelijke opvang af omdat zij zelfredzaam zou zijn. Verzoekster stelde dat zij en haar gezin niet zelfredzaam zijn vanwege onverwerkt trauma en gedragsproblemen bij haar kinderen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake is van een spoedeisend belang omdat verzoekster en haar gezin op 5 maart 2026 het hotel moeten verlaten en anders dakloos worden. Gezien de problematiek binnen het gezin, waaronder het onverwerkte trauma en de gedragsproblemen van de oudste zoon, weegt het belang van verzoekster zwaarder dan dat van het college.

De voorzieningenrechter treft daarom een voorlopige voorziening en bepaalt dat het college opvang moet verlenen vanaf 5 maart 2026 tot twee weken na de beslissing op bezwaar. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak is bindend maar heeft een voorlopig karakter en er is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het college moet vanaf 5 maart 2026 maatschappelijke opvang verlenen aan verzoekster en haar drie kinderen tot twee weken na de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/1853
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit Rotterdam, verzoekster

(gemachtigden: mr. J. Nieuwstraten en mr. M. Gommans),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. D. Gogar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster tot toelating tot de maatschappelijke opvang. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening.
2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

3. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor toegang tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 22 januari 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
3.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigden en de gemachtigde van het college.
3.2.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?

4. Verzoekster is met haar drie minderjarige kinderen op 16 juli 2025 vanuit Sint-Maarten naar Nederland gekomen vanwege huiselijk geweld door haar ex-partner. Dit huiselijk geweld bestond uit psychische mishandeling, stalking en een poging verkrachting. Verzoekster had werk en onderkomen geregeld in Nederland. Bij aankomst in Nederland bleek de verhuurder van de woning, anders dan hij met verzoekster had afgesproken, de woning niet te verlaten. Verzoekster is vervolgens op zoek gegaan naar alternatieve woonruimte en kon vanaf 1 augustus 2025 op het adres aan [adres] verblijven. Zij heeft zich met het gezin op dit adres ingeschreven. Nadat de woning is verkocht, heeft verzoekster met haar gezin sinds eind november 2025 tot 20 februari 2026 als bankslaper bij een kennis in Rotterdam verbleven. Verzoekster heeft zich drie maal gemeld bij Centraal Onthaal, op 22 januari, 11 februari en 20 februari 2026. Bij de laatste twee aanvragen heeft verzoekster zich gemeld met de hulp van stichting Binnenslapers. Vanaf 20 februari 2026 verblijft verzoekster met haar gezin in een hotel dat wordt bekostigd door het wijkteam. Op 5 maart 2026 dienen zij het hotel te verlaten.
Waar gaat het om in deze zaak?
5. Het college heeft de aanvraag van verzoekster om maatschappelijke opvang met het besluit van 22 januari 2026 afgewezen, omdat verzoekster zelfredzaam zou zijn. Verzoekster is het niet eens met dit besluit. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat aan haar gezin per direct (nood)opvang wordt verstrekt.
Spoedeisend belang
6. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening is voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
7. Verzoekster verblijft momenteel met haar gezin in een hotel dat is geregeld via het wijkteam. Op 5 maart 2026 dienen zij het hotel te verlaten en komen zij op straat te staan. Hiermee is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter een spoedeisend belang.
Inhoudelijke beoordeling
8. Een inwoner van Nederland komt – kort gezegd – in aanmerking voor opvang op grond van de Wmo 2015 als hij of zij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn of haar veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of met hulp van andere personen uit diens sociale netwerk te handhaven in de samenleving. In zo’n geval is iemand niet zelfredzaam. [1]
9. Verzoekster heeft laten zien dat zij doorgaans wel zelfredzaam is. Zij weet doorgaans (met hulp) de juiste loketten te vinden en had voor aankomst in Nederland werk en onderkomen geregeld. De voorzieningenrechter heeft echter twijfels of het gezin op dit moment zelfredzaam is. Verzoekster is slachtoffer van huiselijk geweld en kampt als gevolg daarvan met een onverwerkt trauma. Ook over de minderjarige kinderen, met name over de oudste zoon, zijn er zorgen. Op het ‘Formulier intake CO’ staat vermeld dat vanwege het drukke gedrag en de concentratieproblemen van haar zonen verzoekster en de school vermoeden dat er mogelijk meer speelt en dat zij hiervoor nog worden onderzocht. Op de zitting heeft verzoekster verklaard dat het niet goed gaat met haarzelf en haar kinderen. Ook uit de journaalregels die in het dossier zijn opgenomen, komt naar voren dat er meer problematiek speelt. In de periode na de aanvraag en het bestreden besluit van 22 januari 2026 worden meerdere problemen beschreven: opvoedproblematiek, niet-verwerkt trauma, gedrags- en leerproblemen bij de twee zoons, waarbij de school bij de oudste zoon aanleiding ziet om nader onderzoek te doen. De voorzieningenrechter leidt uit dit alles af dat verzoekster mogelijk een bredere hulpvraag heeft dan alleen een huisvestingsprobleem. Het ligt op de weg van het college om in de bezwaarprocedure nader onderzoek te doen naar de problemen binnen het gezin. Op zitting heeft de gemachtigde van het college ook aangegeven dat de gemeente actief onderzoekt op welke manier onderdak kan worden gegeven aan verzoekster en haar gezin.
10. De voorzieningenrechter moet op dit moment een belangenafweging maken. Verzoekster verblijft op kosten van het wijkteam in een hotel, maar deze bekostiging stopt op 5 maart 2026 waarmee verzoekster en haar gezin op straat komen te staan. De voorzieningenrechter vindt daarom dat de belangen van verzoekster, met name gelet op de situatie rondom haar oudste zoon, zwaarder wegen dan de belangen van het college. Zij ziet daarom aanleiding om tegemoet te komen aan het verzoek om een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter treft de voorlopige voorziening dat het college aan verzoekster en haar drie kinderen, vanaf het moment dat zij het hotel dienen te verlaten (5 maart 2026), opvang dient te verlenen tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
12. De voorzieningenrechter wijst verzoekster er wel op dat de uitkomst van het onderzoek in bezwaar ook kan zijn dat het gezin niet voldoet aan de criteria voor maatschappelijke opvang. Het is daarom aan te raden dat verzoekster op zoek blijft gaan naar een eigen woonruimte.
13. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van de gemaakte proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigden hebben het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
14. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • bepaalt dat het college vanaf 5 maart 2026 aan verzoekster en haar drie kinderen opvang dient te verlenen tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op het bezwaarschrift;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026 door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dat blijkt uit de definitie van het begrip ‘opvang’ in artikel 1.1.1, aanhef en eerste lid, en uit artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015.