Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2474

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
C/10/697467 / HA ZA 25-308
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:72 BWArt. 5:73 BWArt. 5:78 BWArt. 5:79 BWArt. 6:2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over het bestaan en de omvang van een erfdienstbaarheid van weg tussen Bovast en buren

Bovast vordert bevestiging van een erfdienstbaarheid van weg gevestigd bij notariële akte in 1998 ten dienste van haar perceel en ten laste van het perceel van [gedaagden]. [gedaagden] betwisten het bestaan en de omvang van deze erfdienstbaarheid en vorderen onder meer wijziging van de erfdienstbaarheid en beperkingen in het gebruik.

De rechtbank stelt vast dat de erfdienstbaarheid rechtsgeldig is gevestigd en nog steeds bestaat, ondanks dat deze niet in de leveringsakte van [gedaagden] is vermeld. De inhoud en omvang van de erfdienstbaarheid worden bepaald door de akte en de plaatselijke gewoonte, waarbij ook de wijze van uitoefening van belang is. Partijen verschillen over de uitleg, met name over het gebruik van zware voertuigen en de frequentie van gebruik.

De rechtbank vraagt partijen om nadere informatie over de planologische bestemming van het perceel van Bovast en de schuur, omdat dit relevant kan zijn voor de uitleg van de erfdienstbaarheid. Ook de vorderingen in reconventie, waaronder wijziging van de erfdienstbaarheid en beperkingen in het gebruik, worden aangehouden voor nadere onderbouwing.

De rechtbank wijst erop dat [gedaagden] een verleggingsrecht hebben om de erfdienstbaarheid te verplaatsen, mits dit geen vermindering van genot voor Bovast oplevert. De vorderingen tot wijziging en beperkingen worden voorlopig niet toegewezen vanwege onvoldoende onderbouwing en praktische bezwaren. De zaak wordt aangehouden voor nadere stukken en een vervolgrol.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt het bestaan van de erfdienstbaarheid van weg maar houdt de beoordeling van de omvang en de vorderingen aan voor nadere informatie van partijen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/697467 / HA ZA 25-308
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
BOVAST B.V.,
gevestigd in Bleiswijk,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: Bovast,
advocaat: mr. C. Houth te Volkel,
tegen

1.[gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] ,

beiden wonend in [plaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in voorwaardelijke reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. C.A. Gobbens te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 april 2025, met producties 1 t/m 23;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties 1 t/m 9;
- de brief van de rechtbank waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is
bepaald;
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 24 t/m 27;
- de akte overlegging productie van [gedaagden] , met productie 10;
- de mondelinge behandeling op 16 oktober 2025;
- de spreekaantekeningen van [gedaagden] ;
- de akte uitlaten van [gedaagden] ;
- de akte uitlaten van Bovast.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten, in conventie en in reconventie

2.1.
Bij notariële akte van 30 november 1998 (hierna: de Akte) heeft [naam 1] (hierna: [naam 1] ) aan [naam 2] (hierna: [naam 2] ) in eigendom overgedragen:
“een perceel tuinland gelegen aan de [adres] te [plaats] , deel uitmakende van het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats] , [sectie] , nummer [kadastraal nummer 1] , (…) begrensd door de achterzijde van de tuinbouwschuur tussen de percelen kadastraal bekend gemeente [plaats] , [sectie] , nummer [kadastraal nummer 2] en nummer [kadastraal nummer 3] , zoals met diagonale arcering is aangegeven op een aan deze akte gehechte situatietekening, (…) door koper te gebruiken als tuinland.”
Aan de Akte is de volgende situatietekening gevoegd:
Verder staat in de Akte:
“Bij deze wordt de navolgende erfdienstbaarheid gevestigd:
Ten dienste van het hierbij overgedragen gedeelte van het kadastrale perceel gemeente [plaats] [kadastraal nummer 2] en ten laste van het aan verkoper verblijvende gedeelte van ditzelfde kadastrale perceel wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van weg om ongehinderd te komen van en te gaan naar de openbare weg op de voor het lijdend erf minst bezwarende wijze.”
Bij de overdracht is perceelnummer [kadastraal nummer 2] kadastraal gesplitst in de percelen met nummer [kadastraal nummer 4] en [kadastraal nummer 5] , waarbij [naam 2] eigenaar werd van perceel [kadastraal nummer 5] en [naam 1] eigenaar bleef van perceel [kadastraal nummer 4] . Perceel [kadastraal nummer 6] is later ontstaan uit perceel [kadastraal nummer 5] . Perceel [kadastraal nummer 7] is later ontstaan uit perceel [kadastraal nummer 4] . Op zowel perceel [kadastraal nummer 6] als perceel [kadastraal nummer 7] staat een schuur.
2.2.
Op 3 mei 2006 heeft [naam 2] perceel [kadastraal nummer 6] in eigendom overgedragen aan Bovast.
[naam 3] (hierna: [naam 3] ) is indirect aandeelhouder en bestuurder van Bovast.
2.3.
Op 30 september 2016 heeft de weduwe van [naam 1] perceel [kadastraal nummer 7] , samen met het daarnaast gelegen perceel [kadastraal nummer 3] (waarop een woning staat) geleverd aan V.O.F. Efforke (hierna: Efforke). Op 31 januari 2023 heeft Efforke percelen [kadastraal nummer 7] en [kadastraal nummer 3] geleverd aan [gedaagden]
2.4.
Bij brief van 23 juli 2024 heeft de advocaat van Bovast aan [gedaagden] meegedeeld dat [gedaagden] onrechtmatig handelen door Bovast te belemmeren in de uitoefening van de erfdienstbaarheid. [gedaagden] zijn gesommeerd om de erfdienstbaarheid van weg door Bovast te dulden.
2.5.
Bij brief van 11 september 2024 heeft de advocaat van [gedaagden] geantwoord dat hij vraagtekens zet bij het bestaan van de erfdienstbaarheid, de inhoud en de omvang van de erfdienstbaarheid.
2.6.
Partijen hebben verdere correspondentie gevoerd en overleg gehad. Dat heeft niet geleid tot een overeenstemming.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
Bovast vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te verklaren voor recht dat ten dienste van het perceel, kadastraal bekend als gemeente [plaats] , [sectie] , perceelnummer [kadastraal nummer 6] en ten laste van het perceel, kadastraal bekend als gemeente [plaats] , [sectie] , perceelnummer [kadastraal nummer 7] , de erfdienstbaarheid van weg om ongehinderd te komen van en te gaan naar de openbare weg op de voor het lijdend erf minst bezwarende wijze bij akte van 30 november 1998 is gevestigd;
II. [gedaagden] te gelasten om de erfdienstbaarheid van weg te respecteren en Bovast, alsmede [naam 3] en zijn familieleden, haar medewerkers, leveranciers, bezoekers en door Bovast ingeschakelde derde(n) die voor haar werkzaamheden en/of diensten op het perceel verrichten, de vrije doorgang (te voet, per (motor)fiets, motorrijtuigen, waaronder personenauto’s, bussen, bedrijfsauto’s, (zware) vrachtwagens, en aanhangwagens, en andere voertuigen) te verschaffen en te blijven verschaffen, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagden] zich niet houden aan deze veroordeling, met een maximum van € 50.000,00;
III. [gedaagden] te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Bovast dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Bovast, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Bovast in de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
In voorwaardelijke reconventie
3.3.
Indien de rechtbank van oordeel is dat een erfdienstbaarheid van weg ten laste van perceel [kadastraal nummer 7] en ten behoeve van perceel [kadastraal nummer 6] bestaat, vorderen [gedaagden] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te wijzigen de erfdienstbaarheid zoals gevestigd bij de Akte in die zin dat deze enkel nog mag worden uitgeoefend op het in blauw aangewezen gedeelte van het perceel zoals aangeduid in de afbeelding onder randnummer 6.4 van de conclusie van antwoord;
II. Bovast te gebieden perceel [kadastraal nummer 6] uitsluitend via de percelen met nummers [kadastraal nummer 8] en [kadastraal nummer 9] te bereiken zo lang het redelijk belang bij uitoefening van de erfdienstbaarheid van weg niet is teruggekeerd, dus totdat dit feitelijk niet meer over de eigen percelen van Bovast mogelijk is;
III. Bovast te verbieden te parkeren op perceel [kadastraal nummer 7] ;
IV. Bovast te gebieden de erfdienstbaarheid van weg op de minst bezwarende wijze uit te oefenen, dat wil zeggen dat (i) de maximale snelheid een snelheid van 10 kilometer per uur dient te zijn tijdens de uitoefening van de erfdienstbaarheid van weg, (ii) dat niet achteruit mag worden gereden over perceel [kadastraal nummer 7] tijdens de uitoefening van de erfdienstbaarheid van weg, (iii) dat maximaal een strook met een breedte van 2,75 meter wordt gebruikt bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid van weg en (iv) dat de erfdienstbaarheid van weg niet mag worden uitgeoefend vóór 8:00 uur 's ochtends en na 20:00 uur 's avonds;
V. Bovast te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere, van een op voet van het gevorderde sub II, III en IV uit te spreken hoofdveroordeling waaraan zij niet voldoet, elk te vermeerderen met € 500,00 voor elke dag waarop Bovast zich niet aan die hoofdveroordeling houdt, met een maximum van € 100.000,00;
VI. Bovast te veroordelen in de kosten van het geding en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.4.
Bovast concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagden] dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.De beoordeling in conventie

Vordering I: Is er een erfdienstbaarheid gevestigd?
4.1.
Bovast legt aan de gevorderde verklaring voor recht ten grondslag dat in de Akte een erfdienstbaarheid van weg is gevestigd ten dienste van (het huidige) perceel [kadastraal nummer 6] en ten laste van (het huidige) perceel [kadastraal nummer 7] .
4.2.
[gedaagden] zetten vraagtekens bij het bestaan van de gestelde erfdienstbaarheid.
Zij wijzen er op dat in de leveringsakte van 31 januari 2023, op grond waarvan zij percelen [kadastraal nummer 3] en [kadastraal nummer 7] in eigendom hebben verkregen, niets is vermeld over een erfdienstbaarheid ten laste van perceel [kadastraal nummer 7] . Verder stellen [gedaagden] dat de executeur van de erven [naam 2] heeft voorgelezen, in het bijzijn van [naam 3] , dat de erfdienstbaarheid een voetpad en lorriepad betreft. Hiermee zijn alle betrokkenen destijds akkoord gegaan. En dat is in lijn met de akte van levering van [gedaagden]
Daarnaast betwisten [gedaagden] dat Bovast altijd ongehinderd gebruik heeft kunnen maken van de erfdienstbaarheid van weg. Meerdere rechtsvoorgangers bevestigen dat. [naam 4] (hierna: [naam 4] ), vennoot van Efforke, kan verklaren dat hij het rijden over perceel [kadastraal nummer 7] door Bovast altijd heeft gedoogd maar niet op basis van erfdienstbaarheid. [naam 1] kan bevestigen dat Bovast en ook [naam 2] altijd toestemming vroegen om over perceel [kadastraal nummer 7] te rijden, aldus [gedaagden]
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat een erfdienstbaarheid kan ontstaan door vestiging daarvan in een notariële akte en inschrijving in de openbare registers (artikel 5:72 BW Pro). In de Akte is vermeld dat een erfdienstbaarheid van weg wordt gevestigd ten dienste van het deel van perceel [kadastraal nummer 2] dat wordt overgedragen aan [naam 2] en ten laste van het deel van perceel [kadastraal nummer 2] dat in eigendom van [naam 1] blijft. Niet in geschil is dat perceel [kadastraal nummer 6] is ontstaan uit het verkochte deel van perceel [kadastraal nummer 2] (het heersende erf) en dat perceel [kadastraal nummer 7] is ontstaan uit het niet-verkochte deel (het dienende erf). Een authentieke akte levert op grond van artikel 157 Rv Pro dwingende bewijskracht op. Dat betekent dat de rechtbank in beginsel uitgaat van de juistheid van de inhoud van de Akte, behoudens tegenbewijs. [gedaagden] hebben vraagtekens gezet bij de volmachten van [naam 1] en [naam 2] voor het passeren van de Akte, maar verbinden daar geen gevolgen aan. Voor zover zij daarmee bedoelen te betogen dat de akte niet rechtsgeldig is gepasseerd, wordt daaraan voorbij gegaan. [gedaagden] hebben nagelaten hun stelling nader toe te lichten en te onderbouwen, zodat (tegen)bewijsvoering niet aan de orde is. Nu de Akte is ingeschreven in de openbare registers van het Kadaster, staat voldoende vast dat de gestelde erfdienstbaarheid van weg op basis van de Akte is gevestigd.
4.4.
In de erfdienstbaarheid is geen looptijd opgenomen, zodat zij voor onbepaalde tijd geldig is. Dat de erfdienstbaarheid van weg niet is opgenomen in de leveringsakte waarmee [gedaagden] percelen [kadastraal nummer 3] en [kadastraal nummer 7] in eigendom hebben verkregen, staat niet aan het (voort)bestaan van de erfdienstbaarheid in de weg. Na de vestiging van de erfdienstbaarheid bij de splitsing in 1998 zou bij een latere overdracht van het dienende erf een onderzoek naar erfdienstbaarheden ertoe hebben kunnen leiden dat de erfdienstbaarheid in de akte van verkrijging was opgenomen, maar dat is blijkbaar niet aan de orde.
De eigenaar van het dienende erf kan een wijziging of beëindiging van de erfdienstbaarheid alleen bewerkstelligen door daartoe afspraken te maken met de eigenaar van het heersende erf en die afspraken vast te laten leggen in een notariële akte dan wel door een vordering tot wijziging of opheffing van de erfdienstbaarheid in te stellen bij de rechter op de voet van artikel 5:78 BW Pro. Dat is niet gebeurd.
4.5.
De stelling van [gedaagden] dat alle betrokkenen destijds het er over eens waren dat de erfdienstbaarheid een voetpad en lorriepad betreft, leidt niet tot een ander oordeel.
Nog daargelaten dat die afspraak niet vast is komen te staan – Bovast meent dat de afspraken over een voet- en lorriepad betrekking hebben op andere percelen, en [gedaagden] laten na hun stelling te onderbouwen – heeft te gelden dat een dergelijke afspraak niet tot een wijziging van de erfdienstbaarheid leidt nu dat nimmer notarieel is vastgelegd. Hetzelfde geldt voor de betwisting van [gedaagden] dat Bovast ongehinderd gebruik heeft kunnen maken van de erfdienstbaarheid van weg. Zij verwijzen daartoe naar verklaringen van hun rechtsvoorgangers. Die verklaringen – die overigens niet zijn overgelegd en waarvan Bovast de juistheid betwist – gaan over de wijze waarop Bovast en [naam 2] de weg in het verleden hebben gebruikt. De gestelde wijze van gebruik kan niet leiden tot het tenietgaan van de bestaande erfdienstbaarheid.
4.6.
De conclusie is dat met de Akte een erfdienstbaarheid van weg is gevestigd ten dienste van (het huidige) perceel [kadastraal nummer 6] en ten laste van (het huidige) perceel [kadastraal nummer 7] en dat deze erfdienstbaarheid nog steeds bestaat. Vordering I. is dan ook toewijsbaar.
Vordering II: Wat is de omvang van de erfdienstbaarheid?
4.7.
Het volgende geschilpunt ziet op de omvang van de erfdienstbaarheid. In de Akte is de gevestigde erfdienstbaarheid omschreven als “
de erfdienstbaarheid van weg om ongehinderd te komen van en te gaan naar de openbare weg op de voor het lijdend erf minst bezwarende wijze”. Partijen verschillen van mening over de uitleg van die bepaling.
4.8.
Bovast betoogt dat zij het recht heeft om met motorrijtuigen – zoals personenauto’s, bussen, bedrijfsauto’s, (zware) vrachtwagens, aanhangwagens en andere voertuigen – over het dienende erf te rijden, alsmede over het erf te fietsen en te lopen. Een weg is volgens haar mede bedoeld om er met auto’s en vrachtwagens over heen te rijden. De vestigingsakte bevat geen enkele beperking ten aanzien van de omvang en/of het gewicht van de voertuigen.
Verder wijst Bovast er op dat het recht ook voortvloeit uit de plaatselijke gewoonte, aangezien zij jarenlang (sinds 2006) en zonder enige tegenspraak met (zware) motorvoertuigen over de weg heeft gereden om de openbare weg te bereiken. Ook [naam 2] heeft de erfdienstbaarheid op dezelfde wijze uitgeoefend. Ter onderbouwing heeft Bovast schriftelijke verklaringen overgelegd van verschillende derden.
4.9.
[gedaagden] menen dat de bewoording “
het recht van weg” alleen ziet op het recht om per auto en per voet over de perceelsgedeelten te gaan. Daaronder valt niet het agrarisch gebruik of het gebruik met groter materieel zoals een vrachtwagen. Verder betwisten [gedaagden] dat Bovast en haar rechtsvoorganger al die jaren te goeder trouw en zonder tegenspraak de erfdienstbaarheid met zwaar materieel hebben uitgeoefend. [naam 4] , de rechtsvoorganger van [gedaagden] , kan verklaren dat hij heeft gedoogd dat Bovast gebruik maakte van zijn perceel maar dat dit gebruik niet op basis van een erfdienstbaarheid was gebaseerd.
[gedaagden] blijven bij hun standpunt dat het volgens [naam 1] niet de bedoeling was dat anderen dan [naam 2] gebruik maakten van de weg om zijn perceel te bereiken. Bezoekers aan [naam 2] moesten eerst toestemming van [naam 1] vragen of zij over zijn perceel konden rijden naar het perceel van [naam 2] , zo stellen [gedaagden]
4.10.
Uit artikel 5:73 lid 1 BW Pro volgt dat de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening worden bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Is een erfdienstbaarheid te goeder trouw geruime tijd zonder tegenspraak op een bepaalde wijze uitgeoefend, dan is in geval van twijfel deze wijze van uitoefening beslissend.
4.11.
Het juridisch kader brengt met zich dat de rechtbank zich eerst een oordeel vormt over de omvang van de erfdienstbaarheid die volgt uit de uitleg van de Akte. Daarna moet worden beoordeeld of de Akte nog ruimte biedt om voor het bepalen van de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening te kijken naar de plaatselijke gewoonte en, bij twijfel daarover, naar de wijze waarop een erfdienstbaarheid te goeder trouw geruime tijd zonder tegenspraak op een bepaalde wijze is uitgeoefend.
4.12.
Bij de uitleg van de inhoud van de erfdienstbaarheid komt het aan op de partijbedoeling voor zover die in de notariële akte tot uitdrukking is gebracht en die moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte (HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1889, r.o. 3.2.2). Tegelijkertijd geldt dat de rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid van artikel 6:2 BW Pro.
4.13.
De rechtbank stelt vast dat in de bepaling over het vestigen van de erfdienstbaarheid geen beperkingen zijn opgenomen over de wijze waarop het recht om “
ongehinderd te komen van en te gaan naar de openbare weg” kan worden uitgeoefend. Wel is aan het begin van de Akte, bij de omschrijving van het registergoed, vermeld dat het gaat om een perceel tuinland en dat de koper het als tuinland gaat gebruiken (zie overweging 2.1.), evenwel zonder toelichting en zonder iets over een schuur te zeggen. Op de zitting heeft Bovast gesteld dat de (/een) schuur er al stond ten tijde van de splitsing in 1998, wat steun vindt in de bij de Akte behorende situatieschets zoals opgenomen in 2.1.
In het kader van de uitleg van de partijbedoeling naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte, roept dit de vraag op of het genoemde gebruik als tuinland iets zegt over de partijbedoeling. De zinsnede lijkt een indicatie op te leveren dat [naam 1] en [naam 2] de erfdienstbaarheid hebben gevestigd met het oog op het gebruik van het heersende erf (en de daarop staande schuur) als tuinland. De vraag of de zinsnede van betekenis is voor de bedoeling van [naam 1] en [naam 2] ten aanzien van de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid, wat het gebruik als tuinland concreet inhoudt en welke gevolgen dat heeft voor de wijze waarop de weg wordt gebruikt (lees: met welke voertuigen er overheen mag worden gereden, door wie en met welke frequentie), is ter zitting echter onderbelicht gebleven. Partijen, eerst Bovast en daarna [gedaagden] , worden in de gelegenheid gesteld om zich daarover uit te laten.
4.14.
Daarnaast is op de zitting nog een punt aan de orde gekomen dat mogelijk van belang is voor de beoordeling.
4.15.
Op de zitting heeft Bovast toegelicht dat zij zich bezighoudt met de verhuur en het renoveren van huizen en dat zij de schuur bedrijfsmatig gebruikt als opslag voor bouwmaterialen. [gedaagden] voerden op de zitting aan dat van belang is dat Bovast haar schuur in strijd met de op perceel [kadastraal nummer 6] geldende bestemming gebruikt, volgens hen ‘agrarisch’. Dat gaf aanleiding om te bespreken wat de planologische bestemming is van de schuur/loods op dat perceel. Raadpleging van openbare bronnen op de zitting door de rechtbank leverde een indicatie op dat het perceel, evenals andere percelen ter plaatse, de bestemming ‘wonen’ zou hebben. Daarop zijn partijen (eerst [gedaagden] en daarna Bovast) in de gelegenheid gesteld om zich op dat punt nader bij akte uit te laten. [gedaagden] hebben vervolgens in hun akte verklaard geen beroep te doen op eventuele gevolgen van hun opmerking en zij hebben verzocht hun opmerking als niet gemaakt te beschouwen. In reactie daarop heeft Bovast verzocht aan de opmerking van [gedaagden] voorbij te gaan en heeft zij nogmaals betwist dat zij de schuur gebruikt in strijd met de op haar perceel geldende bestuursrechtelijke bestemming.
4.16.
Hoewel [gedaagden] hun verweer op dit punt hebben laten vallen, neemt dat niet weg dat de bestemming een feitelijke omstandigheid is die wel is benoemd. Deze omstandigheid kan van belang zijn voor de beoordeling van de vorderingen. In deze procedure moet immers worden bezien of de – objectief vast te stellen en kenbare – planologische bestemming van invloed is op de uitleg van de Akte, waar daarin het gebruik van het perceel als tuinland is benoemd (zie hierover overweging 4.13.), en/of op de geldende plaatselijke gewoonte. Denkbaar is dat het gebruik van het perceel door bepaalde ontwikkelingen ter plaatse of door maatschappelijke ontwikkelingen aan veranderingen onderhevig is, maar het voormelde huidige gebruik past in ieder geval niet binnen een bestemming ‘wonen’ en op voorhand ook niet binnen een agrarische bestemming. De rechtbank acht zich daarom vrij om hier nadere vragen over te stellen.
4.17.
Van partijen, eerst Bovast en daarna [gedaagden] , wordt verlangd aan de rechtbank informatie te verschaffen over de planologische bestemming van perceel [kadastraal nummer 6] en de daarop gelegen schuur die gold in 1998 en de huidige bestemming, en zich uit te laten over de mogelijke gevolgen daarvan voor de omvang / reikwijdte van de erfdienstbaarheid van weg.
4.18.
In afwachting van de reacties van partijen, wordt iedere verdere beslissing in conventie aangehouden.

5.De beoordeling in voorwaardelijke reconventie

5.1.
De eis in reconventie is ingesteld onder de voorwaarde dat de rechtbank van oordeel is dat een erfdienstbaarheid van weg is gevestigd ten laste van perceel [kadastraal nummer 7] en ten dienste van perceel [kadastraal nummer 6] . In conventie is overwogen dat daarvan sprake is. Daarmee is de voorwaarde vervuld en wordt de eis in reconventie in behandeling genomen.
Vordering I: Wijziging van erfdienstbaarheid
5.2.
De rechtbank begrijpt dat [gedaagden] met de gevorderde wijziging van de erfdienstbaarheid beogen dat Bovast bij het uitoefenen van de erfdienstbaarheid gebruik gaat maken van een ander deel van hun erf om het perceel van Bovast te bereiken. Zij hebben in randnummer 6.4 van de conclusie van antwoord de onderstaande afbeelding toegevoegd waarin zij hebben gearceerd welk gedeelte van hun erf dat betreft. [gedaagden] doen een beroep op artikel 5:78 sub a BW Pro.
5.3.
Uit artikel 5:78 sub a BW Pro volgt dat de rechter een erfdienstbaarheid kan wijzigen op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid niet van de eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd.
5.4.
[gedaagden] betogen dat een wijziging van de erfdienstbaarheid gegrond is op de onvoorziene omstandigheid dat Bovast en andere gebruikers dusdanig hard rijden op het perceel van [gedaagden] dat de kinderen van [gedaagden] in gevaar komen. Met de nieuwe route die [gedaagden] voorstellen, is het mogelijk om een afscheiding te maken tussen het gedeelte van het perceel waar de erfdienstbaarheid mag worden uitgeoefend en het gedeelte waar dat niet mag, wat een veiligere situatie oplevert.
5.5.
Bovast voert daartegen aan dat het voorstel van [gedaagden] niet mogelijk is, omdat dat gedeelte eindigt in een sloot. [gedaagden] dienen eerst een toegangsdam aan te leggen en/of te verbreden, waarbij het onzeker is of de gemeente de benodigde vergunning zal verlenen.
5.6.
[gedaagden] hebben daar niet of onvoldoende op gereageerd. Op de nieuwe route ligt onder meer een sloot. Voor het realiseren van de nieuwe route is noodzakelijk dat [gedaagden] de sloot dichtmaken en daarop een weg/uitrit aanleggen. Dat kost niet alleen tijd, aannemelijk is ook dat daarvoor een vergunning moet worden aangevraagd bij de gemeente, waarvan niet zeker is dat die wordt verleend. Bovendien spelen mogelijke bezwaren van de buren tegen de gewenste nieuwe route, die direct langs hun woning gaat. [gedaagden] hebben in ieder geval nagelaten toe te lichten of te onderbouwen op welke termijn en op welke wijze zij de nieuwe route gaan realiseren. De nieuwe route die [gedaagden] voor ogen hebben, bestaat niet en onduidelijk is of het überhaupt realiseerbaar is. Reeds om die reden kan de gevorderde wijziging niet worden toegewezen.
5.7.
De rechtbank wijst [gedaagden] er op dat zij een verleggingsrecht hebben zoals bedoeld in artikel 5:73 lid 2 BW Pro. Uit deze bepaling volgt dat [gedaagden] , als eigenaar van het dienende erf, een ander gedeelte van hun erf kunnen aanwijzen voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid, mits deze verplaatsing geen vermindering van genot voor het heersend erf met zich brengt. Deze verlegging kan zonder voorafgaande toestemming van de rechter, maar bij een geschil is het wel aan [gedaagden] om te bewijzen dat de verlegging niet leidt tot een vermindering van het genot voor Bovast.
Vordering II: Gebod om gebruik te maken van eigen percelen
5.8.
[gedaagden] vorderen dat Bovast wordt veroordeeld om perceel [kadastraal nummer 6] uitsluitend via de eigen percelen te bereiken totdat dit feitelijk niet meer mogelijk is. Zij stellen daartoe dat Bovast geen enkel redelijk belang heeft bij uitoefening van de erfdienstbaarheid over het perceel van [gedaagden] , omdat zij perceel [kadastraal nummer 6] makkelijk via de eigen percelen met nummers [kadastraal nummer 8] en [kadastraal nummer 9] (die ernaast zijn gelegen) kan bereiken.
5.9.
Uit artikel 5:79 BW Pro volgt dat de rechtbank op vordering van de eigenaar van het dienende erf een erfdienstbaarheid kan opheffen, indien de uitoefening daarvan onmogelijk is geworden of de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang bij de uitoefening meer heeft, en het niet aannemelijk is dat de mogelijkheid van uitoefening of het redelijk belang daarbij zal terugkeren. De rechtbank merkt op dat, hoewel [gedaagden] niet de opheffing van de erfdienstbaarheid vorderen op grond van artikel 5:79 BW Pro, zij met het gevorderde gebod indirect wel dat resultaat beogen.
5.10.
Vordering II. is om de volgende redenen niet toewijsbaar.
5.11.
Het eigendom van perceel [kadastraal nummer 9] ligt niet bij Bovast maar bij Quadrant Vastgoed B.V. (hierna: Quadrant). [gedaagden] hebben dan ook al om die reden geen grondslag om van Bovast te verlangen om via perceel [kadastraal nummer 9] het eigen perceel [kadastraal nummer 6] te bereiken. Dat [naam 3] , bestuurder van Bovast, kennelijk tevens bestuurder is van Quadrant, doet daar niet aan af. Quadrant is een andere rechtspersoon en is bovendien geen partij in dit geding.
5.12.
Perceel [kadastraal nummer 8] is wel in eigendom van Bovast. Bovast voert aan dat perceel [kadastraal nummer 6] alleen te voet bereikbaar is via het eigen perceel [kadastraal nummer 8] en dus niet per motorvoertuig kan worden bereikt, in elk geval niet zonder ingrijpende aanpassing van het eigen perceel / de tuin. [gedaagden] hebben dat niet althans onvoldoende bestreden. Dat brengt met zich dat Bovast, indien zij zou worden verplicht om perceel [kadastraal nummer 6] te bereiken via perceel [kadastraal nummer 8] , kosten zou moeten maken en moeite zou moeten doen om haar perceel te wijzigen door daarover een weg aan te leggen. Daar zou een niet verwaarloosbaar deel van het eigen perceel mee zijn gemoeid. Bovendien merkt Bovast terecht op dat die alternatieve (nog aan te leggen) route een omweg is, omdat de afstand tussen (de deur van) de schuur op perceel [kadastraal nummer 6] en de openbare weg dan langer is. Bovast heeft vanwege deze diverse omstandigheden – die ook afzonderlijk van voldoende gewicht zijn voor deze conclusie – nog steeds een redelijk belang bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid van weg over het perceel van [gedaagden]
Vordering III: Verbod om te parkeren
5.13.
[gedaagden] vorderen dat het Bovast wordt verboden om te parkeren op perceel [kadastraal nummer 7] , op straffe van verbeurte van een dwangsom. Tussen partijen is niet in geschil dat parkeren door Bovast niet valt onder de reikwijdte van de erfdienstbaarheid en dus ook niet is toegestaan.
5.14.
De stelling van [gedaagden] dat Bovast en/of derden op perceel [kadastraal nummer 7] parkeren of hebben geparkeerd, is door Bovast betwist en door [gedaagden] onvoldoende onderbouwd. [gedaagden] hebben foto’s overgelegd, waarop te zien is dat een bus met aanhangwagen (ten behoeve) van Bovast staat geparkeerd voor de schuurdeur van [gedaagden] In reactie daarop heeft Bovast toegelicht dat die foto’s zijn genomen ten tijde van uitgevoerde werkzaamheden aan perceel [kadastraal nummer 6] . Vanwege die werkzaamheden was het tijdelijk niet mogelijk om te parkeren op perceel [kadastraal nummer 6] . Volgens Bovast mocht haar aannemer toen met toestemming van [gedaagden] tijdelijk parkeren op het perceel van [gedaagden] Deze verklaring van Bovast is door [gedaagden] niet of onvoldoende weersproken. Aldus is niet komen vast te staan dat Bovast en/of derden (regelmatig) zonder toestemming van [gedaagden] parkeren op het perceel van [gedaagden] Bovendien heeft Bovast toegezegd dat zij en derden die voor haar komen ook niet in de toekomst op het perceel van [gedaagden] zullen parkeren. Onder die omstandigheden hebben [gedaagden] onvoldoende belang bij toewijzing van het gevorderde verbod om te parkeren. Deze vordering ligt voor afwijzing gereed.
Vordering IV: Uitoefening op de minst bezwarende wijze
5.15.
[gedaagden] vorderen dat Bovast (en derden die voor haar komen) de erfdienstbaarheid op de minst bezwarende wijze moet uitoefenen door:
  • een snelheidslimiet van 10 km/u aan te houden op het perceel van [gedaagden] ;
  • niet achteruit te rijden over het perceel van [gedaagden] ;
  • op het perceel van [gedaagden] maximaal een strook met een breedte van 2,75 meter te gebruiken;
  • tussen 20.00 uur en 08.00 uur niet over het perceel van [gedaagden] te rijden.
5.16.
Ter onderbouwing van haar standpunt wijzen [gedaagden] op de volgende door haar gestelde factoren:
  • de hoge frequentie waarop Bovast en haar bezoekers gebruik maken van de weg;
  • de snelheid waarmee Bovast en haar bezoekers over de weg rijden, wat gevaar oplevert voor onder andere de kinderen van [gedaagden] ;
  • Bovast en haar bezoekers rijden achteruit en keren op het perceel van [gedaagden] , wat niet is toegestaan;
  • [gedaagden] ondervinden schade in de vorm van scheurvorming aan zijn schuur en het buurhuis door de langsrijdende vrachtwagens.
5.17.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] niet duidelijk maken welk belang iedere gevraagde maatregel (afzonderlijk) dient. Gaat het bijvoorbeeld om het tegengaan van een onveilige situatie, schade en/of overlast? Wat is in de visie van [gedaagden] een acceptabele frequentie? Wat zijn volgens [gedaagden] de daarbij betrokken belangen van Bovast?
Van [gedaagden] wordt verlangd zich hierover nader uit te laten. Daarna mag Bovast daarop reageren.
5.18.
De uiteindelijke beoordeling van deze aspecten hangt in elk geval deels samen met de uitleg van de omvang en reikwijdte van de erfdienstbaarheid van weg, zoals eerder in dit vonnis besproken in het kader van de conventionele vorderingen.
5.19.
Iedere verdere beslissing in reconventie wordt aangehouden.

6.De beslissing

De rechtbank:
in conventie
6.1.
verwijst de zaak naar de rol van
woensdag 8 april 2026voor het nemen van een akte door Bovast over hetgeen is overwogen in 4.13. en 4.17.;
6.2.
bepaalt dat de zaak vervolgens op de rol van 4 weken daarna zal komen voor het nemen van een (antwoord)akte door [gedaagden] ;
6.3.
houdt iedere verdere beslissing aan;
in reconventie
6.4.
verwijst de zaak naar de rol van
woensdag 8 april 2026voor het nemen van een akte door [gedaagden] over hetgeen is overwogen in 5.17.;
6.5.
bepaalt dat de zaak vervolgens op de rol van 4 weken daarna zal komen voor het nemen van een antwoordakte door Bovast;
6.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
2091 / 1694