Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan zestien schuldeisers, waarbij geen uitkering aan schuldeisers plaatsvindt en zij verzocht worden hun vorderingen kwijt te schelden. Veertien schuldeisers stemden in, maar twee schuldeisers, Havensteder en Menzis, die samen 42,9% van de schulden vertegenwoordigen, weigerden in te stemmen.
De rechtbank beoordeelde of deze weigering redelijk was, waarbij werd meegewogen dat verzoekster een Participatiewet-uitkering ontvangt, geen afloscapaciteit heeft en geen vermogen bezit dat waarde oplevert. Het voorstel is getoetst door een onafhankelijke partij en is goed gedocumenteerd.
De rechtbank concludeerde dat het aanbod het uiterste is wat verzoekster kan bieden en dat het belang van verzoekster bij een schuldenvrije toekomst zwaarder weegt dan het belang van de weigeraars. Daarom werd het dwangakkoord toegewezen en de weigeraars veroordeeld in de proceskosten. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen.