ECLI:NL:RBROT:2026:2449

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
FT RK 25/1767 en FT RK 25/1768
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing dwangakkoord bij weigering schuldeisers in schuldregeling

Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan zestien schuldeisers, waarbij geen uitkering aan schuldeisers plaatsvindt en zij verzocht worden hun vorderingen kwijt te schelden. Veertien schuldeisers stemden in, maar twee schuldeisers, Havensteder en Menzis, die samen 42,9% van de schulden vertegenwoordigen, weigerden in te stemmen.

De rechtbank beoordeelde of deze weigering redelijk was, waarbij werd meegewogen dat verzoekster een Participatiewet-uitkering ontvangt, geen afloscapaciteit heeft en geen vermogen bezit dat waarde oplevert. Het voorstel is getoetst door een onafhankelijke partij en is goed gedocumenteerd.

De rechtbank concludeerde dat het aanbod het uiterste is wat verzoekster kan bieden en dat het belang van verzoekster bij een schuldenvrije toekomst zwaarder weegt dan het belang van de weigeraars. Daarom werd het dwangakkoord toegewezen en de weigeraars veroordeeld in de proceskosten. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen.

Uitkomst: Dwangakkoord toegewezen en schuldeisers Havensteder en Menzis bevolen in te stemmen met schuldregeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 12 februari 2026
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 25 september 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een twee schuldeisers, te weten:
  • Stichting Havensteder, in behandeling bij H.J. Jansen Gerechtsdeurwaarderskantoor (hierna: Havensteder);
  • Menzis ten aanzien van Debiteuren/SOVK (hierna: Menzis);
die weigeren mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Ter zitting van 4 februari 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening).
De weigerende schuldeisers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift zestien schuldeisers, waarvan één preferent en vijftien concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 21.297,67 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 17 maart 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, die inhoudt dat geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en waarbij aan de schuldeisers verzocht wordt de betreffende schulden kwijt te schelden.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. Verzoekster heeft een ontheffing van de sollicitatieverplichting overgelegd over de periode 3 februari 2026 tot en met 3 augustus 2026. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat zij niet verwacht dat de afloscapaciteit van verzoekster binnen afzienbare tijd zal toenemen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan.
Veertien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Havensteder en Menzis stemmen hier niet mee in. Zij hebben een vordering van € 9.125,62 op verzoekster, welke 42,9% van de totale schuldenlast beloopt.

3.Het verweer

Havensteder
Havensteder heef in haar correspondentie met schuldhulpverlening aangegeven alleen akkoord te gaan met het voorstel, indien de overige schuldeisers ook akkoord zijn. Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Havensteder geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt ter zitting toe te lichten.
Menzis
Menzis heeft in haar correspondentie met schuldhulpverlening aangegeven alleen bereid te zijn mee te werken aan een schuldbemiddeling zonder afloscapaciteit met een looptijd van achttien maanden. Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Menzis geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling niet voorziet in een uitkering, staat het belang van Havensteder en Menzis bij hun weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Havensteder en Menzis in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vorderingen van Havensteder en Menzis een aandeel vormen in de totale schuldenlast van 42,9%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk veertien van de zestien schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Geldplein. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster een Participatiewet-uitkering ontvangt. Verzoekster heeft een ontheffing van de sollicitatieverplichting overgelegd van 3 februari 2026 tot en met 3 augustus 2026. Voorts is ter onderbouwing van het verzoek een vtlb-berekening aangeleverd, waaruit blijkt dat verzoekster onder de huidige omstandigheden geen afloscapaciteit heeft. Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk geworden dat verzoekster in de komende jaren geen afloscapaciteit zal verkrijgen. Daarnaast is niet gebleken dat verzoekster over vermogensbestanddelen beschikt die waarde zouden kunnen opleveren voor de schuldeisers.
Uit het bovenstaande vloeit ook voort dat er geen reëel perspectief is op afloscapaciteit binnen een wettelijke schuldsaneringsregeling, zoals subsidiair verzocht. Dat betekent dat ook in de situatie dat de schuldsaneringsregeling (eventueel met een eerdere ingangsdatum) op verzoekster van toepassing zou zijn, er geen vooruitzicht is op een uitdeling aan de schuldeisers. Dat terwijl toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling aanzienlijke kosten met zich brengt, bestaande uit onder meer salaris voor de bewindvoerder en griffierecht. De verwachting is dat een groot deel van de wsnp-gerelateerde kosten ten laste van de Staat zouden moeten komen.
Gelet op die omstandigheden en het belang van verzoekster bij een schuldenvrije toekomst, dient het belang van verzoekster in dit geval naar het oordeel van de rechtbank te prevaleren boven het belang van Havensteder en Menzis.
Het verzoek om Havensteder en Menzis te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
Havensteder en Menzis worden als de in het ongelijk gestelde partijen veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt Havensteder en Menzis om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt Havensteder en Menzis in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.