Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- de heer [persoon A] partner van verzoekster;
- mevrouw [persoon B] en mevrouw [persoon C] , beiden werkzaam bij Geldplein (hierna te noemen schuldhulpverlening).
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (Wsnp). Zij is gehuwd in gemeenschap van goederen en ontvangt een Participatiewet-uitkering. Haar partner heeft geen recht op uitkering en erkende ter zitting dat hij in 2024 en 2025 fraude heeft gepleegd met valse declaraties bij CZ, wat leidde tot een vordering van ruim €69.000. De gezamenlijke schuldenlast bedraagt circa €28.500 exclusief deze fraudevordering.
De rechtbank beoordeelt dat verzoekster niet te goeder trouw is geweest bij het onbetaald laten van haar schulden, mede omdat onduidelijk is of zij op de hoogte was van de fraude en het fraudegeld niet is gebruikt voor aflossing van schuldeisers. Daarnaast bestaat twijfel over haar vermogen om de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling na te komen, mede door de financiële situatie van haar partner.
Ook ziet de rechtbank geen belang bij toelating tot de Wsnp, omdat schuldeisers verhaal kunnen blijven nemen op het gemeenschappelijk vermogen en inkomen, terwijl de fraudevordering niet wordt gesaneerd. Het verzoek wordt daarom afgewezen. De rechtbank merkt op dat er mogelijk nog andere gronden voor afwijzing zijn.
De uitspraak is gedaan door rechter C.G.E. Prenger op 21 januari 2026. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende belang bij toelating.