ECLI:NL:RBROT:2026:242

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
C/10/711340 / KG ZA 25-1217
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vorderingen tot staken van het voeren van vogels en schadevergoeding door vogeluitwerpselen

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Rotterdam, hebben eisers, wonende in een appartement, gedaagden aangeklaagd die in het appartement boven hen wonen. Eisers ervaren overlast door vogeluitwerpselen die afkomstig zijn van vogels die gedaagden op hun balkon voeren. De eisers vorderen dat gedaagden onder druk van een dwangsom het voeren van de vogels staken en voederbakken verwijderen. De voorzieningenrechter oordeelt dat het aannemelijk is dat gedaagden vogels voeren, wat leidt tot vervuiling en stankoverlast op het balkon van eisers. Dit handelen is in strijd met artikel 5:37 BW. De voorzieningenrechter wijst de vordering tot staken van het voeren van vogels toe, maar wijst de vordering tot schadevergoeding af, omdat onvoldoende bewijs is geleverd dat de schade aan het zonnescherm uitsluitend door de vogels is veroorzaakt. De voorzieningenrechter legt een dwangsom op voor het niet naleven van de veroordelingen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/711340 / KG ZA 25-1217
Vonnis in kort geding van 2 januari 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],2. [eiser 2],

woonplaats: Vlaardingen,
eisende partijen,
advocaat: mr. A.V. Mostert,
tegen

1.[gedaagde 1],2. [gedaagde 2],

woonplaats: Vlaardingen,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. J.H. Bargeman.
Partijen worden hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd.

1.Waar gaat de zaak over?

1.1.
[eisers] wonen in een appartement. [gedaagden] wonen in het appartement dat direct boven het appartement van [eisers] is gelegen. [eisers] ervaren overlast in de vorm van vervuiling en stank door vogeluitwerpselen. Volgens [eisers] komt dit doordat [gedaagden] vogels op/vanuit hun balkon voeren en willen zij daar niet mee stoppen. Daarom vorderen [eisers] dat [gedaagden] onder druk van een dwangsom worden veroordeeld om het voeren te staken en gestaakt te houden en voederbakken en andere attributen te verwijderen van hun balkon. Verder vorderen [eisers] vergoeding van schade aan hun zonnescherm als gevolg van vogeluitwerpselen. [gedaagden] zijn het niet eens met de vorderingen van [eisers]. Zij betwisten dat [eisers] spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben en dat zij onrechtmatig handelen. De voorzieningenrechter veroordeelt [gedaagden] onder druk van een dwangsom om het voeren van de vogels te staken en gestaakt te houden en voederbakken en andere attributen te verwijderen van hun balkon. De resterende vordering wordt afgewezen. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 9 december 2025, met bijlagen 1 tot en met 19;
  • de aanvullende bijlagen 20 en 21;
  • de mondelinge behandeling op 18 december 2025;
  • de spreekaantekeningen van mr. Bargeman.

3.De vorderingen

3.1.
[eisers] vorderen om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagden] te veroordelen om na betekening van dit vonnis het voeren van vogels vanuit hun balkon aan de [adres] te staken en gestaakt te houden, althans het hen te verbieden om vogels vanuit voornoemd balkon te voeren, totdat de bodemrechter anders heeft beslist, een en ander op straffe van de verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat [gedaagden] daarmee in gebreke mochten blijven;
II. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om binnen 48 uren na betekening van dit vonnis alle voederbakken en andere objecten die de voeding van vogels faciliteren te verwijderen van het balkon aan de [adres], en deze verwijderd te houden totdat de bodemrechter anders heeft beslist, een en ander op straffe van de verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat [gedaagden] daarmee in gebreke mochten blijven;
III. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 951,52 aan [eisers];
met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten en de nakosten.

4.De beoordeling

Het toetsingskader in een kort geding
4.1.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of [eisers] ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang hebben. Verder moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing daarvan gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet bij dat alles ook een belangenafweging maken. Ten aanzien van vordering III., een geldvordering, geldt in aanvulling op het voorgaande, dat in kort geding terughoudendheid op zijn plaats is en dat bij de beslissing het risico moet worden betrokken dat [eisers] het geldbedrag (na toewijzing daarvan en voldoening) niet kunnen terugbetalen in het geval dat zij in de bodemprocedure alsnog in het ongelijk worden gesteld.
De overlast
4.2.
[gedaagden] erkennen dat zij vogels voeren op/vanuit hun balkon. Dat staat dus vast. [gedaagden] stellen met het voeren in april/mei 2025 te zijn begonnen nadat er een duif was gaan nestelen op hun balkon. Verder betwisten [gedaagden] weliswaar dat het voeren van de vogels plaatsvindt in de mate waarin [eisers] stellen dat [gedaagden] dat doen, te weten tot zelfs drie maal per dag, maar daar gaat de voorzieningenrechter aan voorbij. [gedaagden] voeren dit voor het eerst aan tijdens de mondelinge behandeling, terwijl uit de door [eisers] in het geding gebrachte stukken blijkt dat [gedaagden] al sinds mei 2025 veelvuldig door (de advocaat van) [eisers], door buren én door de VvE waar partijen lid van zijn, zijn aangeschreven omdat overlast wordt ervaren vanwege het voeren van vogels door [gedaagden]. Als [gedaagden] de vogels inderdaad niet in de gestelde mate voeren, had het voor de hand gelegen als zij dat in een reactie hadden geschreven op de verschillende brieven die zij over de ervaren overlast hebben ontvangen, maar zij hebben dat niet gedaan. Volgens [eisers] is er zelfs geen enkele keer een reactie gekomen op de klachten en aanschrijvingen, met uitzondering van een aantal berichten van [gedaagden] van mei 2025 per WhatsApp. Daarin schrijven [gedaagden] onder meer: “
Wij gaan vogelvoer intensiveren”, wat juist wijst op het tegendeel van wat [gedaagden] stellen.
Namens [gedaagden] is ter zitting aangevoerd dat voormeld bericht in een emotionele opwelling zou zijn geschreven. Maar dit blijkt nergens uit. [gedaagden] hebben ook niets in het geding gebracht waaruit blijkt dat zij wel op alle berichten over ervaren overlast hebben gereageerd. In dit licht komt de betwisting door [gedaagden] van de door [eisers] gestelde mate waarin [gedaagden] vogels voeren onaannemelijk voor. Niet relevant is verder of andere buren ook vogels voeren. [gedaagden] hebben immers niet gesteld dat het voeren van vogels door andere buren bij [eisers] (mede) voor overlast heeft gezorgd.
4.3.
De voorzieningenrechter acht gelet op het voorgaande alsmede op grond van in het geding gebrachte foto’s aannemelijk dat [gedaagden] op/vanuit hun balkon vogels voeren en dat zij dit in een dusdanige mate doen, dat die vogels in grote aantallen telkens naar het balkon van [gedaagden] terugkeren én op die wijze ook omliggende balkons, waaronder dat van [eisers], vervuilen omdat ze (al dan niet vanaf de reling van het balkon van [gedaagden]) hun behoefte doen. De voorzieningenrechter neemt zonder meer aan dat dit op het onderliggende balkon van [eisers] heeft geleid tot vervuiling en ook tot stankoverlast. Daarmee zorgt het voeren van de vogels door [gedaagden] voor overlast en dat is in strijd met artikel 5:37 BW. Dat [gedaagden] (mede vanuit geloofsovertuiging) vogels voeren, is op zich niet onrechtmatig maar wel als anderen daardoor overlast ervaren. Gelet op de grote hoeveelheid berichten die sinds mei 2025 naar [gedaagden] zijn gestuurd door (de advocaat van) [eisers], door buren en door de VvE waar partijen lid van zijn, waarop blijkbaar geen reactie van [gedaagden] is gekomen, en de duur en mate van de door [eisers] ervaren overlast, hebben [eisers] er inmiddels een spoedeisend belang bij dat die overlast wordt beëindigd. Hun daarop gerichte vordering I. wordt dan ook toegewezen, zij het dat de in vordering I. gevorderde dwangsom wordt gematigd tot € 250,00 per dag en gemaximeerd op € 5.000,00, zodat [gedaagden] een stok achter de deur voelen om aan de veroordeling te voldoen.
4.4.
Vordering II. wordt gedeeltelijk toegewezen. [gedaagden] zullen ten eerste voederbakken moeten verwijderen en verwijderd houden. Uit de foto die [eisers] als bijlage 6 in het geding hebben gebracht, maakt de voorzieningenrechter op dat er (ook) een groot aantal plantenbakken op het balkon van [gedaagden] staat. Die plantenbakken bevatten weliswaar (voor een deel) aarde, maar in ieder geval geen planten ten tijde van het nemen van de foto. De voorzieningenrechter acht, mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, aannemelijk dat [gedaagden] (ook) de plantenbakken gebruiken om vogels te voeren. Zij moeten die plantenbakken daarom verwijderen en verwijderd houden voor zover daar geen planten in staan. Verder moeten [gedaagden] ook de (lege) netjes waar bolletjes vet voor de vogels in zitten of hebben gezeten, verwijderen en verwijderd houden. [gedaagden] krijgen daar, zoals gevorderd, een termijn van 48 uren na betekening van dit vonnis de tijd voor. [gedaagden] hebben niet gesteld dat deze termijn niet haalbaar zou zijn. Als [gedaagden] niet (op tijd) aan deze veroordeling voldoen, moeten zij een dwangsom betalen van € 250,00 per dag met een maximum van € 5.000,00. Voor het overige wordt vordering II. afgewezen. Omdat behalve van de plantenbakken zonder planten, niet is gebleken van de aanwezigheid van “
andere objecten die de voeding van vogels faciliteren”, is niet duidelijk welke andere objecten [gedaagden] zouden moeten verwijderen om aan de vordering te voldoen, zodat aannemelijk is dat toewijzing daarvan tot executiegeschillen zou leiden en daar is geen van partijen bij gebaat.
De schadevergoeding
4.5.
[eisers] vorderen tot slot betaling van € 951,52 aan schadevergoeding. Zij stellen in dit verband dat door het voeren van de vogels door [gedaagden] zeer veel vogeluitwerpselen op het doek van het zonnescherm terecht zijn gekomen, dat het doek hierdoor zwaar vervuild is geraakt, dat reiniging niet mogelijk is en dat vervanging van het doek € 951,52 kost.
4.6.
De voorzieningenrechter wil aannemen dat het voeren van vogels door [gedaagden] heeft geleid tot vogeluitwerpselen op het doek van het zonnescherm van [eisers]. Onduidelijk is echter of alle (of het merendeel van) de vervuiling van het doek van het zonnescherm het gevolg is van het voeren van vogels door [gedaagden]. Daarbij is relevant dat [gedaagden] onweersproken hebben aangevoerd dat het zonnescherm er al sinds 2007 hangt, en dat dus niet valt uit te sluiten dat zich al andere vervuiling in die jaren heeft opgehoopt.
[eisers] hebben voorts niet gesteld hoeveel het doek van hun zonnescherm oorspronkelijk heeft gekost. Gelet op de duur dat het zonnescherm er al hangt zou daarom bij het begroten van de schade van [eisers] rekening moeten worden gehouden met de waardevermindering van het doek sinds de aanschaf daarvan. Die waardevermindering valt nu niet te begroten.
Volgens [eisers] is het zonnescherm pas recent vanwege de vogeloverlast vies geworden, maar dat hebben zij verder niet onderbouwd. Gelet op het voorgaande is onvoldoende aannemelijk dat de geldvordering van [eisers] in een bodemprocedure wordt toegewezen, zodat vordering III. wordt afgewezen.
Ten overvloede
4.7.
De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede nog het volgende. Buren, en zeker buren in een appartementencomplex, moeten rekening houden met elkaar. Overlast in welke vorm dan ook komt het woonplezier en de burenrelatie niet ten goede. Buren moeten zich daarom onthouden van het veroorzaken van geluid, stank en dergelijke in een zodanige mate dat buren daar last van hebben. De voorzieningenrechter leest in het WhatsApp-bericht van [gedaagden] van mei 2025 dat zij niet alleen aankondigen “
vogelvoer te gaan intensiveren”, maar ook aankondigen op het balkon trassi te gaan maken, en dat dat erg stinkt.
Volgens [eisers] hebben [gedaagden] daarna daadwerkelijk éénmalig trassi gemaakt op hun balkon, althans een poging daartoe gedaan, en het resultaat daarvan op het balkon van [eisers] gegooid, met stankoverlast en noodzakelijk schoonmaakwerk van dien als gevolg. Desgevraagd door de voorzieningenrechter hebben [gedaagden] dat overigens tegengesproken.
Van trassi, een gefermenteerde garnalenpasta uit de Indonesische keuken, is algemeen bekend dat dit verschrikkelijk stinkt. [gedaagden] schreven dit ook en onderkennen dit dus. Daarom is aannemelijk dat het maken van trassi op het balkon door [gedaagden] voor overlast zou gaan zorgen. Dit mag daarom niet. Het staat [gedaagden] wel vrij om binnenshuis trassi te maken, voor zover dat geen onaanvaardbare stankoverlast voor buren geeft.
De proceskosten
4.8.
[gedaagden] zijn voor het grootste deel in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- dagvaarding € 148,39
- griffierecht € 331,00
- salaris advocaat € 1.107,00 (tarief gemiddeld complexe zaak)
- nakosten €
178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.764,39
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagden] om na betekening van dit vonnis het voeren van vogels vanuit hun balkon van de woning aan de [adres] te staken en gestaakt te houden, totdat de bodemrechter anders heeft beslist;
5.2.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat [gedaagden] de veroordeling in 5.1. niet nakomen, tot een maximum van € 5.000,00;
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om binnen 48 uren na betekening van dit vonnis alle vogelvoerbakken en plantenbakken zónder planten en alle (lege) netjes waar bolletjes vet voor de vogels in zitten of hebben gezeten, te verwijderen van het balkon aan de [adres], en deze verwijderd te houden, totdat de bodemrechter anders heeft beslist;
5.4.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat [gedaagden] de veroordeling in 5.3. niet nakomen, tot een maximum van € 5.000,00;
5.5.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 1.764,39, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [gedaagden] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2026.
3349 / 638