ECLI:NL:RBROT:2026:2404

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
C/10/713311 / KG ZA 26-37
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis over erfdienstbaarheid en burenrechtelijke geschillen met diverse verboden en veroordelingen

Partijen zijn buren en hebben een langdurig geschil over een erfdienstbaarheid van weg over het perceel van gedaagden. De rechtbank bevestigt dat door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan met een breedte van vijf meter op de grens tussen percelen, die trechtervormig terugloopt tot 3,70 meter.

Eiser vordert diverse verboden en aanpassingen aan de toegangspoorten, waaronder het verwijderen van zware ijzeren pinnen en borden die de toegang belemmeren, alsmede een verbod op lastigvallen en filmen van gebruikers van het uitpad. Gedaagden vorderen onder meer dat eiser de poorten na gebruik sluit en dat camera’s gericht op hun erf worden verwijderd.

De voorzieningenrechter wijst een deel van de vorderingen toe: gedaagden moeten de ijzeren pinnen en borden verwijderen en mogen eiser en haar bezoekers niet lastigvallen. Eiser moet de poorten na gebruik sluiten en camera’s gericht op het erf van gedaagden verwijderen. De vorderingen tot verwijdering van het tweede hekwerk en dwangsommen worden afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de erfdienstbaarheid met een breedte van vijf meter en legt verboden en veroordelingen op aan beide partijen om escalatie te voorkomen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/713311 / KG ZA 26-37
Vonnis in kort geding van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J. van Groningen,
tegen

1.[gedaagde] ,

2.
[gedaagde 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. B.G. van Twist.

1.De zaak in het kort

1.1.
Partijen zijn buren van elkaar en zijn al enige tijd verwikkeld in procedures over een erfdienstbaarheid ten laste van een gedeelte van het perceel van [gedaagden] In dit kort geding is niet aannemelijk geworden dat het vonnis uit de bodemprocedure een kennelijke misslag of kennelijke onjuistheid bevat. De voorzieningenrechter wijst een gedeelte van de gevorderde verboden jegens [gedaagden] in conventie toe. Ook in reconventie wordt een deel van de gevorderde verboden toegewezen.

2.De procedure

2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 6 februari 2026, met producties 1 tot en met 31;
- producties 32 tot en met 46 van [eiser] ;
- producties 1 tot en met 6 van [gedaagden] ;
- de eis in reconventie;
- de pleitnota van [eiser] ;
- de pleitnota, tevens houdende conclusie van antwoord, van [gedaagden]
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 18 februari 2026 plaatsgevonden.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn buren van elkaar. [eiser] woont aan de [adres 1] (kadastraal bekend [kadastraal nummer 1] ); [gedaagden] aan de [adres 2] (kadastraal bekend [kadastraal nummer 2] ).
3.2.
[eiser] maakt gebruik van een verharde toegangsweg die loopt over het perceel van [gedaagden] , om van en naar de openbare weg te komen.
3.3.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft [gedaagden] bij vonnis van 16 december 2024 (hierna: het kortgedingvonnis) tot het volgende veroordeeld:

5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagden] om, binnen drie dagen na de betekening van dit vonnis, ofwel het toegangshek net zo breed te maken als de verharde weg waar het op staat ofwel het hek inclusief de palen te verwijderen en verwijderd te houden, totdat in een bodemprocedure is beslist over de kwestie van de erfdienstbaarheid en het hekwerk, onder de voorwaarde dat [eiser] binnen vier weken na deze uitspraak de bodemprocedure aanhangig maakt;
5.2.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1. uitgesproken veroordeling voldoen, tot een maximum van 50.000,00 is bereikt;(..)”
3.4.
[eiser] heeft het kortgedingvonnis op 17 december 2024 aan [gedaagden] laten betekenen.
3.5.
In de bodemprocedure heeft de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 12 november 2025 (hierna: het Vonnis) het volgende bepaald:
“5.8. De rechtbank is van oordeel dat de plaatselijke situatie, als door [eiser] betoogd,. doorslaggevend is voor het bepalen van de breedte van het uitpad, op het perceel van [gedaagden] Hoewel de breedte van het uitpad aan het begin acht meter is, is tussen partijen niet in discussie dat het begin van het uitpad niet ligt op perceel [kadastraal nummer 2] dat in eigendom toebehoort aan [gedaagden] Een aantal niet precies aan te duiden meters maakt deel uit van perceel [kadastraal nummer 3] dat in eigendom toebehoort aan [naam] zijn niet in de procedure betrokken, wat betekent dat de rechtbank niet kan beslissen over de breedte van het begin van het uitpad, dat immers op de grond van [naam] ligt. De plaatselijke situatie, zoals op de foto's weergeven, laat zien dat sprake is van een soort trechter die het breedst is op het perceel van [naam] Op de grens tussen het perceel van [naam] en perceel [kadastraal nummer 2] is de trechter volgens [gedaagden] vijf meter breed. [eiser] heeft dat niet weersproken, zodat de rechtbank uitgaat van die vijf meter. Daarna loopt de trechter in breedte verder terug tot een breedte van in ieder geval 3,70 meter. De nadere door [eiser] in het geding gebrachte foto's van de situatie ter plaatse zijn door [gedaagden] niet weersproken. Ook hebben zij, naar aanleiding van de (nadere) onderbouwing van [eiser] ten aanzien van de door haar gestelde breedte van het uitpad verder niets aangevoerd waaruit volgt dat de door hen bepleite breedte van het uitpad drie meter zou moeten zijn. Dat het uitpad na de trechter breder zou zijn. is in rechte niet komen vast te staan. De rechtbank gaat daarom uit van een breedte op de grens tussen perceel [kadastraal nummer 3] (het perceel van [naam] ) en [kadastraal nummer 2] van vijf meter die volgens de bestaande bestrating trechtersgewijs terugloopt tot 3,70 meter over de rest van het uitpad.
(…)

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
verklaart voor recht dat ten behoeve van het perceel van [eiser] , het perceel kadastraal bekend [kadastraal nummer 1] , plaatselijk bekend als [adres 1] , en ten laste van een gedeelte van het perceel van [gedaagden] , het perceel kadastraal bekend [kadastraal nummer 2] , door verjaring, een erfdienstbaarheid van weg is ontstaan met als dienend erf het perceel [kadastraal nummer 2] en als heersend erf het perceel [kadastraal nummer 1] teneinde van en naar de openbare weg, de [straat] , te komen, met bepaling dat de erfdienstbaarheid een breedte heeft op de grens tussen het perceel [kadastraal nummer 3] en perceel [kadastraal nummer 2] van vijf meter welke breedte volgens de bestaande bestrating trechtersgewijs terugloopt tot 3.70 meter over de rest van het uitpad,(..)
6.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk:
1) om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis het uitpad met een breedte zoals hiervoor in 6.1. is vermeld volledig vrij te maken en te houden door alle aldaar aanwezige obstakels en overige zaken, te verwijderen en verwijderd te houden,
2) de door verjaring verkregen erfdienstbaarheid ten laste van perceel [kadastraal nummer 2] te eerbiedigen en [eiser] onbelemmerde toegang en/of uitweg te verlenen over het uitpad en voorts leveranciers en (post- en pakket)bezorgers die van het overpad gebruik maken ten behoeve van [eiser] niet lastig te vallen, maar onbelemmerde toegang te verlenen over het uitpad,
1) en 2) op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelde van een dag dat [gedaagden] niet aan deze veroordeling voldoen, met een maximum van € 50.000,00,
6.4
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om binnen veertien dagen na heden aan [eiser] te betalen € 50.000,00 aan verbeurde dwangsommen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data waarop de dwangsommen zijn verbeurd,(..)
in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
6.10.
verklaart de onderdelen 6.2. 6.3. 6.4. 6.5. 6.8 en 6.9 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.(..)”
3.6.
[eiser] heeft de rechtbank verzocht om verbetering van het Vonnis, omdat volgens haar ten onrechte is overwogen en beslist dat de erfdienstbaarheid op de grens tussen de percelen [kadastraal nummer 3] en [kadastraal nummer 2] een breedte van 5 meter heeft die volgens de bestaande bestrating trechtergewijs terugloopt tot 3,70 meter over de rest van het uitpad. De rechtbank heeft dit verzoek bij vonnis van 14 januari 2026 afgewezen, omdat

de door de rechtbank vastgestelde breedte van de erfdienstbaarheid op de grens tussen de percelen [kadastraal nummer 3] en [kadastraal nummer 2] berust op een volgens [eiser] onjuiste beoordeling van de stellingen en betwistingen over en weer en op een onjuiste beoordeling van de feitelijke situatie. Zelfs als ervan wordt uitgegaan dat [eiser] daarin gelijk heeft, is geen sprake van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel.”

4.Het geschil

in conventie
4.1.
[eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, de in deze procedure omschreven erfdienstbaarheid te eerbiedigen door
[eiser] onbelemmerde toegang en/of uitweg te verlenen over het uitpad met een breedte van 8 meter aan het begin op de grens tussen de percelen [kadastraal nummer 2] en [kadastraal nummer 3] dat volgens de bestaande bestrating trechtergewijs terugloopt tot 3,70 meter over de rest van het uitpad,
dit uitpad vrij te maken en vrij te houden door alle aldaar aanwezige obstakels en overige zaken te verwijderen en verwijderd te houden, waaronder in ieder geval de – vanaf de [straat] bezien de eerste – hekwerken met de toegangspoorten op de erfgrens tussen de percelen [kadastraal nummer 2] en [kadastraal nummer 3] , dan wel te zorgen voor toegangspoorten met een effectieve breedte van 8 meter breed volgens de bestaande bestrating,
met bepaling dat i) het [gedaagden] worden verboden om tijdens een passage
door de een of meer toegangspoorten door [eiser] of derden de toegangspoorten te
sluiten en/of de pinnen in de grond te bevestigen, ii) de toegangspoorten op een
gebruiksvriendelijke wijze en zonder grote moeite moeten kunnen worden bediend,
derhalve zonder zware ijzeren pinnen, dan wel met bepaling dat [eiser] niet kan
worden verplicht om de ijzeren pinnen steeds in de grond vast te maken en dat het
sluiten van de toegangspoorten volstaat; iii) de borden “Verboden Toegang” en
“ [adres 2] ” door [gedaagden] dienen te worden verwijderd, en iv) dat het [gedaagden] wordt verboden dieren op het uitpad los te laten lopen, en
[eiser] en personen ten behoeve van [eiser] gebruik van het uitpad gebruik maken of willen maken, zoals familieleden, leveranciers en (post- en pakket)bezorgers, die van het overpad gebruik maken niet lastig te vallen, na te roepen, na te staren, te fotograferen en te filmen, maar onbelemmerde toegang te verlenen over het uitpad,
dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding of per dag of gedeelte van een dag dat niet aan deze veroordeling wordt voldaan, met een maximum van € 500.000,-,
II. [gedaagden] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, het
tweede hekwerk met de toegangspoorten op de erfgrens van de percelen [kadastraal nummer 1] en [kadastraal nummer 2] te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag, met een maximum van € 50.000,-, dan wel dat [eiser] niet kan worden verplicht om de ijzeren pinnen van de toegangspoorten
steeds in de grond vast te maken en dat het sluiten van de toegangspoorten volstaat;
III. [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met rente en kosten.
4.2.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , althans bij toewijzing van enige voorziening de dwangsommen te matigen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
in reconventie
4.3.
[gedaagden] vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [eiser] te veroordelen om de door [gedaagden] geplaatste toegangspoorten op het Uitpad over perceel [kadastraal nummer 2] , aanstonds na gebruik te sluiten middels de overslaggrendels en de grondpinnen;
II. [eiser] te verbieden om één of meer camera’s zodanig geplaatst of ingesteld te houden dat daarmee zicht wordt verkregen op (enig deel van) het erf van [gedaagden] , en om van dat erf video- en/of audio-opnamen te maken, te bewaren of te gebruiken;
III. [eiser] te veroordelen om aan [gedaagden] een dwangsom te betalen van
€ 100,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hiervoor onder I. en II. bedoelde veroordelingen voldoet, zulks tot een maximum van € 10.000,- per veroordeling;
IV. [eiser] te veroordelen in de proceskosten.
4.4.
[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden] , met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

Vooraf
5.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat voor de beoordeling van de ingestelde vorderingen, binnen het hierna te noemen toetsingskader voor de vorderingen in conventie, centraal staat dat partijen als buren verplicht zijn zich ten opzichte van elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Daarbij past onderling overleg, onderzoek naar eventuele alternatieven en begroting van mogelijk te maken kosten, zodat nadere afwegingen kunnen worden gemaakt.
in conventie
[eiser] is ontvankelijk in haar vorderingen
5.2.
[gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , omdat [eiser] een verkapt hoger beroep voert met de door haar ingestelde vorderingen en geen spoedeisend belang heeft bij de vorderingen. Dit betoog gaat niet op. [eiser] voert aan dat sprake is van een kennelijke vergissing / misslag of een kennelijke fout en dat zij spoedeisend belang heeft bij een beslissing, nu zij belemmerd wordt in de uitoefening van de erfdienstbaarheid en de situatie met haar buren aan het escaleren is. Hiermee doet [eiser] een beroep op een uitzondering op de afstemmingsregel dat de voorzieningenrechter dient uit te gaan van het vonnis in de bodemzaak. In de jurisprudentie is als uitzondering aanvaard de situatie dat duidelijk is dat het vonnis op een misslag berust en een beslissing in hoger beroep niet kan worden afgewacht. Er is geen rechtsregel die in de weg staat aan de aldus door [eiser] ingestelde vordering.
Er is geen sprake van een kennelijke misslag of kennelijke onjuistheid in het Vonnis
5.3.
[eiser] stelt dat de rechtbank abusievelijk en ten onrechte in het Vonnis heeft bepaald dat de erfdienstbaarheid op de grens tussen de percelen [kadastraal nummer 3] en [kadastraal nummer 2] op het breedste punt een breedte van vijf meter heeft. Dit had acht meter moeten zijn. [eiser] stelt dat de breedte van acht meter blijkt uit de overgelegde situatietekeningen en foto’s en uit de inhoudelijke overwegingen van de rechtbank over de uitoefening van de erfdienstbaarheid door [eiser] en de eerbiediging daarvan door [gedaagden]
[gedaagden] betwisten dit.
5.4.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat geen sprake is van een kennelijke, in het oog springende vergissing of misslag. De in het Vonnis vastgestelde breedte van vijf meter is immers als breedte door [gedaagden] in de bodemprocedure aangevoerd en [eiser] heeft dit niet weersproken, zo is in het Vonnis overwogen (zie hiervoor onder 3.5). Zoals reeds door de bodemrechter is overwogen en beslist (zie hiervoor onder 3.6), is daarom geen sprake van een kennelijke misslag.
5.5.
Van een kennelijke onjuistheid / fout is evenmin sprake. Aan de hand van de overgelegde foto’s en kaartjes is niet zonder meer een eenduidig antwoord te geven op de vraag of de bodemrechter tot een onjuist oordeel is gekomen over de te respecteren breedte aan het begin van het uitpad. [eiser] heeft in de procedure(s) geen kaart in het geding gebracht waarop de maatvoering van het perceel – en meer in het bijzonder ook van het uitpad, de bestrating(en), de positie van het eerste hek, de te nemen bocht naar de [straat] en dergelijke – duidelijk is weergegeven en aangeduid ten opzichte van de verschillende percelen, ook van [naam] De situatietekening en kaart die in de dagvaarding in kort geding zijn opgenomen, bieden dat benodigde inzicht niet, mede gelet op de betwisting door [gedaagden] Om deze reden is niet gebleken dat sprake is van een kennelijke onjuistheid, nog daargelaten de vraag of de zaak zodanig spoedeisend is dat het hoger beroep niet afgewacht zou kunnen worden.
5.6.
Evenmin is sprake van inmiddels gewijzigde omstandigheden waarvan moet worden aangenomen dat als de bodemrechter daarvan op de hoogte zou zijn geweest, deze tot een andere beslissing zou zijn gekomen. [eiser] heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd.
5.7.
Los van het voorgaande oordeelt de voorzieningenrechter dat weliswaar aannemelijk is dat sprake is van ongemak, maar niet dat sprake is van een noodsituatie bij de huidige breedte van het uitpad als gevolg van de toegangspoorten. Niet gebleken is dat bijvoorbeeld hulpdiensten (onoverkomelijke) hinder zouden ondervinden van de door [gedaagden] geplaatste toegangspoort(en), zodat een belangenafweging, voor zover daarvan sprake kan zijn gelet op het hiervoor besproken beperkte toetsingskader, ook niet tot een ander oordeel leidt.
[gedaagden] moeten de ijzeren pinnen van de toegangspoorten verwijderen
5.8.
[eiser] vordert een verbod voor [gedaagden] om tijdens een passage door een of meer toegangspoorten door [eiser] of derden, de toegangspoorten te sluiten en/of de pinnen in de grond te bevestigen. Deze vordering is niet toewijsbaar, omdat [gedaagden] bevoegd zijn hun erf af te sluiten. [eiser] moet het erf van [gedaagden] ook afsluiten, zoals volgt uit de hierna te noemen beoordeling in reconventie.
5.9.
[eiser] vordert voorts – zo begrijpt de voorzieningenrechter de vordering – een gebod aan [gedaagden] om de toegangspoorten aan te passen op een gebruiksvriendelijke wijze zodat deze zonder grote moeite kunnen worden bediend, derhalve zonder zware ijzeren pinnen, dan wel dat [eiser] niet kan worden verplicht om de ijzeren pinnen steeds in de grond vast te maken en dat het sluiten van de toegangspoorten volstaat. De vordering wordt aldus toegewezen dat [gedaagden] de ijzeren pinnen van de toegangspoorten moeten verwijderen. De voorzieningenrechter licht dit als volgt toe.
5.10.
[eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het losmaken en weer bevestigen van de grondpinnen in twee toegangspoorten na iedere doorgang bezwarend is. Daartegenover staat dat [gedaagden] onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat er voldoende belang is bij gebruik van grondpinnen, naast de overslaggrendels. Het enkele feit dat de poorthelften bij storm (enige) beweging vertonen, is daartoe onvoldoende. Bovendien is niet ondenkbaar dat de speling van de poorten met een eenvoudige aanpassing van de poorten beperkt kan worden. Het afsluiten van het erf kan ook voldoende worden bereikt met het sluiten van de poorten door middel van de overslaggrendels. [gedaagden] moeten de ijzeren pinnen daarom binnen één week na betekening van dit vonnis verwijderen.
[gedaagden] moeten de borden aan de toegangspoort verwijderen
5.11.
[gedaagden] hebben een aantal borden aan de toegangspoort bevestigd met daarop de tekst “Verboden Toegang” en “ [adres 2] ”. [eiser] vordert een veroordeling tot verwijdering van deze borden, omdat het bord “Verboden Toegang” in strijd is met de erfdienstbaarheid. Het bord met “ [adres 2] ” erop zorgt voor verwarring bij onder meer bezorgers, omdat door dit bord ten onrechte de schijn wordt gewekt dat [adres 1] niet te bereiken is via de toegangspoort. [gedaagden] voeren aan dat de borden zijn geplaatst ter aanduiding van hun eigendom en om te voorkomen dat onbevoegden hun erf betreden. De borden zijn niet bedoeld voor [eiser] , haar gezinsleden en haar bezoekers die gebruik maken van het uitpad.
5.12.
Niet in geschil is dat [gedaagden] de borden na het Vonnis hebben geplaatst. De borden suggereren dat via het perceel alleen [adres 2] is te bereiken in plaats van dat ook [adres 1] wordt bereikt via het uitpad. Uit de door [eiser] overgelegde filmpjes lijkt ook te volgen dat bezorgers de poort voorbij rijden en de woning van [eiser] niet kunnen vinden of (eenvoudig) bereiken. Dat [eiser] een affiche op haar brievenbus heeft geplakt met instructies voor de bezorger, zoals [gedaagden] aanvoeren, onderstreept juist haar vrees dat de borden aan de toegangspoort belemmerend werken voor onder andere bezorgers. [gedaagden] hebben voorts de noodzaak en het belang van de borden, naast de al aanwezige toegangspoorten, onvoldoende aannemelijk gemaakt.
Bovendien moeten [gedaagden] en [eiser] zich naar redelijkheid en billijkheid ten opzichte van elkaar gedragen, waarmee het ophangen van deze borden in de gegeven omstandigheden niet te verenigen is en slechts verdere escalatie in de hand werkt.
[gedaagden] moeten de borden met daarop “Verboden Toegang” en “ [adres 2] ” dan ook verwijderen. De voorzieningenrechter acht een termijn van een week na betekening van dit vonnis redelijk.
5.13.
Het gevorderde verbod om dieren op het uitpad los te laten lopen, is niet toewijsbaar. Een dergelijk verbod zou in beeld kunnen komen als aannemelijk is dat de hond gevaarlijk is of dat de situatie gevaar oplevert. [eiser] heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Ter zitting is gebleken dat [eiser] , voordat de situatie tussen partijen escaleerde, zelfs dol was op de hond.
[gedaagden] worden veroordeeld om [eiser] en personen die het uitpad gebruiken, niet lastig te vallen, na te roepen, na te staren en te fotograferen
5.14.
[gedaagden] zijn in het Vonnis reeds veroordeeld om leveranciers en (post- en pakket)bezorgers die van het overpad gebruik maken ten behoeve van [eiser] niet lastig te vallen, maar onbelemmerde toegang te verlenen tot het uitpad. In deze procedure vordert [eiser] een verbod om [eiser] en personen die ten behoeve van [eiser] gebruik van het uitpad maken lastig te vallen, na te roepen, na te staren, te fotograferen
en te filmen. De voorzieningenrechter wijst deze vordering toe en licht dit als volgt toe.
5.15.
Gelet op de discussie en de steeds verder escalerende situatie tussen partijen heeft [eiser] voldoende belang bij deze vordering als ordemaatregel. Duidelijk is dat de situatie tussen partijen uiterst gespannen is en de redelijkheid niet altijd centraal staat. Het is van belang dat de situatie tussen partijen niet verder escaleert. Een ordemaatregel waarbij [eiser] en andere personen die het uitpad gebruiken, niet worden lastiggevallen, nageroepen of gefotografeerd is hierbij passend.
[gedaagden] hoeven het tweede hekwerk niet te verwijderen
5.16.
Uit het hiervoor overwogene vloeit ook voort dat de vordering tot verwijdering van het tweede hekwerk niet toewijsbaar is. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat [gedaagden] met dit tweede hekwerk hun bevoegdheid tot het afsluiten van het erf misbruiken. Dat [eiser] zelf ook een poort heeft, vlak achter het tweede hekwerk, maakt dit niet anders omdat [gedaagden] het al dan niet sluiten van die poort niet in de hand hebben.
Er wordt geen dwangsom opgelegd
5.17.
De voorzieningenrechter wijst de gevorderde dwangsom af gelet op de reeds gespannen verstandhouding tussen partijen. Een dwangsom zou in theorie verbeurd kunnen raken bij een veelvoud aan gedragingen, op een veelvoud van momenten. Bovendien gaat het (deels) om gedragingen die moeilijk controleerbaar zijn. De voorzieningenrechter vreest dat er discussies tussen partijen over dwangsommen kunnen ontstaan die wellicht tot een nieuwe procedure leiden. Dat alles dient geen redelijk doel. De voorzieningenrechter vertrouwt er op dat dit vonnis wordt gerespecteerd en nageleefd.
in reconventie
[eiser] moet de toegangspoorten aanstonds na gebruik sluiten
5.18.
[gedaagden] vorderen [eiser] te veroordelen om de geplaatste toegangspoorten op het uitpad aanstonds na gebruik te sluiten door middel van de overslaggrendels en de grondpinnen. Zij leggen aan deze vordering ten grondslag dat zij bevoegd zijn hun erven af te sluiten en dat dat bovendien noodzakelijk is in verband met hun hond en kleinkinderen. [eiser] haalt de grondpin niet altijd omhoog en draait deze geen kwartslag. De pinnen slepen hierdoor over de grond. [eiser] betwist dat zij de poorten niet deugdelijk afsluit. Zij sluit de poorten met de grendels aan de bovenkant. Van [eiser] – en derden die van het uitpad gebruik maken – kan niet worden verwacht dat zij steeds de pinnen in de grond bevestigen. De pinnen dienen geen enkel redelijk belang, zo voeren [gedaagden] aan.
5.19.
Zoals [gedaagden] terecht stellen, zijn zij bevoegd hun erven af te sluiten. [gedaagden] hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat [eiser] de poorten na gebruik niet altijd direct sluit. De vordering dat [eiser] de poorten aanstonds na gebruik moet sluiten, is dan ook toewijsbaar. Zoals reeds in conventie overwogen, heeft [eiser] evenwel voldoende aannemelijk gemaakt dat het bevestigen van de grondpinnen bij de twee toegangspoorten bezwarend is. De veroordeling strekt dan ook tot het aanstonds na gebruik sluiten van de poorten door middel van de overslaggrendels.
[eiser] moet de camera’s verwijderen
5.20.
[gedaagden] vorderen een verbod voor [eiser] om (één of meer) camera’s te richten op het perceel van [gedaagden] en om video- of audio-opnamen te maken, te bewaren of te gebruiken. [gedaagden] stellen dat de camera van [eiser] die gericht is op het uitpad over het erf van [gedaagden] , een voortdurende inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer maakt. Dit is onrechtmatig. [eiser] voert als verweer aan dat de camera slechts gericht staat op het uitpad en dat het perceel [adres 2] niet wordt gefilmd. Bovendien heeft [eiser] een gerechtvaardigd belang bij de camera, omdat zij op die manier bewijs kan verzamelen voor als [gedaagden] inbreuk maken op de erfdienstbaarheid en in strijd handelen met de eerdere veroordelingen.
5.21.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het [eiser] in beginsel is toegestaan om camera’s te plaatsen ter beveiliging van haar woning. Dit recht is echter niet onbegrensd. Onder omstandigheden kan het plaatsen van camera’s onrechtmatig zijn jegens [gedaagden] . Daarvan kan sprake zijn als door de positie van de camera’s en/of door het maken van opnamen door die camera’s op ontoelaatbare wijze inbreuk wordt gemaakt op de privacy van [gedaagden] , zoals zij stellen. In het algemeen geldt als norm dat iedereen recht heeft op privacy en het recht heeft om “onbespied” te zijn en/of “niet afgeluisterd” te worden in eigen woning en tuin. Een inbreuk op dat recht is in beginsel een onrechtmatige daad. Een rechtvaardigingsgrond kan het onrechtmatige karakter wegnemen, te beoordelen aan de hand van de omstandigheden van het geval.
5.22.
Niet in geschil is dat er één camera gericht is op het uitpad. [gedaagden] hebben niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van meerdere camera’s. Het pad is onderdeel van het erf van [gedaagden] . [eiser] heeft de camera dus niet gericht op haar eigendom. Dit maakt de camera en het maken van opnames daarmee in beginsel onrechtmatig. De beoogde mogelijkheid om bewijs te verzamelen vormt geen rechtvaardigingsgrond als hiervoor bedoeld. Partijen staan bovendien op gespannen voet met elkaar en het maken van opnames heeft de situatie doen escaleren. Daar komt nog bij dat partijen de gemaakte opnames steeds anders interpreteren. Het gevraagde verbod is toewijsbaar.
Er worden geen dwangsommen aan [eiser] opgelegd
5.23.
Om dezelfde redenen als in conventie acht de voorzieningenrechter ook in reconventie het opleggen van een dwangsom niet opportuun.
de proceskosten in conventie en in reconventie
5.24.
Omdat beide partijen deels gelijk en deels ongelijk krijgen, worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
veroordeelt [gedaagden] om binnen één week na betekening van dit vonnis de ijzeren pinnen van hun poorten te verwijderen,
6.2.
veroordeelt [gedaagden] om binnen één week na betekening van dit vonnis de borden “Verboden Toegang” en “ [adres 2] ” te verwijderen,
6.3.
verbiedt [gedaagden] [eiser] en personen die ten behoeve van [eiser] gebruik van het uitpad maken of willen maken, lastig te vallen, na te roepen, na te staren en/of te fotograferen,
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
compenseert de kosten in conventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.7.
veroordeelt [eiser] om de door [gedaagden] geplaatste poorten op het uitpad over perceel [kadastraal nummer 2] , aanstonds na gebruik te sluiten door middel van de overslaggrendels,
6.8.
verbiedt [eiser] om één of meer camera’s zodanig geplaatst of ingesteld te houden dat daarmee zicht wordt verkregen op (enig deel van) het erf van [gedaagden] , en om van dat erf video- en/of audio-opnamen te maken, te bewaren of te gebruiken;
6.9.
verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.10.
compenseert de kosten in reconventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
3608/1694