Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 21 juli 2025, met bijlagen;
- het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;
- het antwoord in reconventie en de wijziging van eis in conventie, met bijlagen.
2.De feiten
Op 7 maart jl. heeft mijn kantoorgenoot, de heer [naam] , u een mail verstuurd met het
3.Het geschil
4.De beoordeling
Een beding waarbij de werkgever verbiedt of beperkt dat de werknemer voor anderen arbeid verricht buiten de tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht bij die werkgever, is nietig, tenzij dit beding kan worden gerechtvaardigd op grond van een objectieve reden.’ Een dergelijke reden heeft [eiser] volgens [gedaagde] niet. [eiser] weerspreekt dat. Zij stelt dat haar belangen liggen bij het voorkomen van strijd met de Arbeidstijdenwet en bij de omstandigheid dat het nevenwerk niet alleen tijdens werktijd van [eiser] werd verricht maar ook concurrerend was.
indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.’ Deze situatie doet zich volgens [gedaagde] voor omdat [eiser] hem door het betalen van te weinig salaris en vervolgens aanspraak maken op hoge boetes vanwege nevenwerk zodanig onder druk heeft gezet dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd. [eiser] wijst erop dat [gedaagde] zelf heeft opgezegd en dat van onder druk zetten geen sprake was.
De afgelopen dagen is er veel gebeurd en heeft bij mij wederom grote spanningen teweeggebracht, wat volgens mij nog steeds niet nodig zou zijn geweest. De persoonlijke verhoudingen zijn daardoor helaas ook beschadigd geraakt en ik denk inmiddels teveel beschadigd.’ Vervolgens schrijft [gedaagde] dat hij een aanbod van een opdrachtgever heeft gekregen, dat hij daarvan gebruik maakt en dat hij daarom opzegt. Met deze opzegging heeft [eiser] ingestemd. Op basis van de opzeggingsbrief kan niet worden vastgesteld dat de reden van de opzegging samenhing met zodanig handelen of nalaten van [eiser] dat als ernstig verwijtbaar kan worden aangemerkt. Duidelijk is wel dat er het een en ander aan vooraf is gegaan, maar wat dat is en aan wie dat te wijten zou zijn geweest, is niet of te weinig concreet geworden. Niet is daarom komen vast te staan dat de situatie als bedoeld in artikel 7:653 lid 4 BW Pro zich voordoet. Dat verweer wordt dus verworpen.