De rechtbank Rotterdam heeft op 10 maart 2026 een tussenbeslissing genomen in een strafzaak betreffende de detentieomstandigheden van de verdachte in een geheime detentielocatie.
De verdediging verzocht om het toevoegen van Woo-stukken, het horen van getuigen en aanvullende onderzoekshandelingen, stellende dat het Openbaar Ministerie invloed zou hebben uitgeoefend op de detentie en bejegening van de verdachte. De verdediging baseerde haar verzoeken op nieuwe informatie uit Woo-stukken die een ander beeld schetsten van het inspectieonderzoek en de detentieomstandigheden.
Het Openbaar Ministerie betwistte deze stellingen en stelde dat de onderzoekswensen niet relevant zijn voor de ontvankelijkheid of strafmaat. De rechtbank oordeelde dat de Woo-stukken en andere stukken als processtukken zijn toegevoegd, maar zag onvoldoende aanleiding om nader onderzoek te gelasten of een aanvullende regiezitting te plannen.
De rechtbank benadrukte dat de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis bij de minister van Justitie en Veiligheid ligt en dat het Openbaar Ministerie geen beslissingsbevoegdheid heeft over de wijze van detentie. De onderzoeksverzoeken werden afgewezen en het onderzoek geschorst tot de zitting op 2 april 2026.