ECLI:NL:RBROT:2026:2379

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
71-315090-22
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 348 SvArt. 350 SvPenitentiaire Beginselenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing onderzoeksverzoeken en schorsing onderzoek in strafzaak over detentieomstandigheden

De rechtbank Rotterdam heeft op 10 maart 2026 een tussenbeslissing genomen in een strafzaak betreffende de detentieomstandigheden van de verdachte in een geheime detentielocatie.

De verdediging verzocht om het toevoegen van Woo-stukken, het horen van getuigen en aanvullende onderzoekshandelingen, stellende dat het Openbaar Ministerie invloed zou hebben uitgeoefend op de detentie en bejegening van de verdachte. De verdediging baseerde haar verzoeken op nieuwe informatie uit Woo-stukken die een ander beeld schetsten van het inspectieonderzoek en de detentieomstandigheden.

Het Openbaar Ministerie betwistte deze stellingen en stelde dat de onderzoekswensen niet relevant zijn voor de ontvankelijkheid of strafmaat. De rechtbank oordeelde dat de Woo-stukken en andere stukken als processtukken zijn toegevoegd, maar zag onvoldoende aanleiding om nader onderzoek te gelasten of een aanvullende regiezitting te plannen.

De rechtbank benadrukte dat de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis bij de minister van Justitie en Veiligheid ligt en dat het Openbaar Ministerie geen beslissingsbevoegdheid heeft over de wijze van detentie. De onderzoeksverzoeken werden afgewezen en het onderzoek geschorst tot de zitting op 2 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst de onderzoeksverzoeken af en schorst het onderzoek tot de zitting van 2 april 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team straf 2
parketnummer: 71-315090-22
Tussenbeslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,
voor deze zaak domicilie kiezende te Amsterdam, ten kantore van haar raadslieden
mr. G.G.J. Knoops en mr. C.J. Knoops-Hamburger.

Algemeen

Deze tussenbeslissing is gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 februari 2026. Aanleiding voor de regiezitting was het verzoek van 10 september 2025 waarbij de verdediging nieuwe onderzoekswensen heeft ingediend en is verzocht om heropening van de zitting van 2 september 2025. Op 10 februari 2026 is een nadere schriftelijke toelichting op deze verzoeken gegeven en zijn tevens aanvullende verzoeken gedaan. Voorts is op 11 februari 2026 een brief van de verdediging ontvangen met daarin voorgenomen verzoeken en een verzoek tot planning van een aanvullende regiezitting.
Op de regiezitting van 23 februari 2026 zijn deze onderzoekswensen en het verzoek om een aanvullende regiezitting toegelicht.
De overwegingen die hierna volgen en alle beslissingen die daaruit voortvloeien zijn
voorlopig van aard, gelet op de functie die ze hebben binnen deze strafzaak en het moment
waarop ze zijn genomen.
De rechtbank heeft de onderzoekswensen getoetst aan het verdedigingsbelang: is hetgeen is verzocht in redelijkheid van belang in deze strafzaak voor de bespreking en beantwoording van de vragen die voortkomen uit de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De ingediende onderzoekswensen

De verdediging heeft – kort en zakelijk samengevat – de rechtbank verzocht om het voegen van stukken die zijn verkregen op grond van de Wet Open Overheid (hierna: Woo-stukken), alsmede andere stukken en het horen van getuigen. Tevens is verzocht om aanvullende onderzoekshandelingen te laten plaatsvinden.
De toelichting door de verdediging
De verdediging heeft deze onderzoekswensen – kort en zakelijk samengevat – als volgt toegelicht.
Op 3 september 2025 heeft de verdediging de beschikking gekregen over Woo-stukken, waaruit een ander beeld voortkomt ter zake van het door de Inspectie uitgevoerde onderzoek naar de detentielocatie van de verdachte en de daarmee gemoeide detentieomstandigheden. Uit de Woo-stukken blijkt onder meer dat het inspectieonderzoek niet conform eigen protocollen heeft plaatsgevonden en dat de Inspectie door de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) en het Openbaar Ministerie werd tegengewerkt en beïnvloed. Het voegen van deze stukken is redelijkerwijs van belang voor de door de rechtbank te nemen beslissingen.
Daarnaast wordt verzocht getuigen te horen en het Openbaar Ministerie opdracht te geven aanvullende stukken aan het dossier toe te voegen. Dit nadere onderzoek is noodzakelijk voor het vaststellen van de feitelijke detentie-omstandigheden. Uit het dossier zoals dat thans voorligt, volgt dat de door de [getuige] afgelegde verklaring op wezenlijke onderdelen niet strookt met de objectieve vastleggingen in de detentiedossiers en de uit de Woo- en andere stukken blijkende (nieuwe) gegevens. De stukken geven inzicht in de context, besluitvorming en informatie-uitwisseling rondom de detentie van de verdachte. Tevens bevestigen zij de noodzaak van de daaruit voortvloeiende verzoeken, waaronder het verzoek tot voeging van aanvullende stukken zoals bejegeningsplannen en GRIP (Gedetineerden Recherche Informatiepunt)-rapportages, teneinde te komen tot een volledige en feitelijke vaststelling van de omstandigheden waaronder de verdachte in detentie heeft verbleven.
Het Openbaar Ministerie blijkt bovendien directe invloed te hebben uitgeoefend op de detentie en de bejegening van de verdachte in detentie. Het heeft voorts de eigen rol hierbij verzwegen en verhuld en de rechters(-commissarissen) misleid in de door hen te nemen beslissing ten aanzien van de voorlopige hechtenis. De rechtsbeginselen die zich verzetten tegen een dergelijke bemoeienis van het Openbaar Ministerie dienen om de rechtspositie van de verdachte te waarborgen, in het bijzonder haar recht op een onafhankelijke vervolging en eerlijk strafproces. Om de aard en de omvang van de schendingen vast te kunnen stellen is nader onderzoek nodig.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle onderzoekswensen moeten worden afgewezen. De vraag is of binnen de periode van detentie in de geheime detentielocatie sprake is van feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de beslissing ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of ten aanzien van de strafmaat. Dat is niet het geval. Er is vastgesteld dat de geheime detentielocatie op het moment dat de verdachte daar verbleef niet voldeed aan alle eisen van de Penitentiaire Beginselenwet. De Inspectie was niet op de hoogte van de locatie, er was geen Commissie van Toezicht ingericht en de huisregels waren niet schriftelijk aan de gedetineerde verstrekt zoals wel zou moeten. De omvang van de schending is daarmee duidelijk. Aan alle overige vereisten die aan de detentie worden gesteld was wel voldaan; zo had de verdachte toegang tot haar advocaten en medische zorg door een arts en een verpleegkundige.
Het Openbaar Ministerie betwist dat de verklaring van de [getuige] als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt. Het enige punt waar de verklaring van [getuige] onjuist is geweest is met betrekking tot de camerabeelden. DJI heeft aangegeven dat er geen camerabeeld op de luchtplaats van de geheime detentielocatie was, in tegenstelling tot hetgeen normaal gebruikelijk is bij Penitentiaire Inrichtingen. Dit maakt niet dat de gehele verklaring van [getuige] als onbetrouwbaar kan worden aangemerkt.
Het Openbaar Ministerie heeft geen directe invloed uitgeoefend op de detentie en de bejegening van de verdachte binnen detentie. Er is een door het Openbaar Ministerie ontvangen bericht over (zorgen over) het insulinegebruik van de verdachte doorgestuurd naar de detentielocatie en er is desgevraagd aangegeven dat het Openbaar Ministerie, ondanks het geldende bevel beperkingen, geen bezwaar had tegen het openzetten van de celdeur. Van druk dan wel sturing uitoefenen of het valselijk voorlichten van de rechter-commissaris is echter geen sprake geweest.

Beslissingen ten aanzien van de onderzoekswensen

Het voegen van de Woo- en andere stukken
De verdediging heeft bij haar verzoeken van 10 september 2025 de Woo-stukken gevoegd en aan de rechtbank verstrekt. Bij de nadere schriftelijke toelichting van 10 februari 2026 heeft zij wederom diverse stukken aan de rechtbank verstrekt, waaronder aantekeningen ten aanzien van het detentiedossier dat is ingezien en daarnaast Woo-stukken ten aanzien van de vervolging. Deze stukken heeft de verdediging op de zitting van 23 februari 2026 als onderdeel van het pleidooi ingebracht en besproken ter onderbouwing van haar verweer. In een dergelijk geval behoren de stukken in beginsel tot de processtukken, tenzij de rechter beslist dat het stuk wordt geweigerd. Daartoe ziet de rechtbank echter geen aanleiding, zodat de genoemde stukken thans als zodanig onderdeel uitmaken van het dossier.
Overige verzoeken
De verdediging heeft op eerdere zittingen diverse onderzoekswensen gedaan die zagen op de vaststelling van de detentieomstandigheden tijdens het verblijf van de verdachte in de geheime detentielocatie.
Daarop heeft de rechtbank (onder meer) in haar beslissing van 22 mei 2025 bepaald dat zij nader geïnformeerd wilde worden over de
feitelijkedetentieomstandigheden van de verdachte. Daartoe is als getuige de in de periode van 24 april tot en met 2 mei 2023 voor de detentielocatie verantwoordelijke directeur [getuige] opgeroepen en ter zitting van 2 september 2025 gehoord.
De rechtbank heeft toen ook expliciet overwogen dat het daarbij niet gaat om vast te stellen welke van de bij de (uitvoering van) de detentie betrokken instanties voor de besluitvorming en de gang van zaken rondom de detentie verantwoordelijk gehouden kunnen of moeten worden. De rechtbank dient vast te stellen óf de rechten van de verdachte in deze strafzaak zijn geschonden om vervolgens te kunnen beoordelen of er een inbreuk heeft plaatsgevonden en in het bevestigende geval wat de omvang van die inbreuk is geweest en welke gevolgen daaraan in de strafzaak mogelijk moeten worden verbonden.
De verdediging verzoekt nu wederom een groot aantal getuigen te horen en aan het Openbaar Ministerie opdracht te geven tot het voegen van stukken/verslaglegging die van belang zouden zijn voor het vaststellen van de feitelijke detentieomstandigheden. Een deel van deze verzoeken is al eerder gedaan maar deze worden nu onder meer onderbouwd met de nieuw ingebrachte Woo- en detentiestukken. Uit de Woo-stukken van de Inspectie blijkt dat er veel discussie is geweest tussen de Inspectie en DJI en overige partijen over de totstandkoming van de rapportage die door de Inspectie is opgemaakt. Die discussie raakt echter niet aan de feitelijke detentie-omstandigheden, waarover de rechtbank nog nader voorgelicht heeft willen worden.
Dit geldt ook voor wat de verdediging naar voren heeft gebracht over de detentiedossiers en de Woo-stukken over de vervolging van de verdachte. Anders dan de verdediging ziet de rechtbank in deze stukken thans onvoldoende aanknopingspunten om nader onderzoek te gelasten.
Rol van het Openbaar Ministerie bij de detentie
Vooropgesteld wordt dat de rechter-commissaris geen beslissingsbevoegdheid heeft ten aanzien van de wijze van tenuitvoerlegging van het bevel bewaring en dat geldt op gelijke voet voor de raadkamer die de voorlopige hechtenis heeft bevolen. Uit de ‘Aanwijzing kader voor tenuitvoerlegging’ volgt dat de algehele verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging ligt bij de minister van Justitie en Veiligheid. Het Openbaar Ministerie heeft weliswaar de bevoegdheid om de minister te adviseren over de wijze van tenuitvoerlegging, maar heeft over de invulling daarvan geen beslissingsbevoegdheid, hetgeen ook geldt voor de rechters-commissarissen en de rechtbank.
De verdediging heeft uitgebreid onderbouwd waarom zij van oordeel is dat het Openbaar Ministerie op niet-toegestane wijze invloed heeft uitgeoefend op de detentie van de verdachte en de officier van justitie heeft dit op zijn beurt gemotiveerd betwist. Deze discussiepunten zullen zo nodig bij de inhoudelijke behandeling besproken worden en in het kader van de op grond van artikel 348 en Pro 350 Sv te beantwoorden vragen beoordeeld kunnen worden. De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd voorshands echter geen aanleiding om nader onderzoek te gelasten. De verzoeken worden daarom afgewezen.

Verzoek aanvullende regiezitting

Bij brief van 11 februari 2026 heeft de verdediging verzocht om een aanvullende regiezitting om nadere onderzoekswensen en verzoeken te onderbouwen en in te dienen en deze tijdens de aanvullende regiezitting toe te lichten.
De rechtbank ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding om een aanvullende regiezitting in te plannen. Het onderzoek kan in volle omvang plaatsvinden op de terechtzitting die op 2 april 2026 zal aanvangen. Daarom wordt dat verzoek afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst af de verzoeken zoals hiervoor omschreven;
schorst het onderzoek op de terechtzitting tot de
terechtzitting op 2 april 2026 te 9.00 uur, locatie Rotterdam, zaal 35;
beveelt de oproeping van de verdachte op het kantooradres van haar raadslieden met verstrekking van een afschrift van de oproeping aan de raadslieden.
Deze beslissing is op 10 maart 2026 gegeven door:
mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,
mrs. A.J.P. van Essen en P. Putters, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier.
De jongste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.