ECLI:NL:RBROT:2026:2344

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
C/10/714568 / JE RK 26-249
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 255 lid 1 Boek 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden in een pleegzorgvoorziening. De minderjarige verbleef op een geheime locatie en voelde zich onveilig bij haar vader, die het ouderlijk gezag heeft. De moeder is momenteel geen optie voor verblijf, maar wordt onderzocht voor een mogelijke rol in het leven van de minderjarige.

Tijdens de zitting was de vader aanwezig met zijn advocaat, terwijl de moeder niet verscheen. De minderjarige heeft schriftelijk haar wensen kenbaar gemaakt, waaronder het willen wonen bij haar moeder of bij haar grootmoeder moederszijde, waar ook haar halfbroer verblijft. De gecertificeerde instelling onderschreef het verzoek en benadrukte de geschiktheid van de plaatsing bij de grootmoeder.

De kinderrechter constateerde ernstige ontwikkelingsbedreiging conform artikel 255 lid 1 BW Pro, mede door de onveilige thuissituatie bij de vader, die door de minderjarige wordt beschuldigd van fysiek geweld, hetgeen hij ontkent. De huidige crisisplaatsing buiten de regio voldoet niet aan de behoeften van de minderjarige. De plaatsing bij de grootmoeder wordt als beste optie gezien, met monitoring van contactherstel tussen vader en kind en mogelijke inzet van een vertrouwenspersoon of jongerencoach.

De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, waarbij ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing werden toegekend voor respectievelijk één jaar en zes maanden. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De minderjarige wordt onder toezicht gesteld en krijgt een machtiging tot uithuisplaatsing in netwerkpleegzorg voor zes maanden, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/714568 / JE RK 26-249
Datum uitspraak: 23 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.F.A. van Pelt, kantoorhoudende in Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 6 februari 2026, ontvangen op 6 februari 2026;
  • de berichten van de Raad van 13 en 20 februari 2026;
  • het raadsrapport van 16 februari 2026, ontvangen op diezelfde datum;
  • de brief van [minderjarige] , ontvangen op 18 februari 2026;
  • het bericht van de moeder van 23 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, [naam 2] .
1.3.
Opgeroepen en niet verschenen is de moeder, met bericht van afwezigheid.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] hierin heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft op een geheime locatie.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 november 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 28 februari 2026 en een machtiging verleend [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van
28 november 2025 tot 26 december 2025, waarbij het verzoek voor het overige is aangehouden.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft voorts bij beschikking van 11 december 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 28 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en verwijst hierbij naar het raadsrapport. [minderjarige] wil zelf graag bij haar moeder wonen, maar deze wens moet nog verder worden onderzocht. [minderjarige] heeft aangegeven dat zij niet terug wilt naar haar vader, zij voelt zich onveilig bij hem. In de aankomende periode moet worden onderzocht in hoeverre de moeder een rol kan spelen in het leven van [minderjarige] en of de relatie van [minderjarige] met haar vader hersteld kan worden, zo lang dit op een veilige manier kan. [minderjarige] kan bij de oma moederszijde geplaatst worden. Dit is voor nu ook de wens van [minderjarige] .

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft zich tijdens de mondelinge behandeling aangesloten bij het verzoek van de Raad en daar het volgende aan toegevoegd. De plek bij oma moederszijde is een geschikte plek voor [minderjarige] . De halfbroer van [minderjarige] , [naam 3] , verblijft ook bij oma moederszijde. [naam 3] en [minderjarige] zijn heel hecht samen, daarom staat de GI ook achter deze plaatsing. De plek bij oma moederszijde wordt op dit moment gescreend. [minderjarige] is up to date met school. Ze heeft nu een laptop waarop zij lessen kan volgen. Ze heeft net tentamens gehad. De GI heeft desgevraagd aangegeven dat de zorgen van de vader, dat er tegenover [minderjarige] negatief over hem wordt gesproken door de familie van de moeder, een punt is van aandacht voor de komende periode.
4.2.
Namens en door de vader is verweer gevoerd. De vader zou het liefst zien dat [minderjarige] bij hem wordt teruggeplaatst, maar hij begrijpt dat dat nu geen optie is. De vader erkent dat hij te streng is geweest voor [minderjarige] , maar hij is nooit fysiek geweest naar [minderjarige] . De vader acht Fier, locatie Veilige Veste in Capelle aan den IJssel, op dit moment de beste plek voor [minderjarige] . De vader zal [minderjarige] ook met rust laten als zij hier geplaatst zal worden. [minderjarige] is hier op een neutrale plek en de vader acht dit beter voor haar. Eerder is [minderjarige] vanuit de woning van oma moederszijde uiteindelijk door haar moeder ontvoerd naar Syrië. De vader is hier weer bang voor en hij vreest dat [minderjarige] negatief zal worden beïnvloed over de vader door moeders netwerk. Desgevraagd is volgens de vader de eerdere crisisplaatsing van [minderjarige] niet gelukt, omdat zij toen in Groningen verbleef en niet in deze regio. Hierdoor kan zij niet naar haar school gaan en geen contact hebben met haar vriendinnen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
5.2.
Uit de stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat er grote zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] , waardoor gesproken kan worden van een ernstige ontwikkelingsbedreiging als bedoeld in artikel 255, eerste lid, van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. [minderjarige] heeft al veel in haar leven meegemaakt en zij heeft weinig stabiliteit en veiligheid gekend. De moeder geeft aan dat er sprake is geweest van huiselijk geweld in de relatie van de ouders. [minderjarige] is op vijfjarige leeftijd, samen met haar halfbroer, door de moeder meegenomen naar Syrië. [minderjarige] heeft daar zes jaren verbleven en heeft zeer waarschijnlijk ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. [minderjarige] is op elfjarige leeftijd, dankzij de inzet van de vader, door de Nederlandse overheid weer naar Nederland gehaald. Zij verbleef toen eerst achtereenvolgens op twee verschillende groepen en daarna verbleef zij bij haar vader. Het verblijf van [minderjarige] bij haar vader verliep goed en de hulpverlening en de betrokkenheid vanuit jeugdbescherming werd destijds afgesloten.
5.3.
Op dit moment zijn er zorgen over de opvoedsituatie bij de vader. De verhalen van [minderjarige] en de vader over wat er in de huiselijke sfeer gebeurt, komen niet met elkaar overeen. [minderjarige] geeft aan dat zij vaak alleen was, omdat vader vaak bij zijn nieuwe vriendin in Almere verbleef. Als de vader thuis was, kon hij boos zijn naar [minderjarige] over onvoldoende uitgevoerde taken in het huishouden, slechte schoolcijfers of het verzuimen van een volleybaltraining. [minderjarige] noemt dat zij het laatste anderhalf jaar bij de vader door hem is geslagen, geschopt en gewurgd en dat zij hier ook letsel van had. [minderjarige] heeft zich op een gegeven moment, toen haar vader in het buitenland zat, bij de politie gemeld en aangegeven dat zij zich onveilig voelt bij de vader thuis en door hem wordt mishandeld. Er zouden verschillende foto’s bij de politie en bij de jeugdbescherming bekend zijn, waarop letsel bij [minderjarige] te zien zou zijn. De vader erkent dat hij soms te streng is voor [minderjarige] en dat hij dreigend over kan komen, maar hij ontkent stellig dat hij ooit fysiek geweld jegens [minderjarige] heeft gebruikt. De vader erkent ook dat hij [minderjarige] de afgelopen periode wellicht te vaak alleen heeft gelaten als hij bij zijn nieuwe vriendin was.
5.4.
[minderjarige] verblijft nu op een crisisplek ver buiten de regio, maar deze plaatsing sluit niet aan bij wat [minderjarige] nodig heeft en wat zij wenst. Zij is eenzaam. [minderjarige] wil zelf graag bij haar moeder gaan wonen en de moeder wil dit ook, maar dit is op dit moment geen optie. De woning van de moeder laat een verblijf van [minderjarige] niet toe. Daarnaast dient eerst nog te worden onderzocht in hoeverre de moeder een grotere rol kan spelen in het leven van [minderjarige] dan tot nu toe, waaronder een mogelijk verblijf bij de moeder. In dit onderzoek dienen dan ook de zorgen van de vader over een verblijf bij de moeder te worden meegenomen. De kinderrechter overweegt dat een vervolgplek in het netwerk, te weten bij de grootmoeder moederszijde, op dit moment de beste plek is voor [minderjarige] . Zij wil dit zelf ook heel graag en, gelet op wat zij de afgelopen periode heeft meegemaakt, is voor haar rust, veiligheid, stabiliteit en een plek waar [minderjarige] zich fijn voelt momenteel het meest in haar belang. Een plaatsing op een nieuwe groep ligt op dit moment niet voor, alleen al omdat daarvoor geen verzoek bij de kinderrechter is ingediend. Op dit moment wordt de plek bij de grootmoeder gescreend door pleegzorg. De halfbroer van [minderjarige] , met wie zij een hechte band heeft, verblijft ook bij de grootmoeder. De plaatsing bij de grootmoeder dient door de GI zorgvuldig te worden gemonitord, waarbij er aandacht moet zijn voor het contactherstel tussen de vader en [minderjarige] . Contactherstel met de vader wordt in het algemeen in het belang van [minderjarige] geacht, maar zij moet daar voor open staan en het opbouwen van het contact dient op een veilige manier te gebeuren. De hulpverlening zal eerst het vertrouwen van [minderjarige] moeten verkrijgen en dient zich voorts ook te richten op de zorgen van de vader die erop neer komen dat het contactherstel tussen hem en [minderjarige] kan worden bemoeilijkt door de spanningen tussen de vader en het netwerk van de moeder. Het lijkt de kinderrechter goed als [minderjarige] vanuit de hulpverlening een vertrouwenspersoon heeft, met wie zij dingen kan delen die haar dwars zitten of die haar zorgen baren. Hierbij kan ook worden gedacht aan een jongerencoach voor [minderjarige] , die op een laagdrempelige manier met haar contact kan hebben. De GI zal vervolgens moeten onderzoeken of er aanvullende hulpverlening voor [minderjarige] nodig is.
5.5.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west met ingang van 23 februari 2026 tot 23 februari 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg met ingang van 23 februari 2026 tot 23 augustus 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van J.A. van Soest als griffier, en op schrift gesteld op 2 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.