ECLI:NL:RBROT:2026:2343

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
C/10/712790 / HA ZA 26-16
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1019w RvArt. 1019cc lid 1 RvArt. 1019cc lid 3 sub a RvWAM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tussentijds hoger beroep in deelgeschil letselschade tussen COA en gedaagde

Op 21 september 2022 werd de gedaagde aangereden door een medewerker van het COA met een golfkarretje op het terrein van een AZC. Het COA erkende aansprakelijkheid. In een eerdere deelgeschilprocedure werd vastgesteld dat er juridisch causaal verband bestaat tussen het ongeval en de klachten van de gedaagde, en dat het COA onrechtmatig heeft gehandeld vanwege vertragingen.

Het COA is het niet eens met deze beslissing en startte een bodemprocedure waarin het onder meer betwist dat de huidige rugklachten van de gedaagde verband houden met het ongeval en stelt dat de schadevergoeding te hoog is. Het COA verzocht om tussentijds hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking.

De gedaagde betoogde dat hoger beroep onnodige vertraging veroorzaakt en het schaderegelingsproces belemmert. De rechtbank oordeelt echter dat het hoger beroep doelmatig is omdat het causaal verband een cruciale kwestie betreft die bepalend is voor de zaak. Daarom wordt het verzoek van het COA toegewezen en wordt de bodemprocedure aangehouden in afwachting van het hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank verleent tussentijds hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking en houdt de bodemprocedure aan in afwachting van het hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Zaaknummer: C/10/712790 / HA ZA 26-16
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS (COA),
te Rijswijk,
eisende partij,
hierna te noemen: het COA,
advocaat: mr. M.R. van der Zee,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. T.K.A.B. Eskes.
Partijen zullen hierna worden aangeduid als het COA en [gedaagde] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 december 2025 met producties 1 tot en met 17;
- de akte van [gedaagde] van 9 januari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
[gedaagde] is op 21 september 2022 met een golfkarretje aangereden door een medewerker van het COA. [gedaagde] woonde op dat moment met zijn gezin in het AZC te ’s-Gravendeel. Het golfkarretje werd alleen gebruikt op het eigen terrein van het AZC.
Het golfkarretje was niet verzekerd op grond van de WAM. [gedaagde] heeft het COA aansprakelijk gesteld en het COA heeft de aansprakelijkheid erkend.
2.2.
Op 20 maart 2025 heeft [gedaagde] een deelgeschil als bedoeld in artikel 1019w Rv aanhangig gemaakt. In die procedure heeft [gedaagde] verzocht, bij beschikking:
Primair
1. voor recht te verklaren dat de conclusies van 1MA als uitgangspunt dient te gelden in de
regelingsdiscussie tussen partijen en het juridisch causaal verband dient te worden aangenomen tussen de klachten van [gedaagde] en het ongeval;
2. verweerster (lees: Het COA) te bevelen een nader voorschot ad € 50.000,--, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, op de schade c.q. het smartengeld te verstrekken, teneinde de schade ten dele te vergoeden;
3. verweerster te bevelen een nader voorschot ad € 15.000,--, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, op de BGK schade te verstrekken, teneinde de schade ten dele te vergoeden;
4. voor recht te verklaren dat verweerster onbehoorlijk c,q. onzorgvuldig c.q. onrechtmatig jegens verzoekster heeft gehandeld en verweerster te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 10.000,-- althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
5. verweerster te veroordelen in de kosten van dit deelgeschil vooralsnog begroot op€ 9.994,--, te vermeerderen met griffiegeld, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
6. de punten 1 tot en met 5 uitvoerbaar bij voorraad te verklaren; en
7. te bevelen dat voornoemde kostenveroordeling binnen 14 dagen na de uitspraak door
verweerster zal worden overgemaakt onder de noemer “vergoeding buitengerechtelijke kosten” op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van advocatenkantoor Eskes onder vermelding van “BGK [gedaagde] ”.
Subsidiair
8.
te bepalen welke vervolgstappen er in het schaderegelingsproces zouden moeten worden gezet en/of de uitgangspunten te bepalen en/of een stappenplan voor te stellen aan de hand waarvan de schaderegeling weer kan worden opgepakt en (op termijn) een eindregeling bewerkstelligd kan worden;
9.
te bevelen dat het COA binnen bekwame tijd de afspraken, zoals door uw rechtbank bepaald, uitvoert;”
En in het aanvullend verzoekschrift van 27 mei 2025 heeft [gedaagde] verzocht:
“1. het COA te bevelen de gestelde betalingen te onderbouwen door middel van overlegging van bewijsstukken;
2.
het COA te bevelen het volledige dossier dat het COA van [gedaagde] heeft opgebouwd tijdens zijn verblijf aldaar - daaronder begrepen het medisch dossier - in het geding te brengen;
3.
het COA te veroordelen in de kosten van dit aanvullend deelgeschil vooralsnog begroot op€ 892,38, te vermeerderen met het griffiegeld, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
4.
de punten 1 tot en met 3 uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;
5.
te bepalen dat de onder 1 en 2 gevraagde stukken uiterlijk voorafgaand aan of tijdens de zitting van 10 juni 2025 in het geding gebracht worden; en
6.
te bevelen dat voornoemde kostenveroordeling binnen 14 dagen na de uitspraak door het COA zal worden overgemaakt onder de noemer: “vergoeding buitengerechtelijke kosten” op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van advocatenkantoor Eskes onder vermelding “BGK [gedaagde] ”.”
2.3.
Bij beschikking van 11 september 2025 (C/10/696682 HA RK 25-280) heeft de deelgeschilrechter:
  • voor recht verklaard dat de conclusies uit de rapporten van [naam] van 1MA dienen als uitgangspunt in de regeling van de letselschade tussen [gedaagde] en het COA en dat sprake is van juridisch causaal verband tussen de klachten van [gedaagde] en het ongeval;
  • het COA bevolen een voorschot op de schade c.q. het smartengeld te verstrekken aan [gedaagde] van € 50.000,- binnen 14 dagen na de uitspraak, met dien verstande dat indien en voor zover na de (deelgeschil)zitting reeds een deel daarvan is betaald, het nog te betalen bedrag daarmee mocht worden verminderd;
  • voor recht verklaard het COA onrechtmatig heeft gehandeld vanwege vertragingen en het COA daarom veroordeeld tot betaling van een bedrag aan smartengeld aan [gedaagde] van € 750,-
  • de kosten van de deelgeschilprocedure begroot op € 9.986,90 en het COA veroordeeld tot betaling hiervan aan het [gedaagde] ;
  • bevolen dat de kostenveroordelingen binnen 14 dagen na de beschikking door het COA overgemaakt moesten worden op de (derdengeld)rekening van advocatenkantoor Eskes;
  • het anders of meer verzochte afgewezen.
2.4.
Het COA is het niet eens met deze beslissing. Het COA heeft daarom de onderhavige bodemprocedure aanhangig gemaakt jegens [gedaagde] , waarin het COA heeft gevorderd om:
“I. voor recht te verklaren dat de na het ongeval van 21 september 2022 door
de heer [gedaagde] ervaren rugklachten voor een maximale schadeperiode
van twee jaar, oftewel van 21 september 2022 tot 21 september 2024,
kunnen worden toegerekend aan het COA;
II. voor recht te verklaren dat geen juridisch causaal verband bestaat tussen de
huidige rugklachten (de hernia) van de heer [gedaagde] en het ongeval op 21
september 2022;
III. voor recht te verklaren dat het COA zich niet schuldig heeft gemaakt aan
onzorgvuldige en onbehoorlijke behandeling en in dat kader niet
onrechtmatig jegens de heer [gedaagde] heeft gehandeld en dat het COA ten
onrechte een bedrag van € 750 aan immateriële schade aan de heer
[gedaagde] heeft betaald;
IV. de schade die de heer [gedaagde] heeft geleden als gevolg van het ongeval op
21 september 2022 vast te stellen op een bedrag van € 10.956;
V. voor recht te verklaren dat het COA het méér betaalde dan de schade die de
heer [gedaagde] heeft geleden als gevolg van het ongeval op 21 september
2022 als onverschuldigd aan de heer [gedaagde] heeft betaald;
VI. de heer [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 42.044 als teveel
betaalde schadevergoeding en van € 750 als ten onrechte betaalde
immateriële schade, op grond van onverschuldigde betaling, te vermeerderen
met de wettelijke rente;
VII. de heer [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, zulks
met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met
ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen vonnis
en in de nakosten, begroot conform het liquidatietarief;
VIII. te verklaren dat het vonnis met de proceskostenveroordelingen daaronder
begrepen uitvoerbaar bij voorraad zal zijn.”
2.5.
Het COA heeft - in de dagvaarding in deze bodemprocedure - verlof gevraagd om tussentijds hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van 11 september 2025 en verzocht om de bodemprocedure aan te houden tot het hof (tussen)arrest heeft gewezen.
2.6.
Het COA heeft daartoe in het bijzonder aangevoerd dat het zich niet kan verenigen met het oordeel van de deelgeschillenrechter omtrent het juridisch causaal verband. Volgens het COA kan op basis van de twee uitgebrachte medische adviezen door medisch adviseur [naam] van 1 MA (de medisch adviseur) niet worden vastgesteld dat de huidige klachten en beperkingen van [gedaagde] in causaal verband staan met het ongeval. De medisch adviseur concludeert dat het medisch causaal verband tussen de hernia in het tweede jaar na het ongeval en het ongeval niet vaststaat. Het ongeval heeft weliswaar geleid tot ‘luxatie van rugklachten’ maar er kan niet met een redelijke mate van waarschijnlijkheid worden vastgesteld dat de spondylolysis van [gedaagde] in causaal verband staat met het ongeval.
Daarmee is de causaliteit tussen de huidige klachten van [gedaagde] en het ongeval doorbroken. De maximale termijn van de schade die in verband staat met het ongeval is beperkt tot een periode van twee jaar; daarna komt de schade niet voor vergoeding in aanmerking en teveel betaalde schadevergoeding moet worden terugbetaald, aldus het COA.
2.7.
Daarnaast kan het COA zich niet verenigen met het oordeel van de deelgeschillenrechter dat het COA onrechtmatig heeft gehandeld bij de afhandeling van de letselschade van [gedaagde] vanwege vertragingen. De vergoeding van € 750,- voor de vertragingen is ten onrechte bepaald, aldus het COA.
2.8.
[gedaagde] heeft bij akte verzocht om het door het COA gevraagde verlof voor tussentijds hoger beroep af te wijzen.
2.9.
[gedaagde] heeft daartoe betoogd dat hoger beroep onnodig vertragend werkt en leidt tot stilstand in het schaderegelingsproces en tot meer schade voor [gedaagde] . Zolang het hoger beroep loopt en het causaal verband ter discussie staat, zal noodzakelijke ondersteuning - zoals financiële medewerking van het COA om het [gedaagde] mogelijk te maken te verhuizen naar een passende woning - uitblijven. Verder leent de deelgeschilprocedure in hoger beroep zich niet voor nieuwe feiten met nadere bewijslevering. Hoger beroep voegt een extra procedurele laag toe en de vertraging die daardoor ontstaat staat haaks staat op het doel van de deelgeschilprocedure, terwijl het niet zal leiden tot finale duidelijkheid, aldus [gedaagde] .
2.10.
In de bodemprocedure heeft [gedaagde] nog niet voor antwoord geconcludeerd.
2.11.
De rechtbank stelt vast dat het verlofverzoek voor tussentijds hoger beroep tijdig is gedaan in de zin van artikel 1019 cc Pro lid 3 sub a Rv, namelijk binnen drie maanden na de eerste roldatum. Ook is [gedaagde] over het verzoek ‘gehoord’ als voorgeschreven in dit artikellid, in de zin dat hij zich over het verzoek heeft kunnen uitlaten.
2.12.
In de Memorie van Toelichting bij de Wet Deelgeschilprocedure is vermeld dat aan de mogelijkheid van hoger beroep tegen een deelgeschilbeschikking behoefte kan bestaan vóórdat een eindvonnis in de bodemprocedure is gewezen indien de beschikking een cruciale kwestie betreft die in feite bepalend is voor de afloop van de zaak. Net als wanneer een dergelijke kwestie in de bodemprocedure bij tussenvonnis zou zijn behandeld, kan het doelmatig zijn wanneer partijen deze kwestie bij het gerechtshof kunnen uitprocederen, zonder dat zij gedwongen zijn om eerst de gehele bodemprocedure in eerste aanleg af te ronden (met alle kosten en vertraging door bijvoorbeeld nadere bewijslevering van dien).
2.13.
In artikel 1019cc lid 1 Rv is bepaald dat, voor zover in de deelgeschilbeschikking uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op één of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding, de rechter daaraan in de procedure ten principale op dezelfde wijze gebonden is als wanneer de beslissing zou zijn opgenomen in een tussenvonnis in die procedure. In het onderhavige geval is in de beschikking in de deelgeschilprocedure zonder voorbehoud voor recht verklaard dat er sprake is van juridisch causaal verband tussen de klachten van [gedaagde] en het ongeval en dat het COA onrechtmatig heeft gehandeld vanwege vertragingen. Dit betekent dat op deze geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding is beslist, zoals bedoeld in artikel 1019cc lid 1 Rv.
2.14.
De vraag of sprake is van juridisch causaal verband tussen de klachten van [gedaagde] en het ongeval is doorslaggevend voor de afloop van de zaak. In de onderhavige bodemprocedure is daarom aan het hiervoor onder 2.12. weergegeven criterium voldaan. Het is doelmatig dat over de beslissing over het causaal verband, waarmee het COA zich niet kan verenigen, eerst in hoger beroep een oordeel zal worden gegeven. Het bezwaar van [gedaagde] , dat door het hoger beroep vertraging zal ontstaan en dat dit niet past bij het doel van de Wet Deelgeschilprocedure, houdt geen stand. Hoger beroep is in de wet voorzien en de doelmatigheid is hiervoor afgewogen.
2.15.
De conclusie is dat het verzoek van het COA wordt toegewezen. De procedure in de hoofdzaak zal in afwachting van het hoger beroep worden aangehouden tot na te melden rolzitting. Partijen kunnen zich (uiterlijk) dan uitlaten over de stand van zaken.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
staat tussentijds hoger beroep toe van de op 11 september 2025 onder zaak- en rekestnummer C/10/696682 HA RK 25-280 gegeven beschikking in de tussen partijen gevoerde deelgeschilprocedure;
3.2.
verwijst de zaak in afwachting van het hoger beroep in de deelgeschilprocedure naar de parkeerrol van woensdag 7 oktober 2026 opdat partijen zich dan kunnen uitlaten over de stand van zaken;
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
3246/ 638