ECLI:NL:RBROT:2026:2340

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
C/10/691295 / FA RK 24-9376, C/10/709984 / JE RK 25-2327, C/10/709986 / JE RK 25-2328, C/10/710453 / FA RK 25-8891, C/10/710651 / FA RK 25-8981
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263 BWArt. 1:264 BWArt. 1:266 BWArt. 1:267 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag moeder over minderjarige na langdurige onveilige situatie

De rechtbank Rotterdam behandelde verzoeken tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling (GI) stelden dat het gezag van de moeder schadelijk is voor de ontwikkeling van de kinderen en vroegen om beëindiging van het gezag. De moeder voerde verweer en betwistte dat zij het belang van de kinderen niet vooropstelt.

De rechtbank oordeelde dat het gezag van de moeder over [minderjarige 2] niet hoeft te worden beëindigd omdat de ontwikkelingsbedreiging kan worden weggenomen met lichtere maatregelen zoals ondertoezichtstelling en pleegzorg. De moeder accepteert het perspectief van [minderjarige 2] en er is onvoldoende bewijs dat het gezag tot problemen leidt.

Ten aanzien van [minderjarige 1] is de situatie anders. De moeder erkent niet volledig de mishandeling door de vader van [minderjarige 2] en blijft de belangen van die vader vooropstellen, wat schadelijk is voor het kind. De samenwerking met de moeder is moeizaam en er is geen aanwijzing dat dit zal verbeteren. Daarom is beëindiging van het gezag over [minderjarige 1] noodzakelijk.

De rechtbank wees verzoeken van de moeder om de schriftelijke aanwijzingen van de GI te wijzigen af, maar benadrukte het belang van een passende omgangsregeling en samenwerking tussen alle betrokkenen. De bijzondere curator werd herbenoemd om de belangen van de kinderen te blijven behartigen.

Uitkomst: Het gezag van de moeder over [minderjarige 1] wordt beëindigd, het gezag over [minderjarige 2] blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige Kamer
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/691295 / FA RK 24-9376
C/10/709984 / JE RK 25-2327
C/10/709986 / JE RK 25-2328
C/10/710453 / FA RK 25-8891
C/10/710651 / FA RK 25-8981
Datum uitspraak: 2 maart 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over (verzoeken tot) gezagsbeëindiging
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de Raad,
en
[naam moeder],
wonende in [woonplaats 1] , hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. R.H.P. Feiner, kantoorhoudende in Rotterdam,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de GI,
[naam vader minderjarige 2],
wonende in [woonplaats 2] , hierna te noemen de vader van [minderjarige 2] ,
advocaat mr. S.J. Daniels, kantoorhoudende in Utrecht,
[naam 1],
advocaat in Rotterdam, hierna te noemen de bijzondere curator.
Voor zover de verzoeken betrekking hebben op [minderjarige 1] merkt de rechtbank ook als belanghebbende aan:
[naam vader minderjarige 1],
wonende in [woonplaats 3] , hierna te noemen de vader van [minderjarige 1] ,
advocaat mr. W.H.P. de Jongh, kantoorhoudende in Roosendaal.
Voor zover het niet de eigen verzoeken betreft, merkt de rechtbank tevens als belanghebbenden aan:
de Raaden
de moeder.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van deze rechtbank van 20 juni 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken in de zaak met nummer C/10/691295;
  • het proces-verbaal van de zitting van 23 mei 2025;
  • de briefrapportage van de GI van 11 november 2025;
  • het verzoekschrift met bijlagen van de moeder betreffende [minderjarige 1] van 12 november 2025 (ingeschreven onder zaaknummer C/10/709984);
  • het verzoekschrift met bijlagen van de moeder betreffende [minderjarige 2] van 12 november 2025 (ingeschreven onder nummer C/10/709986);
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad betreffende [minderjarige 1] van 20 november 2025 (ingeschreven onder zaaknummer C/10/710453);
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad betreffende [minderjarige 2] van 25 november 2025 (ingeschreven onder zaaknummer C/10/710651);
  • de e-mail van mr. Feiner van 11 december 2025;
  • de e-mail van mr. Feiner van 13 januari 2026;
  • de aanvullende stukken van de moeder, ingestuurd door mr. Feiner op 16 januari 2026;
  • het verweerschrift, tevens inhoudende zelfstandig verzoek, van de vader van [minderjarige 1] met bijlagen, van 19 januari 2026;
  • de aanvullende stukken van de moeder, ingestuurd door mr. Feiner op 26 januari 2026;
  • de pleitnotitie van de GI, ter zitting overgelegd.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
  • de vader van [minderjarige 1] met zijn advocaat;
  • de vader van [minderjarige 2] met zijn advocaat;
- de bijzondere curator;
- een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [naam 2] ;
- twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [naam 3] en [naam 4] .
1.3.
De voormalige pleegouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn niet opgeroepen voor de zitting van 2 februari 2026. Doordat zij niet langer de pleegouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn, zijn zij niet langer belanghebbend.
1.4.
De rechtbank heeft bijzondere toegang tot de zitting verleend aan [naam 5] , de partner van de vader van [minderjarige 1] .
1.5.
Alle verzoeken zijn tijdens de zitting gelijktijdig behandeld.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader van [minderjarige 1] hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.2.
De moeder heeft eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] woont bij zijn vader. [minderjarige 2] verblijft in een pleeggezin.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 17 januari 2027.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 januari 2026 de machtiging om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de ouder met gezag, te weten de vader, verlengd tot 16 januari 2027.
2.6.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 januari 2026 de machtiging om [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 17 januari 2027.
2.7.
De GI heeft zich bij brieven van 2 mei 2025 en 14 november 2025 bereid verklaard om de voogdij over [minderjarige 2] te aanvaarden.
2.8.
De GI heeft op 10 november 2025 aan de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven over het contact tijdens de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] . Hierin is de volgende bezoekregeling opgenomen:
“Eén keer in de vier weken voor de duur van 1,5 uur onder begeleiding van Lelie Zorggroep of de jeugdbeschermer op het kantoor van LJ&R, waarbij de omgangsbegeleider op gehoor en oogafstand aanwezig is. Na 3 maanden, vanaf de start, zal de omgangsregeling geëvalueerd worden.”
2.9.
De GI heeft op 10 november 2025 aan de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven over het contact tijdens de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] . Hierin is de volgende bezoekregeling opgenomen:
“Eén keer in de twee weken voor de duur van 1,5 uur onder begeleiding van Lelie Zorggroep of de jeugdbeschermer, waarbij de omgangsbegeleider op gehoor en oogafstand aanwezig is. Tevens zal er één van de pleegouders van [minderjarige 2] aanwezig zijn.”

3.De (aangehouden) verzoeken

Het verzoek met zaaknummer C/10/691295:
3.1.
De Raad verzoekt de rechtbank om op grond van artikel 1:267, tweede lid, van het
Burgerlijk Wetboek (BW) een beslissing te nemen over de vraag of beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is. Bij beschikking van 20 juni 2025 heeft de rechtbank dit verzoek aangehouden.
3.2.
De vader van [minderjarige 1] heeft op 19 januari 2026 zelfstandig verzocht om bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, en voor het geval het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder wordt afgewezen, te bepalen dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf bij hem zal hebben.
Het verzoek met zaaknummer C/10/709984:
3.3.
De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing met betrekking tot [minderjarige 1] van
10 november 2025 vervallen te verklaren en opnieuw een omgangsregeling te bepalen, te weten een weekendregeling van eenmaal per twee weken en voorts toe te werken naar een vakantieregeling, waarvan de invulling (duur, locatie en frequentie) aan de GI is, althans een omgangsregeling in goede justitie te bepalen door de kinderrechter.
Het verzoek met zaaknummer C/10/709986:
3.4.
De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing met betrekking tot [minderjarige 2] van 10 november 2025 vervallen te verklaren en opnieuw een omgangsregeling te bepalen van een weekendregeling van eenmaal per twee weken en voorts toe te werken naar een vakantieregeling, waarvan de invulling (duur, locatie en frequentie) aan de Gl is, althans een omgangsregeling in goede justitie te bepalen door de kinderrechter.
Het verzoek met zaaknummer C/10/710453:
3.5.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder over [minderjarige 1] te beëindigen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het verzoek met zaaknummer C/10/710651:
3.6.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder over [minderjarige 2] te beëindigen en de GI tot voogd over [minderjarige 2] te benoemen. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

Het standpunt van de Raad
4.1.
De Raad heeft zijn verzoeken ter zitting gehandhaafd en – samengevat – als volgt toegelicht. [minderjarige 2] (vier jaar oud) en [minderjarige 1] (vijf jaar oud) wonen al ruim drie jaar niet meer bij de moeder. Dit is het merendeel van hun leven. De Raad vreest dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] klem en verloren dreigen te raken als zij geen duidelijkheid krijgen over hun toekomst. Hoewel de Raad ziet dat de bezoekmomenten van de kinderen met de moeder overwegend goed verlopen, blijft de strijd van de moeder voortduren. Zij grijpt constant zaken aan die voor onrust zorgen. De moeder voert strijd met de vader van [minderjarige 1] , stelt het perspectief van de kinderen ter discussie en heeft moeite om samen te werken met de GI. Zo kwam de traumabehandeling van [minderjarige 1] pas laat op gang, omdat de moeder geen toestemming gaf. Het perspectief van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is reeds bepaald en zij verblijven beiden op een goede perspectiefbiedende plek. Een gezagsbeëindiging van de moeder over beide kinderen is noodzakelijk om verder duidelijkheid en voorspelbaarheid te bieden voor hun ontwikkeling. Vanuit een situatie van rust kan vervolgens door een neutrale partij bekeken worden hoe de rol van de moeder op een passende wijze kan worden ingevuld, rekening houdend met de behoeften en draagkracht van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Ten aanzien van de omgang van de kinderen met de moeder, is de Raad van mening dat goed contact van de kinderen met hun moeder en vaders van groot belang is. Het belang van de kinderen staat echter boven het belang van de ouders. Bij een gezagsbeëindiging blijft de GI bij beide kinderen betrokken om mee te denken over een passende omgangsregeling, namelijk in het kader van de ondertoezichtstelling bij [minderjarige 1] en in het kader van de voogdij bij [minderjarige 2] .
Het standpunt van de GI
4.2.
De GI heeft zich ter zitting aangesloten bij de verzoeken van de Raad en dit – samengevat – als volgt toegelicht.
Ten aanzien van [minderjarige 1] is in de afgelopen maanden gebleken dat het gezamenlijk gezag tot spanningen en vertraging leidt. Het lukt de moeder niet om [minderjarige 1] emotionele toestemming te geven voor zijn verblijf bij de vader. De moeder is niet transparant en uit zich negatief over de vader van [minderjarige 1] . De moeder is meer bezig met haar eigen belangen in plaats van wat [minderjarige 1] nodig heeft. [minderjarige 1] heeft in zijn jonge leven ernstig geweld meegemaakt, waarbij hij is mishandeld door de vader van [minderjarige 2] . Om dit te kunnen verwerken krijgt hij, sinds hij bij de vader verblijft, traumabehandeling. Vanuit de behandelaren van Yulius is het dringende advies gegeven om gedurende de behandeling contact met de vader van [minderjarige 2] te vermijden. Desalniettemin hebben er daarna tijdens de bezoekmomenten met de moeder meerdere incidenten plaatsgevonden waarbij [minderjarige 1] door de moeder is geconfronteerd met de vader van [minderjarige 2] . De moeder blijft de vader van [minderjarige 2] verdedigen en de ernst van het geweld bagatelliseren. Het lukt de moeder niet om ondubbelzinnig de kant van [minderjarige 1] te kiezen. Om de kwaliteit en de veiligheid van het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] te waarborgen, heeft de GI ervoor gekozen om de omgang aan te passen op een wijze die aansluit bij de belastbaarheid van [minderjarige 1] . De moeder blijft de wens uiten om de vader van [minderjarige 2] te betrekken bij de contactmomenten met [minderjarige 1] . Het lukt de moeder ook niet om op haar eigen handelen te reflecteren, waardoor er geen constructieve samenwerking mogelijk is.
4.3.
Ook ten aanzien van [minderjarige 2] heeft de GI onvoldoende vertrouwen dat de moeder beslissingen neemt in zijn belang. De GI ziet dat de moeder goede intenties heeft en betrokken wil zijn, maar dat een patroon zichtbaar is waarbij zij haar eigen emoties en belangen vooropstelt. Een gezagsbeëindiging van de moeder over beide kinderen zal leiden tot meer duidelijkheid over haar positie en tot minder discussies. De omgang met [minderjarige 2] is eveneens aangepast, gelet op het doel van de omgang, te weten kwalitatieve en betekenisvolle omgangsmomenten. De GI is van mening dat de kwaliteit van het contact in de aangepaste omgangsregeling meer centraal staat. Een hogere frequentie is mogelijk te belastend voor [minderjarige 2] en sluit onvoldoende aan bij zijn behoeften en draagkracht. Daarnaast lukt het de moeder ook ten aanzien van [minderjarige 2] niet om hem emotionele toestemming te geven voor zijn verblijf in het huidige pleeggezin, wat de samenwerking met het pleeggezin en de GI bemoeilijkt en de omgang met [minderjarige 2] belast.
Het standpunt van de moeder
4.4.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen de verzoeken van de Raad. Er wordt al langere tijd een beeld door de Raad en de GI geschetst dat de moeder niet zou meewerken, de kinderen niet heeft kunnen beschermen en geen emotionele toestemming zou geven voor het verblijf van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op hun huidige verblijfplekken, zonder dat dit concreet wordt gemaakt. Namens de moeder zijn verschillende producties ingediend, waaruit blijkt dat dit beeld feitelijk niet klopt. De moeder accepteert de plaatsingen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en heeft toestemming gegeven voor de inschrijving van [minderjarige 1] op het adres van zijn vader. Verder blijkt uit de verslagen van Leliezorg dat de omgangsmomenten goed verlopen en dat de moeder klaar is voor de volgende fase. De moeder heeft alle hulp geaccepteerd en afgerond en meegewerkt aan behandeling. De moeder onderkent dat de kinderen niet meer bij haar zullen opgroeien en focust zich op een prettige omgang met de kinderen. Zij wenst ook dat de kinderen structureel omgang met elkaar hebben. Het is juist de GI die hier niet naar handelt en afspraken niet nakomt. [minderjarige 2] verblijft pas anderhalve maand bij zijn nieuwe, onervaren, pleegouders. Het is nog onduidelijk hoe deze plaatsing gaat verlopen en er moeten nog allerlei afspraken gemaakt worden. Een gezagsbeëindiging brengt met zich dat iedere vorm van rechterlijke toetsing komt te ontbreken. Nu er nog geen definitieve omgangsregeling vaststaat, het perspectief van [minderjarige 2] nog onduidelijk is, en er geen ouderschapsplan voor de toekomst is opgesteld, is dat absoluut niet wenselijk. Juist nu er nog een hoop zaken moeten worden geregeld en er sprake is van een onzekere situatie, is er geen redelijke grond om niet langer te voorzien in de beschermingsbehoeften van de kinderen. Zij hebben recht op rechtsbescherming.
4.5.
Ten aanzien van de verzoeken van de moeder is door en namens haar ter zitting – samengevat – het volgende naar voren gebracht. De moeder betwist dat zij, zoals de GI stelt, [minderjarige 1] tijdens een bezoekmoment van een afstand heeft gewezen op de vader van [minderjarige 2] . De moeder begrijpt dat het voor [minderjarige 1] beter was om de contacten met de vader van [minderjarige 2] tijdelijk stil te leggen. Onduidelijk is wat het perspectief op dit punt is. Voor wat betreft de omgang tussen de moeder en de kinderen geldt dat Leliezorg al in november vorig jaar heeft aangegeven dat de bezoeken goed verlopen en dat de moeder door mag naar de volgende fase, bestaande uit meer en onbegeleide bezoekmomenten. De evaluatie vanuit de GI hierover heeft nog altijd niet plaatsgevonden. De moeder zou graag een omgangsregeling met de kinderen willen van drie uur per twee weken, desnoods zonder de vader van [minderjarige 2] , waarbij zij de kinderen tegelijkertijd ziet zodat de kinderen elkaar ook zien, maar hier wordt door de GI niet op gereageerd. De moeder voelt zich machteloos en ervaart dat zij van haar kinderen wordt onthecht. Ook worden de kinderen van elkaar onthecht, wat absoluut niet in hun belang is. De moeder wenst juist een prettige samenwerking met de GI, maar aan de zijde van de GI ontbreekt de bereidheid tot samenwerking.
4.6.
De moeder voert geen verweer tegen het verzoek van de vader van [minderjarige 1] om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij hem te bepalen.
Het standpunt van de vader van [minderjarige 2]
4.7.
Door en namens de vader van [minderjarige 2] is ten aanzien van de verzoeken van de Raad – samengevat – het volgende aangevoerd. De Raad en de GI baseren hun standpunten op verhalen en kijken daarbij niet naar de actuele situatie. De moeder werkt mee aan al hetgeen van haar gevraagd wordt en zij heeft zich neergelegd bij het perspectief van de kinderen. Het is niet zo dat de moeder zaken dwarsboomt. Er is ook geen sprake van acute onveiligheid van de kinderen. Leliezorg heeft voldoende vertrouwen in de moeder om door te gaan naar de fase waarin zij onbegeleide contactmomenten met de kinderen heeft. De geplande evaluaties en toegezegde ondersteuning vanuit de GI worden echter niet door de GI opgepakt. Er ligt ook nog geen ouderschapsplan. Het is belangrijk dat de kinderen hun rechtsbescherming behouden. Verzocht wordt om de beslissing op de verzoeken tot beëindiging van het gezag aan te houden voor de duur van een half jaar. In die tijd kan bekeken worden of de plaatsing van de kinderen op hun huidige plekken stabiel is, of de moeder in staat is om emotionele toestemming te blijven geven en of beëindiging van het gezag van de moeder wel noodzakelijk is.
4.8.
De vader van [minderjarige 2] schaart zich achter de verzoeken van de moeder met betrekking tot de schriftelijke aanwijzingen. De vader van [minderjarige 2] merkt daarbij op dat hij op termijn zelf ook graag weer contact met [minderjarige 1] wil. De vader van [minderjarige 2] begrijpt dat het in het belang van [minderjarige 1] is om gedurende de traumabehandeling geen contact met hem te hebben. Hij heeft [minderjarige 1] echter ruim drieënhalf jaar opgevoed. Er was dus sprake van family life. De vader van [minderjarige 2] hoopt dat de GI hier aandacht voor heeft.
Het standpunt van de vader van [minderjarige 1]
4.9.
Door en namens de vader van [minderjarige 1] is ingestemd met het verzoek van de Raad om het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige 1] te beëindigen. De vader van [minderjarige 1] ziet geen mogelijkheid om het ouderlijk gezag gezamenlijk met de moeder te blijven uitoefenen. De moeder werkt op meerdere vlakken niet mee. Zo heeft het starten van de traumabehandeling bij Yulius erg lang geduurd, vanwege gebrek aan medewerking van de moeder. Ook heeft het openen van een bankrekening waar de schadevergoeding voor [minderjarige 1] op kan worden gestort erg lang geduurd. Daarnaast is er nog steeds sprake van onrust tussen de moeder en de vader van [minderjarige 2] enerzijds en de GI anderzijds. Verder heeft de moeder de afgelopen maanden meermaals geprobeerd om [minderjarige 1] tijdens bezoekmomenten in contact te brengen met de vader van [minderjarige 2] . Zo heeft [minderjarige 1] bij de vader aangegeven dat hij tijdens een bezoekmoment een foto van de vader van [minderjarige 2] heeft gezien en dat hij hem ook via beeldbellen heeft gezien.
Een gezagsbeëindiging van de moeder doet niets af aan haar recht op contact met [minderjarige 1] . De vader van [minderjarige 1] zou graag zien dat er op een verantwoorde wijze, onder regie van de GI, contact plaatsvindt tussen [minderjarige 1] en de moeder.
Het standpunt van de bijzondere curator
4.10.
De bijzondere curator heeft ter zitting – samengevat – het volgende naar voren gebracht. Het verzoek van de Raad om het gezag van de moeder over beide kinderen te beëindigen is begrijpelijk. Duidelijk is dat het perspectief van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] niet meer bij de moeder ligt. Hoewel de moeder begrijpt dat ze haar kinderen emotionele toestemming moet geven om niet langer bij haar te verblijven, heeft ze hier wel moeite mee. De moeder blijft de strijd aangaan. De kinderen hebben behoefte aan en recht op absolute duidelijkheid. Dat staat los van het gegeven dat alle volwassenen om hen heen moeten werken aan welke rol zij hebben in het leven van de kinderen. Ook wanneer het gezag van de moeder is beëindigd, kan bekeken worden welke omgangsregeling het meest passend is. Daarbij moet niet alleen gekeken worden naar de omgang van de kinderen met de moeder, maar ook naar de omgang van de kinderen met alle personen die een belangrijke rol in hun leven spelen. Daar is nog een hoop werk in te doen. De bijzondere curator is bereid zijn taak voort te zetten.

5.De beoordeling

5.1.
De Raad heeft de rechtbank bij brief van 12 december 2024 op grond van artikel 1:267 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verzocht een oordeel te geven over de vraag of beëindiging van het gezag van de moeder noodzakelijk is, aangezien de Raad op dat moment niet zelf tot indiening van een dergelijk verzoek overging. In een dergelijk geval kan de rechtbank ambtshalve tot beëindiging van het gezag overgaan. Vervolgens heeft de Raad op 20 november 2025 echter alsnog verzoeken tot beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ingediend. De rechtbank zal de vraag of tot beëindiging van het gezag moet worden overgegaan daarom beoordelen aan de hand van de recente verzoeken van de Raad.
Het wettelijk kader
5.2.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.3.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarigen beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarigen staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder. [1]
Ten aanzien van het gezag van de moeder over [minderjarige 2]
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat aan de in artikel 1:266 lid 1 onder Pro a BW genoemde vereisten voor beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige 2] is voldaan, maar dat beëindiging van het gezag niet noodzakelijk is. Het verzoek wordt daarom afgewezen. De rechtbank legt hierna verder uit waarom.
5.5.
Uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de nu 4-jarige [minderjarige 2] in een onveilige opvoedsituatie bij de moeder is opgegroeid, waarbij sprake is geweest van huiselijk geweld tussen de moeder en de vader van [minderjarige 2] en van de vader van [minderjarige 2] tegen zijn halfbroer [minderjarige 1] . [minderjarige 2] is hierdoor op zeer jonge leeftijd uit huis geplaatst. Inmiddels verblijft [minderjarige 2] al ruim drie jaar niet meer bij zijn ouders, maar in een pleeggezin. De rechtbank heeft in haar beschikking van 20 juni 2025 al geconcludeerd dat het opgroeiperspectief van [minderjarige 2] niet langer bij de moeder ligt, maar in een neutraal pleeggezin. Deze beschikking is op 15 oktober 2025 door het Gerechtshof Den Haag bekrachtigd. Dat [minderjarige 2] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid en opvoeding over [minderjarige 2] te dragen, blijkt uit de stukken en is door de moeder ook niet betwist. In zoverre is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een gezagsbeëindiging.
5.6.
De rechtbank beëindigt evenwel niet het gezag van de moeder over [minderjarige 2] . Onvoldoende gebleken is namelijk dat gezagsbeëindiging noodzakelijk is. De Raad heeft onvoldoende gemotiveerd op welke wijze het (behoud van het) gezag van de moeder over [minderjarige 2] tot problemen leidt. De Raad benoemt dat de moeder constant de strijd aangaat en voor onrust zorgt, maar heeft geen concrete voorbeelden genoemd waaruit blijkt dat, en op welke wijze, [minderjarige 2] daar last van heeft. In zoverre is dus niet gebleken van een noodzaak tot gezagsbeëindiging. Van onduidelijkheid bij [minderjarige 2] over zijn opgroeiperspectief – en daarmee van een mogelijke noodzaak tot gezagsbeëindiging – is ook niet gebleken. De moeder heeft herhaaldelijk aangegeven het opgroeiperspectief van [minderjarige 2] te accepteren. Door de Raad, de GI en de bijzondere curator zijn weliswaar twijfels geuit over de mogelijkheid van de moeder om [minderjarige 2] emotionele toestemming te geven om op te groeien in een pleeggezin, maar niet gebleken is dat de moeder weigert die emotionele toestemming te geven. Omdat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 2] weggenomen kan worden met lichtere maatregelen dan gezagsbeëindiging, namelijk met (voortduring van) de ondertoezichtstelling en de machtiging tot plaatsing van [minderjarige 2] in een pleeggezin, is gezagsbeëindiging niet aangewezen. Hierbij komt dat [minderjarige 2] sinds kort in een nieuw pleeggezin verblijft, te weten bij de dochter van zijn voormalige pleegouders. Hoewel dit een perspectiefbiedend pleeggezin betreft, zullen [minderjarige 2] en alle volwassenen om hem heen nog hun draai moeten vinden in deze nieuwe situatie. Onder die omstandigheden is het belang van [minderjarige 2] niet gediend met een gezagsbeëindiging.
Ten aanzien van het gezag van de moeder over [minderjarige 1]
5.7.
Naar het oordeel van rechtbank ligt de situatie in het geval van [minderjarige 1] wezenlijk anders. Daarbij is van belang dat in de afgelopen jaren de mishandeling van [minderjarige 1] door de vader van [minderjarige 2] steeds op de voorgrond heeft gestaan. Niet alleen door de gevolgen die dat rechtstreeks voor [minderjarige 1] heeft gehad, maar ook doordat het gebrek aan erkenning daarvan door de moeder in de afgelopen jaren steeds in de weg heeft gestaan aan het herstel van een veilige opvoedsituatie bij de moeder en het herstel van het vertrouwen dat de moeder het belang van [minderjarige 1] voorop stelt. Uit de beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 15 oktober 2025 blijkt dat de moeder ook daar ter zitting nog niet volmondig heeft willen erkennen wat er is gebeurd.
5.8.
Alhoewel namens de moeder is aangevoerd dat zij een en ander nu wel erkent, heeft de moeder daar zelf ter zitting opnieuw geen blijk van gegeven. Integendeel, zij heeft de rechtbank namelijk verzocht om het voortouw te nemen ten aanzien van het herstel van de omgang tussen [minderjarige 1] en de vader van [minderjarige 2] . Dat sluit aan bij de meldingen van de GI en [minderjarige 1] zelf dat de moeder ook in de afgelopen periode tijdens omgangsmomenten [minderjarige 1] heeft geconfronteerd met foto’s en/of beeldbellen met de vader van [minderjarige 2] , terwijl zij wist dat het in het kader van de traumatherapie van belang was dat dat niet zou gebeuren. Daarmee is de situatie zoals die is vastgesteld in de beschikking van 20 juni 2025, te weten dat de moeder de belangen van de vader van [minderjarige 2] voor laat gaan op die van [minderjarige 1] , in de afgelopen periode niet wezenlijk verbeterd. De rechtbank stelt dan ook vast dat de moeder er al ruim drie jaar niet in slaagt om de belangen van [minderjarige 1] op de eerste plaats te zetten, en dat er geen aanwijzingen zijn dat dat in de toekomst zal veranderen. Daarmee ligt een gezagsbeëindiging reeds in de rede.
5.9.
Daar komt nog bij dat is gebleken dat de samenwerking met de moeder in de afgelopen periode ook op andere vlakken moeizaam is geweest. Zo heeft het lang geduurd voordat de traumatherapie van [minderjarige 1] kon starten, waarbij de vertraging in ieder geval deels aan de moeder te wijten is geweest. Uit de informatie van de GI komt voorts naar voren dat de moeder het opgroeiperspectief van [minderjarige 1] bij de vader niet helemaal accepteert. Doordat zij foto’s heeft gemaakt tijdens videobelmomenten met [minderjarige 1] (omdat zij een bierflesje zag staan), is het vertrouwen tussen de vader van [minderjarige 1] en de moeder beschadigd geraakt, wat verder afbreuk heeft gedaan aan de al moeizame samenwerkingsrelatie tussen de moeder en de vader van [minderjarige 1] .
5.10.
De GI heeft aangevoerd dat de samenwerking met de moeder wordt gekenmerkt door een gebrek aan zelfreflectie aan de zijde van de moeder. Dat beeld komt ook uit de overgelegde correspondentie naar voren. Door die houding is het in de afgelopen periode niet mogelijk gebleken om een constructief gesprek te voeren over de noodzakelijke gedragsaanpassingen in het belang van [minderjarige 1] . Ook deze situatie lijkt onveranderlijk.
5.11.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van de noodzaak om het gezag van de moeder over [minderjarige 1] te beëindigen. Er is immers sprake van een blijvende, niet te veranderen opstelling aan de zijde van de moeder, die schadelijk is voor [minderjarige 1] . Alhoewel de omgangsmomenten overwegend fijn en goed verlopen, zal de spanning die wordt veroorzaakt door de moeizame samenwerking tussen de moeder en de andere volwassenen om [minderjarige 1] heen ook op hem van invloed zijn. Het is dan ook in zijn belang om die spanningen zo veel mogelijk te minimaliseren. Daaraan draagt bij dat de moeder niet langer betrokken wordt bij gezagsbeslissingen over [minderjarige 1] , maar zich alleen nog richt op de omgang met [minderjarige 1] en tracht die zo fijn mogelijk vorm te geven.
5.12.
De rechtbank zal het verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] dan ook toewijzen. Door de beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige 1] heeft de vader van [minderjarige 1] van rechtswege eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] .
5.13.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.14.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Ten aanzien van de schriftelijke aanwijzingen
5.15.
Op grond van artikel 1:263, eerste en tweede lid, BW kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.
5.16.
Op grond van artikel 1:264, eerste lid, BW kan de rechtbank op verzoek van een (met het gezag belaste) ouder, een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.
Een schriftelijke aanwijzing valt aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Bij de beoordeling van de vraag of de door de GI gegeven schriftelijke aanwijzing de rechterlijke toets kan doorstaan, moet de vraag worden beantwoord of dit besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en toereikend is gemotiveerd. Hierbij dienen de omstandigheden ten tijde van de beslissing te worden meegenomen. De rechtbank kan de aanwijzing vervolgens slechts marginaal toetsen. Wat de inhoudelijke toets betreft dient beoordeeld te worden of de GI in redelijkheid tot de schriftelijke aanwijzing heeft kunnen komen en of de schriftelijke aanwijzing in het belang van de minderjarigen kan worden geacht.
5.17.
Anders dan namens de moeder is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de GI bij het geven van de schriftelijke aanwijzingen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht heeft genomen. De rechtbank is van oordeel dat de GI voldoende heeft gemotiveerd waarom de GI de schriftelijke aanwijzingen zoals die er liggen heeft gegeven en op basis waarvan.
5.18.
Hoewel de rechtbank de wens van de moeder tot een uitgebreidere omgangsregeling begrijpt, dienen de belangen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voorop te staan. De bezoeken van de moeder met de kinderen verlopen weliswaar overwegend goed, maar er zijn ook zorgen geuit over hoe de moeder deze bezoekmomenten invult en in hoeverre het haar lukt om aan te sluiten bij de behoeften van de kinderen. Gelet op de jonge leeftijd en beperkte belastbaarheid van de kinderen, mede in het licht van hetgeen zij hebben meegemaakt, acht de rechtbank het niet onbegrijpelijk dat de GI de omgangsregeling heeft aangepast. De rechtbank wijst de verzoeken van de moeder om de schriftelijke aanwijzingen vervallen te verklaren, dan ook af. De rechtbank is echter wel met alle partijen van oordeel dat bekeken moet worden op welke wijze de omgang in de toekomst kan worden vormgegeven. De situatie van beide kinderen is op dit moment nog niet stabiel. [minderjarige 1] volgt nog traumabehandeling en [minderjarige 2] is recent overgeplaatst naar een nieuw pleeggezin. Van een stappenplan, laat staan een definitieve omgangsregeling, is mede hierdoor nog geen sprake. Hier dient de komende maanden echter wel aandacht voor te komen. De rechtbank benadrukt het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om ook structureel contact met elkaar te hebben. Daarnaast benadrukt de rechtbank het belang van samenwerking tussen de GI, de moeder en de vaders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , om zo tot een definitieve omgangsregeling te kunnen komen die aan de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tegemoet komt.
Ten aanzien van het zelfstandige verzoek van de vader van [minderjarige 1]
5.19.
Nu de rechtbank overgaat tot beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige 1] komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van het voorwaardelijke verzoek van de vader van [minderjarige 1] om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vader te bepalen.
Ten aanzien van de bijzondere curator
5.20.
Wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding de belangen van de met het gezag belaste ouder(s) in strijd zijn met die van de minderjarige, benoemt de desbetreffende rechter, indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen.
5.21.
[naam 1] vertegenwoordigt [minderjarige 2] en [minderjarige 1] al geruime tijd. Uit het voorgaande blijkt dat er nog veel onduidelijkheid is over de omgang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] met de volwassenen om hen heen, en ook over de omgang met elkaar. Van een definitieve omgangsregeling is nog geen sprake. Mede daarom acht de rechtbank voortzetting van de betrokkenheid van de bijzondere curator wenselijk. Het is nog steeds in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] dat zij in en buiten rechte worden vertegenwoordigd door de bijzondere curator, die al het nodige kan doen wat in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is. De bijzondere curator heeft zich ter zitting bereid verklaard de herbenoeming te aanvaarden.
5.22.
De rechtbank herbenoemt de bijzondere curator, [naam 1] , over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 17 januari 2027.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van
[naam moeder], geboren op [geboortedatum 3] 2000 in [geboorteplaats 3] , over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats 1] ;
6.2.
wijst de verzoeken met zaaknummers C/10/709984, C/10/709986 en C/10/710651 af;
6.3.
herbenoemt met ingang van 2 februari 2026 tot bijzondere curator over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] : [naam 1] , kantoorhoudende aan de [adres] ;
6.4.
bepaalt dat deze benoeming geldt tot 17 januari 2027;
6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. Loorbach, voorzitter, tevens kinderrechter en mrs. H. Biemond en D.G.J. Roset, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2026, in aanwezigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.