Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2331

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
11970082 CV EXPL 25-24783
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:96 BWArt. 6:44 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsachterstand zorgverzekering en proceskostenveroordeling

VGZ Zorgverzekeraar vordert betaling van een achterstand van €2.266,86 wegens niet-betaalde premies en zorgkosten over de periode april 2017 tot juli 2025. De gedaagde betwist deze vordering niet, waardoor de rechter deze als juist aanneemt.

Naast de hoofdsom is ook rente van €305,13 verschuldigd, berekend tot 26 september 2025, en een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van €163,17. De gedaagde heeft reeds €1.233,35 betaald, waarmee rente en incassokosten zijn voldaan, maar een restant van €1.501,81 blijft openstaan.

De gedaagde stelde dat er een betalingsregeling liep, maar deze betrof een andere achterstand, zoals door VGZ toegelicht in de repliek. De kantonrechter oordeelt dat de procedure daarom terecht is gestart. De kosten van de repliek blijven voor rekening van VGZ vanwege onduidelijke communicatie over de betalingsregeling.

De proceskosten worden begroot op €856,64 en komen voor rekening van de gedaagde, die in het ongelijk wordt gesteld. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat onmiddellijke uitvoering mogelijk is, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €1.501,81 met rente en proceskosten van €856,64.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11970082 CV EXPL 25-24783
datum uitspraak: 6 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
VGZ Zorgverzekeraar N.V.,
vestigingsplaats: Arnhem,
eiseres,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘VGZ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding, met bijlagen;
  • de samenvatting van de griffier van de mondelinge reactie van [gedaagde] ;
  • de repliek, met bijlagen.
1.2.
[gedaagde] heeft de gelegenheid gekregen om te reageren op de repliek, maar dat heeft hij niet gedaan.

2.De beoordeling

[gedaagde] had een achterstand van € 2.266,86
2.1.
[gedaagde] heeft een zorgverzekering bij VGZ. Volgens VGZ had hij een betalingsachterstand van € 2.266,86. Bij de dagvaarding zit een overzicht waarin is te zien waaruit die achterstand bestaat. Het gaat om premie voor de zorgverzekering en om zorgkosten uit de periode april 2017 tot en met juli 2025. [gedaagde] heeft dat niet betwist, dus de kantonrechter gaat ervan uit dat dit klopt.
[gedaagde] moet rente betalen
2.2.
[gedaagde] heeft de premie en de zorgkosten niet op tijd betaald. Hij moet daarom rente betalen (artikel 6:119 BW Pro). Volgens VGZ gaat het berekend tot 26 september 2025 om € 305,13. [gedaagde] heeft dat niet betwist. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat dit klopt. Dit is een groot bedrag geworden, omdat sommige bedragen dus al sinds 2017 openstaan.
[gedaagde] moest € 163,17 aan buitengerechtelijke kosten betalen
2.3.
VGZ heeft [gedaagde] aanmaningen gestuurd. Ze heeft recht op een vergoeding van de kosten die ze daarbij heeft gemaakt (artikel 6:96 BW Pro). De vergoeding van € 163,17 die VGZ in rekening heeft gebracht is berekend volgens de wet (Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten).
Er staat nog € 1.501,81 open
2.4.
Volgens VGZ heeft [gedaagde] € 1.233,35 betaald. Omdat [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd gaat de kantonrechter ervan uit dat dit klopt. [gedaagde] heeft daarmee de buitengerechtelijke kosten en de rente tot 26 september 2025 betaald (artikel 6:44 BW Pro). De rest gaat van de achterstand af. Er staat dan nog een achterstand van € 1.501,81 open. [gedaagde] wordt dus veroordeeld om die te betalen, met de rente over dit bedrag vanaf 26 september 2025.
2.5.
In de repliek heeft VGZ aangegeven dat [gedaagde] na de dagvaarding nog betaald heeft. Ze heeft haar eis niet verminderd. Als dit betalingen zijn voor deze achterstand, dan moeten die uiteraard nog van het bedrag van € 1.501,81 worden afgetrokken.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.6.
[gedaagde] heeft in zijn mondelinge reactie aangegeven dat hij al een betalingsregeling had lopen. De kantonrechter begrijpt daaruit dat hij deze procedure en de kosten daarvan onnodig vindt. Dat verweer gaat niet op. VGZ heeft namelijk in de repliek aangegeven dat die betalingsregeling ging over een andere achterstand. [gedaagde] heeft daar niet meer op gereageerd, dus de kantonrechter gaat ervan uit dat dit klopt. VGZ is in dat geval terecht deze procedure begonnen. De kantonrechter kan wel begrijpen dat het voor [gedaagde] niet duidelijk was waar de betalingsregeling op ziet. In de bevestiging staat namelijk niet voor welke achterstand de betalingsregeling is. Als VGZ dat wel duidelijk had vermeld, dan had VGZ dat niet in de repliek hoeven uitleggen. De kosten van de repliek blijven daarom voor rekening van VGZ.
2.7.
De proceskosten komen verder voor rekening van [gedaagde] omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan VGZ moet betalen op € 146,14 aan dagvaardingskosten, € 385,- aan griffierecht, € 217,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt) en € 108,50 aan nakosten (1/2 punt). Dat is in totaal € 856,64. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat VGZ dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ € 1.501,81 te betalen, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf 26 september 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van VGZ worden begroot op € 856,64;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.
33394