Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.[eiser 1],2. [eiser 2],
1.De procedure
- de dagvaarding van 23 september 2025, met bijlagen 1 tot en met 90;
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring ex art. 210 Rv Pro, met bijlagen 1 tot en met 5;
- de conclusie van antwoord in het incident.
2.De beoordeling in het incident
aan verzekeringnemer verbonden advocaat” ([gedaagde]) verzekerd. De Verzekeraar is dan ook op grond van deze verzekering gehouden om de [gedaagde] te vrijwaren voor de eventuele schadevergoeding die [gedaagde] aan [eisers] moet betalen en de kosten te vergoeden die [gedaagde] in het kader van deze procedure heeft moeten maken. De verplichting tot vrijwaring door [naam] tegenover [gedaagde] vloeit voort uit wanprestatie c.q. onrechtmatige daad. [gedaagde] en [naam] zijn (onder meer) overeengekomen dat wanneer [gedaagde] onder de vlag van [naam kantoor] zaken zou behandelen, [naam] voor een afdoende dekkende beroeps-aansprakelijkheidsverzekering zou zorgen. Ook los daarvan was [naam] gehouden zorg te dragen voor een beroepsaansprakelijk-heidsverzekering die dekking zou bieden indien [gedaagde] namens [naam kantoor] (nog) zaken zou behandelen. Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde] grond voor en belang bij het in vrijwaring oproepen van de Verzekeraar en [naam].
3.De beslissing
18 februari 2026;
18 februari 2026voor het nemen van een conclusie van antwoord door [gedaagde];
3349 / 3669