Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:231

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
C/10/708105 / HA ZA 25-893
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 210 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot oproeping in vrijwaring van verzekeraar en kantoor

In deze civiele procedure vorderen eiseres partijen, die als eisers in de hoofdzaak optreden, verschillende vergoedingen wegens tekortschieten en onrechtmatig handelen van gedaagde, die als advocaat heeft opgetreden namens eiser 1. Gedaagde heeft nog niet inhoudelijk op de dagvaarding gereageerd.

In het incident vordert gedaagde om Zurich Insurance Europe AG (de verzekeraar) en het kantoor, waaronder gedaagde werkzaam was, in vrijwaring op te roepen. Gedaagde stelt dat deze partijen op grond van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering gehouden zijn om de nadelige gevolgen van een eventuele veroordeling te dragen.

De rechtbank oordeelt dat uit de stellingen van gedaagde voldoende blijkt dat er een mogelijke verplichting bestaat voor de verzekeraar en het kantoor om (een deel van) de schade te dragen. Daarom wordt de vordering tot oproeping in vrijwaring toegewezen. Omdat beide partijen in het incident in het gelijk worden gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd, zodat ieder zijn eigen kosten draagt.

De rechtbank bepaalt dat de zaak in de hoofdzaak wordt voortgezet na het nemen van een conclusie van antwoord door gedaagde en houdt verdere beslissingen aan.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot oproeping in vrijwaring toe en compenseert de proceskosten in het incident.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/708105 / HA ZA 25-893
Vonnis in incident van 7 januari 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],2. [eiser 2],

woonplaats: Noordwijk,
eisende partijen in de hoofdzaak, verwerende partijen in het incident,
advocaat: mr. R. Vane,
tegen
[gedaagde], voorheen handelende onder de naam [naam kantoor],
woonplaats: Capelle aan den IJssel,
gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,
advocaat: mr. M.P. Vink.
Partijen worden hierna [eiser 1], [eiser 2] en [gedaagde] genoemd. [eiser 1] en [eiser 2] worden samen [eisers] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 23 september 2025, met bijlagen 1 tot en met 90;
  • de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring ex art. 210 Rv Pro, met bijlagen 1 tot en met 5;
  • de conclusie van antwoord in het incident.

2.De beoordeling in het incident

Het geschil in de hoofdzaak
2.1.
In de hoofdzaak hebben [eisers] verschillende vorderingen ingesteld in verband met gesteld tekortschieten van [gedaagde] in de nakoming van een overeenkomst van opdracht op grond waarvan [gedaagde] [eiser 1] als advocaat heeft bijgestaan en in verband met gesteld onrechtmatig handelen van [gedaagde] tegenover [eiser 2] (als gevolg van het tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst met [eiser 1]).
2.2.
[gedaagde] heeft nog niet op de dagvaarding gereageerd.
Het geschil in het incident
2.3.
In het incident vordert [gedaagde] dat het haar wordt toegestaan om (i) Zurich Insurance Europe AG (de Verzekeraar) en (ii) [naam] in vrijwaring op te roepen, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten (met rente). Daaraan legt [gedaagde] – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag. [gedaagde] trad als advocaat op voor [eiser 1] onder de vlag van [naam kantoor]. Dat kantoor was op dat moment overgenomen door [naam] op grond van een met [gedaagde] gesloten overeenkomst. [naam] heeft bij de Verzekeraar een beroepsaansprakelijkheidsverzekering afgesloten. Onder die verzekering is ook de “
aan verzekeringnemer verbonden advocaat” ([gedaagde]) verzekerd. De Verzekeraar is dan ook op grond van deze verzekering gehouden om de [gedaagde] te vrijwaren voor de eventuele schadevergoeding die [gedaagde] aan [eisers] moet betalen en de kosten te vergoeden die [gedaagde] in het kader van deze procedure heeft moeten maken. De verplichting tot vrijwaring door [naam] tegenover [gedaagde] vloeit voort uit wanprestatie c.q. onrechtmatige daad. [gedaagde] en [naam] zijn (onder meer) overeengekomen dat wanneer [gedaagde] onder de vlag van [naam kantoor] zaken zou behandelen, [naam] voor een afdoende dekkende beroeps-aansprakelijkheidsverzekering zou zorgen. Ook los daarvan was [naam] gehouden zorg te dragen voor een beroepsaansprakelijk-heidsverzekering die dekking zou bieden indien [gedaagde] namens [naam kantoor] (nog) zaken zou behandelen. Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde] grond voor en belang bij het in vrijwaring oproepen van de Verzekeraar en [naam].
2.4.
[eisers] concluderen tot toewijzing van de vordering in het incident, maar zij verzetten zich tegen de gevorderde proceskostenveroordeling.
De vordering in het incident wordt toegewezen
2.5.
De incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring is op tijd en vóór alle weren genomen. Op grond van artikel 210 lid 1 Rv Pro kan de gedaagde een derde partij in vrijwaring oproepen als hij meent hiertoe gronden te hebben. Hiervoor is voldoende dat gedaagde in de hoofdzaak genoegzaam stelt dat tussen hem en de derde partij een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan de derde partij verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak te dragen.
2.6.
Uit de stellingen van [gedaagde] is voldoende af te leiden dat voor de Verzekeraar en [naam] mogelijk een verplichting bestaat om (een deel van) de nadelige gevolgen van een mogelijke veroordeling van [gedaagde] in de hoofdzaak te dragen. De conclusie is dan ook dat de vordering tot oproeping in vrijwaring wordt toegewezen.
De proceskosten in het incident
2.7.
Aangezien [eisers] tot toewijzing van de vordering tot oproeping in vrijwaring hebben geconcludeerd, is in het incident geen van partijen in het ongelijk gesteld. Daarom worden de proceskosten gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten in het incident betaalt.

3.De beslissing

De rechtbank:
in het incident
3.1.
staat [gedaagde] toe om Zurich Insurance Europe AG en [naam] in vrijwaring te dagvaarden tegen de rolzitting van
18 februari 2026;
3.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
in de hoofdzaak
3.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol komt van
18 februari 2026voor het nemen van een conclusie van antwoord door [gedaagde];
3.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.
3349 / 3669