De zaak betreft een geschil over huurachterstand en ontbinding van een huurovereenkomst tussen Stichting Havensteder en twee huurders die de woning gezamenlijk huurden. Na beëindiging van hun relatie heeft één huurder de woning verlaten en de huur opgezegd, terwijl de ander de huurachterstand erkent maar in de woning wil blijven wonen.
Havensteder eist betaling van de huurachterstand, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. Er is een regeling getroffen met de vertrokken huurder waarbij de huurachterstand wordt verminderd en een aflossingsregeling is afgesproken. De kantonrechter wijst de vordering tot ontbinding en ontruiming af omdat het belang van de achterblijvende huurder om in de woning te blijven zwaarder weegt.
De huurachterstand wordt vastgesteld op €7.428,82 tot en met december 2025, waarvan €5.407,66 tot en met april 2025 hoofdelijk wordt toegewezen aan beide huurders en het restant aan de achterblijvende huurder. Incassokosten en rente worden afgewezen wegens oneerlijke bepalingen in de algemene voorwaarden. De proceskosten worden deels toegewezen aan de achterblijvende huurder. In de vrijwaringszaak wijst de kantonrechter de vordering van de vertrokken huurder af wegens onvoldoende onderbouwing van een betalingsafspraak.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en benadrukt dat bij het niet nakomen van betalingsregelingen ontbinding en ontruiming alsnog kunnen worden toegewezen.