ECLI:NL:RBROT:2026:2300

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
11785910 cv expl 25-15111 en 11906051 cv expl 25-20822
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 1 BWArt. 1:100 lid 2 BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling huurachterstand en beëindiging huurovereenkomst na relatiebeëindiging

De zaak betreft een geschil over huurachterstand en ontbinding van een huurovereenkomst tussen Stichting Havensteder en twee huurders die de woning gezamenlijk huurden. Na beëindiging van hun relatie heeft één huurder de woning verlaten en de huur opgezegd, terwijl de ander de huurachterstand erkent maar in de woning wil blijven wonen.

Havensteder eist betaling van de huurachterstand, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. Er is een regeling getroffen met de vertrokken huurder waarbij de huurachterstand wordt verminderd en een aflossingsregeling is afgesproken. De kantonrechter wijst de vordering tot ontbinding en ontruiming af omdat het belang van de achterblijvende huurder om in de woning te blijven zwaarder weegt.

De huurachterstand wordt vastgesteld op €7.428,82 tot en met december 2025, waarvan €5.407,66 tot en met april 2025 hoofdelijk wordt toegewezen aan beide huurders en het restant aan de achterblijvende huurder. Incassokosten en rente worden afgewezen wegens oneerlijke bepalingen in de algemene voorwaarden. De proceskosten worden deels toegewezen aan de achterblijvende huurder. In de vrijwaringszaak wijst de kantonrechter de vordering van de vertrokken huurder af wegens onvoldoende onderbouwing van een betalingsafspraak.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en benadrukt dat bij het niet nakomen van betalingsregelingen ontbinding en ontruiming alsnog kunnen worden toegewezen.

Uitkomst: Huurders worden veroordeeld tot betaling van huurachterstand, ontbinding en ontruiming worden afgewezen, en proceskosten deels toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummers: 11785910 CV EXPL 25-15111 (hoofdzaak) en
11906051 CV EXPL 25-20822 (vrijwaring)
datum uitspraak: 6 februari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de hoofdzaak van
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
gemachtigde: Hafkamp Groenewegen gerechtsdeurwaarders,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
die zelf procedeert,
en

2.[gedaagde 2] ,

woonplaats: Hoogvliet [woonplaats] , gemeente [woonplaats] ,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. C.W.F. Jansen,
en in de vrijwaringszaak van
[gedaagde 2],
woonplaats: Hoogvliet [woonplaats] , gemeente [woonplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. C.W.F. Jansen,
tegen
[gedaagde 1],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Havensteder’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.

1.De procedure

In de hoofzaak
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaardingen van 4 en 7 juli 2025, met producties;
  • de aantekening van de griffier van het mondeling antwoord van [gedaagde 1] ;
  • de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van [gedaagde 2] , met één productie;
  • de conclusie van antwoord in het incident tot oproeping in vrijwaring;
  • het vonnis in het incident;
  • de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie van [gedaagde 2] ;
  • de akte van Havensteder;
  • de mail van 23 december 2025 van de gemachtigde van Havensteder met als bijlage een actuele specificatie van de huurachterstand en één productie.
In de vrijwaringszaak
1.2.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 26 september 2025;
  • de aantekening van de griffier van de mondelinge reactie van [gedaagde 1] .
In de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak
1.3.
Op 9 januari 2026 zijn de hoofdzaak en de vrijwaringszaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: namens Havensteder de heer [naam] werkzaam bij Hafkamp Groenewegen gerechtsdeurwaarders, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met haar gemachtigde.

2.De beoordeling

In de hoofdzaak
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben met ingang van 7 juni 2023 van Havensteder de woning aan de [adres] te [woonplaats] gehuurd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een minderjarig kind. De relatie tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is beëindigd en [gedaagde 2] heeft de woning verlaten. Op dit moment is er een huurachterstand. Havensteder eist betaling van die huurachterstand, ontbinding van de huurovereenkomst en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning moeten verlaten.
2.2.
[gedaagde 1] heeft de huurachterstand erkend, maar wil in de woning blijven wonen tot hij een ander onderkomen heeft gevonden.
2.3.
[gedaagde 2] heeft de vordering betwist. Zij heeft de woning al verlaten, de huur van haar zijde opgezegd en zij heeft gesteld dat zij niet op de hoogte was van de huurachterstand. [gedaagde 2] heeft een tegeneis en eist een verklaring voor recht dat zij de huur rechtsgeldig heeft opgezegd per 1 juni 2025 en na die datum niet meer gebonden is aan de verplichtingen uit de huurovereenkomst.
Regeling tussen Havensteder en [gedaagde 2]
2.4.
Havensteder en [gedaagde 2] hebben voorafgaand aan de zitting de volgende afspraken gemaakt:
  • Havensteder stemt in met een beëindiging van de huur met [gedaagde 2] per 1 mei 2025;
  • Havensteder vermindert haar vordering jegens [gedaagde 2] tot € 5.407,66 aan huurachterstand tot en met april 2025 en trekt de vordering tot ontbinding en ontruiming jegens [gedaagde 2] in;
  • [gedaagde 2] lost € 100,- per maand af op de huurschuld;
  • De proceskosten worden gecompenseerd.
2.5.
Deze regeling tussen Havensteder en [gedaagde 2] heeft tot gevolg dat [gedaagde 2] geen belang meer heeft bij haar tegeneis. De kantonrechter zal de tegeneis daarom niet beoordelen.
Beslissing in het kort
2.6.
De kantonrechter wijst de gewijzigde vordering tegen [gedaagde 2] toe.
De vordering tegen [gedaagde 1] tot betaling van de huurachterstand wordt ook toegewezen. De kantonrechter wijst de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming af. Ook de vordering tot betaling van rente en buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen. Hierna zal worden toegelicht waarom.
Huurachterstand
2.7.
Havensteder heeft per mail van 23 december 2025 een actueel huuroverzicht en een herberekening van de huurachterstand overgelegd.
2.8.
De herberekening van de huurachterstand heeft Havensteder gemaakt omdat het opslagbeding dat is opgenomen in het huurprijswijzigingsbeding in artikel 5 van Pro de algemene voorwaarden oneerlijk is en deze buiten toepassing moet worden gelaten.
Volgens de herberekening is de huurachterstand tot en met december 2025 € 7.428,82.
Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van Havensteder voorts berekend wat de huurachterstand tot en met april 2025 is en gesteld dat deze € 5.407,66 bedraagt.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben dit niet betwist. Uit de herberekening volgt verder dat de huur op dit moment € 1.153,74 per maand bedraagt.
2.9.
Omdat de huurovereenkomst met [gedaagde 2] per 1 mei 2025 is beëindigd, zullen [gedaagde 2] en [gedaagde 1] , hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 5.407,66 aan huurachterstand tot en met april 2025 en [gedaagde 1] daarnaast tot betaling van € 2.021,16 aan huurachterstand tot en met december 2025 (€ 7.429,82 - € 5.407,66).
De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming wordt afgewezen
2.10.
De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning wordt afgewezen, omdat het belang van [gedaagde 1] om in de woning te blijven wonen zwaarder weegt dan het belang van Havensteder bij ontbinding van de huurovereenkomst.
2.11.
Volgens artikel 6:265 lid 1 BW Pro geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding en haar gevolgen niet rechtvaardigt. Als ‘hoofdregel’ geldt volgens de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:1810) dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op gehele of gedeeltelijke ontbinding van de huurovereenkomst.
2.12.
Op [gedaagde 1] als huurder rust de verplichting om de huur tijdig te betalen. Het niet tijdig betalen van de huur, levert daarom een tekortkoming op in de nakoming van de verplichtingen die op [gedaagde 1] als huurder rusten. De kantonrechter mag een huurovereenkomst alleen ontbinden als de huurachterstand ernstig genoeg is. Meestal zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.
2.13.
De huurachterstand tot en met december 2025 bedraagt € 7.428,82 dat is een achterstand van ruim 6 maanden. Ondanks dat de huurachterstand meer dan drie maanden bedraagt, is de kantonrechter van oordeel dat de huurachterstand de ontbinding van de huurovereenkomst in dit geval niet rechtvaardigt. Het belang van [gedaagde 1] om in de woning te kunnen blijven wonen weegt zwaarder dan het belang van Havensteder bij ontbinding van de huurovereenkomst. [gedaagde 1] heeft schuldhulpverlening en vanaf juli 2025 is de lopende huur tot en met december 2025 voldaan. Hoewel op de dag van de zitting de huur voor de maand januari 2026 nog niets was betaald en onduidelijk is gebleven waarom, zijn er geen omstandigheden gebleken waaruit kan worden afgeleid dat er veranderingen zijn in de schuldhulpverlening. De kantonrechter gaat er daarom vooralsnog vanuit dat de lopende huur wordt betaald. [gedaagde 1] werkt als zzp-er en heeft aangegeven van plan te zijn een betalingsregeling te treffen om de huurachterstand in te lopen, maar moet dat in overleg met de schuldhulpverlening doen. Samen met de betalingsregeling die [gedaagde 2] met Havensteder heeft afgesproken (zie hiervoor onder 2.4) zal dat voldoende zijn om de huurachterstand in te lopen.
2.14.
De kantonrechter wijst [gedaagde 1] erop dat in het geval hij geen betalingsregeling treft of deze niet stipt nakomt, de kans zeer groot is dat in een nieuwe procedure de kantonrechter de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming zal toewijzen.
De incassokosten en rente worden afgewezen
2.15.
De kantonrechter wijst de incassokosten en de rente af. In de algemene voorwaarden van Havensteder staat hierover namelijk een oneerlijke bepaling. Omdat die bepaling oneerlijk is, mag Havensteder daar geen beroep op doen en kan zij ook geen aanspraak maken op de incassokosten en rente uit de wet. [1] De bepaling is oneerlijk, omdat daarin staat dat [gedaagde 1] een boete moet betalen als [gedaagde 1] niet aan de verplichtingen uit de overeenkomst voldoet. Daaronder valt ook het op tijd betalen van de huur. Op grond van de wet zou [gedaagde 1] als hij te laat betaalt alleen de wettelijke rente en incassokosten moeten betalen. Havensteder wijkt met de boete dus in het nadeel van een consument af van de wet door daarnaast een boete op te leggen. Dat maakt deze bepaling hier oneerlijk.
Verder geen oneerlijke bepalingen
2.16.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde 1] moet de helft van de proceskosten betalen
2.17.
De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten gedeeltelijk te compenseren omdat de vordering van Havensteder slechts deels wordt toegewezen en Havensteder met [gedaagde 2] heeft afgesproken de proceskosten te compenseren. [gedaagde 1] zal daarom worden veroordeeld om de helft van de proceskosten van Havensteder te betalen. De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde 1] aan Havensteder moet betalen op € 72,73 aan dagvaardingskosten, € 271,50 aan griffierecht, € 360,- aan salaris voor de gemachtigde ((2 punten x € 360) x 0,5) en € 72,- aan nakosten. Dat is in totaal € 776,23. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.18.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Havensteder dat eist en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
In de vrijwaringszaak
Waar gaat de zaak over?
2.19.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn gehuwd en hebben beiden met Havensteder een huurovereenkomst gesloten. De relatie tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is beëindigd. [gedaagde 2] heeft de woning verlaten en de huur opgezegd. [gedaagde 2] heeft op 30 mei 2025 een echtscheidingsverzoek ingediend bij de rechtbank Rotterdam. Daarop is nog niet beslist. Havensteder is tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een procedure gestart en eist in die procedure onder meer een hoofdelijke veroordeling tot betaling van de huurachterstand. [gedaagde 2] eist in deze procedure dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld om aan haar te betalen hetgeen waartoe zij in de (hoofd)procedure met Havensteder zal worden veroordeeld. [gedaagde 1] is het hier niet mee eens.
2.20.
De kantonrechter wijst de vordering van [gedaagde 2] af. Deze beslissing zal hierna worden toegelicht.
Afspraak onvoldoende onderbouwd
2.21.
[gedaagde 2] heeft aan haar vordering in vrijwaring ten grondslag gelegd dat ten tijde van het huwelijk en de samenleving zij en [gedaagde 1] het zo geregeld hadden dat [gedaagde 1] de huur betaalde en [gedaagde 2] de andere vaste lasten. [gedaagde 1] heeft deze afspraak betwist. Omdat [gedaagde 2] verder geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit de door haar gestelde afspraak kan worden afgeleid, heeft [gedaagde 2] de door haar gestelde afspraak onvoldoende onderbouwd. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen.
Geen afwijking van de hoofdregel
2.22.
Omdat niet gebleken is dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] andere afspraken hebben gemaakt, is er onvoldoende aanleiding om op grond van de redelijkheid en billijkheid af te wijken van de hoofdregel dat partijen op gelijke wijze draagplichtig zijn (artikel 1:100 lid 2 BW Pro). De tussen partijen lopende echtscheidingsprocedure is bij uitstek de plaats om een nadere beslissing over de draagplicht te vragen. Op de uitkomst van die procedure wil de kantonrechter niet vooruitlopen. De vordering van [gedaagde 2] wordt daarom afgewezen.
De proceskosten worden gecompenseerd
2.23.
Omdat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] (ex)echtgenoten zijn, is er aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat ieder de eigen proceskosten draagt.

3.De beslissing

De kantonrechter:
In de hoofdzaak
3.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, om aan Havensteder te betalen € 5.407,66 aan huurachterstand tot en met april 2025;
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] daarnaast om aan Havensteder te betalen € 2.021,16 aan huurachterstand tot en met december 2025;
3.3.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, die aan de kant van Havensteder worden begroot op € 776,23;
3.4.
verstaat dat de huurovereenkomst tussen Havensteder en [gedaagde 2] per 1 mei 2025 is beëindigd, dat [gedaagde 2] per maand € 100,- op de huurachterstand van € 5.407,66 zal aflossen en dat tussen Havensteder en [gedaagde 2] de proceskosten worden gecompenseerd;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
In de vrijwaringszaak
3.7.
wijst de vordering van [gedaagde 2] af;
3.8.
compenseert de proceskosten zodanig dat ieder de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. P.D. Olden en in het openbaar uitgesproken.
754

Voetnoten

1.Hof van Justitie van de Europese Unie 27 januari 2021 (Dexia).