ECLI:NL:RBROT:2026:2292

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
10/049326-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 SvArt. 6:106 BWArt. 6:169 lid 1 BWArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling jeugdige voor seksueel binnendringen van kind onder twaalf jaar

De rechtbank Rotterdam heeft op 26 februari 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een toen 13-jarige verdachte die werd beschuldigd van het seksueel binnendringen van het lichaam van een toen 5-jarig kind. De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte de seksuele handeling heeft verricht, mede gebaseerd op de verklaring van het slachtoffer, DNA-onderzoek en bevestiging van het contact tussen verdachte en slachtoffer.

De verdachte werd veroordeeld tot een jeugddetentie van 93 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 60 uur. De bijzondere voorwaarden omvatten onder meer het naleven van een veiligheidsplan en medewerking aan hulpverlening en toezicht door Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond. De rechtbank hield rekening met de jonge leeftijd van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder een bewogen achtergrond en deelname aan een behandeltraject.

De benadeelde partij vorderde materiële en immateriële schadevergoeding. De rechtbank wees de materiële schadevordering af wegens onvoldoende onderbouwing, maar kende een immateriële schadevergoeding toe van €3.000,-, te betalen door de moeder van de verdachte, die het ouderlijk gezag uitoefent. De rechtbank legde geen schadevergoedingsmaatregel op vanwege de leeftijd van de verdachte.

De uitspraak benadrukt de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de noodzaak van een straf die rekening houdt met de ontwikkeling van de jeugdige verdachte en de kans op recidive.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 93 dagen jeugddetentie (90 voorwaardelijk) en 60 uur werkstraf; moeder veroordeeld tot betaling van €3.000 immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd
Parketnummer: 10/049326-25
Datum uitspraak: 26 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum 1] 2011,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres], [postcode] te [plaatsnaam],
raadsman mr. J.E.F.K. Liauw, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 12 februari 2026.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. E.M. Loppe, heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 183 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met bijzondere voorwaarden als geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming;
  • met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende jeugddetentie.

4.Waardering van het bewijs

4.1.1.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. De verklaring van de aangever vindt onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen.
4.1.2.
Beoordeling
In deze zaak wordt de verdachte kort gezegd verweten dat hij seksuele handelingen heeft verricht die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van zijn destijds vijfjarige buurjongen [naam slachtoffer].
Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door de aanwezigheid van slechts twee personen bij
de veronderstelde handelingen: de vermeende dader en het vermeende slachtoffer. Ook in
deze zaak is dat het geval.
Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering
kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de
rechtbank niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Voor een
bewezenverklaring dient sprake te zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan
het vermeende slachtoffer. In zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs in
combinatie met betrouwbare verklaringen van het slachtoffer voldoende wettig bewijs
opleveren.
De [aangeefster], zus van [naam slachtoffer], deed op 14 februari 2025 aangifte tegen de verdachte, van seksueel binnendringen van het lichaam van [naam slachtoffer]. [naam slachtoffer] heeft, nadat hij terugkwam van het spelen bij de verdachte, aan deze zus verteld dat zijn billen pijn deden. Hij vertelde haar dat hij van de verdachte zijn broek uit moest doen en dat de verdachte toen met diens ‘chupachullo’ in zijn billen is gegaan. De zus heeft daarop in de Koerdische taal aan hem gevraagd wat hij bedoelde met ‘chupachullo’ en of hij daarmee penis bedoelde. [naam slachtoffer] antwoordde hierop bevestigend en wees daarbij naar zijn penis. [naam slachtoffer] heeft tijdens het studioverhoor bij de politie in overeenkomstige zin verklaard.
De verklaring van [naam slachtoffer] vindt bovendien steun in het dossier. Zo heeft de verdachte bevestigd dat [naam slachtoffer] op die dag bij hem heeft gespeeld en dat ze op de kamer van de verdachte zijn geweest. Daarnaast vindt de verklaring van [naam slachtoffer] steun in het DNA-onderzoek dat is uitgevoerd. Uit dat onderzoek blijkt dat in de anus van [naam slachtoffer] DNA is aangetroffen dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afkomstig is van de verdachte. De verdachte heeft hier geen verklaring voor gegeven. Hij heeft zich ter terechtzitting beroepen op zijn zwijgrecht en hiervoor ook bij de politie geen verklaring gegeven.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte een seksuele handeling heeft verricht die bestond uit het binnendringen van het lichaam van [naam slachtoffer], namelijk het stoppen van zijn penis in de anus van [naam slachtoffer]. De verklaring van [naam slachtoffer] hierover wordt in voldoende mate ondersteund door de overige bewijsmiddelen.
4.1.3.
Conclusie
Bewezen is dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op 14 februari 2025 te Maassluis met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [naam slachtoffer], geboren 26 september 2019, een
of meerseksuele handeling
en, die bestond
enuit
of mede bestonden uithet seksueel binnendringen
van het lichaam
,heeft verricht, te weten
- het brengen en/of duwen en/of houden van zijn, verdachtes, vinger(s) in de anus van die [naam slachtoffer];
- het brengen
en/of duwen en/of houdenvan zijn, verdachtes, penis in de anus van die [naam slachtoffer].
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:
Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De destijds dertienjarige verdachte heeft zijn toenmalige buurjongen (het slachtoffer), die toen vijf jaar oud was, seksueel misbruikt door zijn penis in de anus van het slachtoffer te stoppen. De verdachte heeft zich hierbij enkel laten leiden door zijn eigen seksuele behoeften en heeft daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het jonge slachtoffer, dat de verdachte als een vriend zag. Ontuchtige handelingen kunnen langdurige psychische en emotionele gevolgen met zich meebrengen voor een slachtoffer. De verdachte heeft hier niet, dan wel te weinig, bij stilgestaan. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 december 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
7.3.2.
Rapportages
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 27 januari 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. De verdachte komt, ondanks zijn bewogen leven (vlucht uit Syrië, gescheiden ouders en meermaals verhuisd), uit een warm nest. Dit wordt ook gezien tijdens de multisysteemtherapie problem sexual behaviour (MST-PSB) waar het gehele gezin zich heeft ingezet om de verdachte te helpen en ondersteunen. Tijdens de behandeling MST-PSB is gewerkt aan verschillende factoren. De verdachte is zich tijdens de behandeling meer open gaan stellen en gaan leren hoe hij grenzen gaat herkennen. Vanuit de behandelaar is aangeven dat het van belang is dat de familieleden samen met de verdachte goed blijven praten over emoties en grenzen in algemene zin en over seksualiteit. Op school laat de verdachte zien dat hij gemotiveerd is en dit heeft geresulteerd in zijn overgang naar het nieuwe schooljaar. In zijn vrije tijd sport de verdachte en werkt hij als afwasser bij een restaurant. Er worden weinig zorgsignalen gezien die direct van negatieve invloed zouden kunnen zijn op de kans op recidive. Het is van belang dat er zicht op de verdachte blijft en dat hij zich blijft houden aan de gemaakte veiligheidsafspraken met betrekking tot zijn sociale contacten en het gebruik van sociale media. Indien de verdachte in gesprek blijft, oefent met het uiten van zijn emoties en zich houdt aan alle gemaakte afspraken, schat de Raad de kans op recidive laag in. De Raad heeft gedacht aan een gedragsinterventie als strafadvies, maar door de MST-PSB therapeut van De Viersprong wordt geen noodzaak gezien tot verdere behandeling. Wel is van belang dat de verdachte een vast contactpersoon, buiten zijn familie, heeft waar hij met vragen terecht kan. Gelet op het voorgaande adviseert de Raad om, bij een veroordeling, aan de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden op te leggen, waaronder zich houden aan het tijdens de MST-PSB opgestelde veiligheidsplan en meewerken aan hulpverlening indien de jeugdreclassering dat nodig acht, en het jeugdreclasseringstoezicht vanuit Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond voort te zetten.
Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de jeugdreclassering) heeft ook een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 5 februari 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Gedurende de schorsingsperiode heeft de verdachte zich aan de afspraken en aanwijzingen van de jeugdreclassering gehouden en is er geen sprake van recidive geweest. Het is nodig dat het gezin met de verdachte blijft praten over zijn emoties, grenzen in algemene zin en seksualiteit. Hoewel in de rapportage van de MST-PSB therapeut wordt aangegeven dat verdere behandeling niet is geïndiceerd, blijft het voor de jeugdreclassering onduidelijk of, na inzet van het behandelingstraject, het recidiverisico is veranderd. Gelet op het voorgaande adviseert de jeugdreclassering om, bij een veroordeling, aan de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden op te leggen, waaronder meewerken aan GGZ-behandeling.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank mede gelet op de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, te weten drie dagen. Omdat een terugkeer naar de jeugdgevangenis niet in het belang is van de ontwikkeling van de nog jonge verdachte, en daarmee ook niet in dat van de samenleving, bepaalt de rechtbank het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie op drie dagen. Aan het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie verbindt de rechtbank, gelet op de adviezen van de Raad en de jeugdreclassering, de bijzondere voorwaarden die door de Raad en de jeugdreclassering worden geadviseerd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden weer een strafbaar feit te plegen.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat naast de grotendeels voorwaardelijke jeugddetentie een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, op zijn plaats is.
Bij het bepalen van de duur van de taakstraf en het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie houdt de rechtbank, in het voordeel van de verdachte, rekening met de nog jonge leeftijd van de verdachte, die dertien was toen hij het feit pleegde, en zijn nog prille ontwikkeling naar volwassenheid. De rechtbank zal daarom een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.
Alles afwegend acht de rechtbank een jeugddetentie van 93 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met de hierna te noemen bijzondere voorwaarden, en een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie, passend en geboden.

8.Vordering benadeelde partij

8.1.
Vordering
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij], wettelijk vertegenwoordigd door [persoon 1] en [persoon 2] en ter zitting vertegenwoordigd door mr. P.R. Hogerbrugge, ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 5.000,- aan materiële schade en een bedrag van € 7.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie acht de gevorderde vergoeding van materiële schade toewijsbaar tot een bedrag van € 100,-. De gevorderde vergoeding van immateriële schade kan in zijn geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de gehele vordering moet worden afgewezen, gelet op de bepleite vrijspraak. Indien de rechtbank wel tot een veroordeling komt, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in het deel wat ziet op materiële schade omdat die schade onvoldoende is onderbouwd. Met betrekking tot de immateriële schade is de verdediging van oordeel dat dit moet worden vastgesteld op € 1.500,-.
8.3.
Beoordeling
Materiele schade
De benadeelde partij zal ten aanzien van de materiële schade in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij vordert een vergoeding voor de reis- en parkeerkosten die de ouders hebben gemaakt vanwege verschillende afspraken die zijn gemaakt in verband met het bewezen verklaarde feit. Deze, door de verdediging betwiste, schade is echter niet onderbouwd met stukken. De benadeelde partij in de gelegenheid stellen de vordering nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij wordt daarom ten aanzien van deze post niet-ontvankelijk verklaard. Dat geldt ook voor de post “nader te onderbouwen schade”, welke schade niet is gespecificeerd, laat staan onderbouwd. Deze delen van de vordering tot schadevergoeding kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat de benadeelde partij in zijn persoon is aangetast als gevolg van de aard en de ernst van het bewezen verklaarde strafbare feit. De benadeelde partij heeft daardoor recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding (artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek). Bij de vaststelling van de schadevergoeding heeft de rechtbank acht geslagen op de aanbevelingen uit de ‘Rotterdamse Schaal’, de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit, waarbij ook is gelet op de frequentie (eenmalig) en de (relatief korte) duur van het bewezen verklaarde zedendelict, de jonge leeftijd van het slachtoffer (toen 5 jaar oud) en het leeftijdsverschil tussen het slachtoffer en de verdachte (toen 13 jaar oud).
Gelet op al het voorgaande, zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 3.000,-. De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal dus tot dat bedrag worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 14 februari 2025.
Aansprakelijkheid ouder(s) verdachte
Voor schade die is toegebracht door een kind dat nog niet de leeftijd van veertien jaren heeft bereikt, is degene die het ouderlijk gezag over het kind uitoefent aansprakelijk (artikel 6:169 lid 1 BW Pro). De verdachte was dertien jaar oud toen hij schade toebracht aan de benadeelde partij. Uit het dossier blijkt dat de moeder van de verdachte belast is met het ouderlijk gezag over de verdachte. De rechtbank zal daarom de moeder van de verdachte veroordelen tot betaling van de schadevergoeding.
Proceskosten
Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de moeder van de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.4.
Conclusie
De moeder van de verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van
€ 3.000,-.
Omdat de wet niet de mogelijkheid biedt een schadevergoedingsmaatregel op te leggen ten laste van een minderjarige die ten tijde van het ten laste gelegde feit jonger was dan 14 jaar, of diens ouder(s), zal de schadevergoedingsmaatregel, bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, niet worden opgelegd.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 250 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
jeugddetentievoor de duur van
93 (drieënnegentig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot
90 (negentig) dagen, niet ten uitvoerzal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een
proeftijd, die wordt vastgesteld op
2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
  • zich gedurende een door na te noemen gecertificeerde instelling te bepalen periode en op door de gecertificeerde instelling te bepalen tijdstippen zal melden, zo frequent en zo lang die instelling dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
  • gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met het [naam slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2019, en zijn familie;
  • zich houdt aan het tijdens MST-PSB opgestelde veiligheidsplan;
  • onderwijs volgt volgens rooster;
  • zich inzet voor het behouden van een positieve vorm van vrijetijdsbesteding;
  • meewerkt aan hulpverlening indien de gecertificeerde instelling dit nodig acht;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
  • de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
  • de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast voor de duur van
30 (dertig) dagen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de moeder van de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij] te betalen een bedrag van
€ 3.000,- (zegge: drieduizend euro), bestaande uit € 3.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de moeder van de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.J. Loorbach, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. H. Biemond en A.M.T.A. Verhagen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 februari 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij op 14 februari 2025 te Maassluis met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [naam slachtoffer], geboren 26 september 2019, een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen
van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen en/of duwen en/of houden van zijn, verdachtes, vinger(s) in de anus van die [naam slachtoffer];
- het brengen en/of duwen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de anus van die [naam slachtoffer].