ECLI:NL:RBROT:2026:2271

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
ROT 25/1363
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 2.6 WhtArt. 8a Besluit kinderopvangtoeslag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag op grond van Wet hersteloperatie toeslagen

Eiseres verzocht compensatie voor de jaren 2013 en 2014 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), nadat de Dienst Toeslagen haar aanvraag had afgewezen. De lagere vaststelling van de kinderopvangtoeslag was gebaseerd op een wetswijziging die het aantal vergoede opvanguren koppelde aan het aantal gewerkte uren, met een maximum van 70% per kind. Eiseres had meer opvanguren afgenomen dan dit maximum, wat leidde tot terugvorderingen.

Eiseres stelde dat zij niet tijdig was geïnformeerd over deze wetswijziging en dat de toepassing van de regeling tot onbillijkheden van overwegende aard leidde. Zij verwees naar haar persoonlijke omstandigheden en de wetsgeschiedenis, waaronder het feit dat de koppeling per 1 januari 2023 was losgelaten. De rechtbank oordeelde echter dat eiseres niet het slachtoffer was van vooringenomen handelen, maar van een nadelige wetswijziging.

De rechtbank overwoog dat de terugvorderingen niet onevenredig waren en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een hardheidscompensatie rechtvaardigen. Ook was er geen sprake van opzet of grove schuld van eiseres, zodat geen O/GS-tegemoetkoming toekwam. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure was overschreden, waardoor eiseres recht had op een immateriële schadevergoeding van €1.500 en proceskostenvergoeding van €467.

Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand, en de Dienst Toeslagen werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van compensatie voor kinderopvangtoeslag 2013-2014 blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1363

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.M.G. Jurkiewicz),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).

Samenvatting

1. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiseres om compensatie voor de jaren 2013 en 2014 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dat terecht gedaan. Het beroep is ongegrond.

Procesverloop

2.1.
Met de besluiten van 11 augustus 2022 (UHT-DC-I A en UHT-DH5 A) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie of een opzet/grove schuld (O/GS)-tegemoetkoming op grond van de Wht voor de jaren 2013 en 2014 afgewezen.
2.2.
Met het bestreden besluit van 24 december 2024 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen de besluiten van 11 augustus 2022 ongegrond verklaard.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft aanvullende stukken ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.
Eiseres heeft twee kinderen, geboren op [geboortedatum 1] 2001 en [geboortedatum 2] 2008. Op
17 november 2020 heeft eiseres zich bij de Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2013 en 2014.
3.2.
Met besluiten van 30 december 2014 en 15 mei 2015 heeft de Dienst Toeslagen de kinderopvangtoeslag van eiseres over de jaren 2013 en 2014 lager vastgesteld op basis van het per 1 januari 2012 gewijzigde artikel 8a van het Besluit kinderopvangtoeslag (BKO). Met het wijzigen van artikel 8a van het BKO is de koppeling gewerkte uren ingevoerd in de kinderopvangtoeslag. Hierdoor werd het aantal uren voor vergoeding van in aanmerking te nemen uren aan kinderopvang gemaximeerd aan de hand van het aantal gewerkte uren en het type kinderopvang. Het aantal uren kinderopvang dat voor een tegemoetkoming in aanmerking kwam, bedroeg voor ieder kind maximaal 70%. Eiseres nam echter kinderopvang af voor meer dan 70% van de gewerkte uren. Dit heeft tot terugvorderingen geleid. Met het besluit op bezwaar van 19 oktober 2015 is het bezwaar van eiseres tegen de besluiten van 30 december 2014 en 15 mei 2015 ongegrond verklaard.
3.3.
De Dienst Toeslagen heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat er geen aanwijzingen zijn dat de definitief vastgestelde bedragen aan kinderopvangtoeslag voor de jaren 2013 en 2014 onjuist zijn of dat er vooringenomen is gehandeld. Verder volgt niet uit de stukken dat er sprake is geweest van bijzondere omstandigheden. En is voor toepassing van de hardheidscompensatie daarom geen reden. Ook is er geen sprake geweest van opzet/grove schuld waardoor eiseres geen persoonlijke betalingsregeling en buitengerechtelijke schuldhulpverlening kon krijgen zodat eiseres geen recht heeft op een O/GS tegemoetkoming.

Beoordeling door de rechtbank

4.1.
Eiseres voert aan dat ze niet tijdig is geïnformeerd over de wetswijziging dat het aantal in aanmerking te nemen uren voor de kinderopvangtoeslag gekoppeld is aan het aantal gewerkte uren en op 70% is gemaximeerd. Eiseres wijst op de wetsgeschiedenis met betrekking tot de totstandkoming van de koppeling tussen het aantal gewerkte uren en het aantal opvanguren en dat deze koppeling per 1 januari 2023 is losgelaten. Eiseres stelt dat ze de kinderopvangtoeslag heeft gebruikt voor de buitenschoolse opvang van haar zoon zodat zij kon werken. Vier uur buitenschoolse opvang volstond niet bij het werkrooster van eiseres en het schoolrooster van haar zoon. Het handelen van de Dienst Toeslagen heeft volgens eiseres geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voorkomen uit de hardheid van de toepassing van het wettelijke systeem.
4.2.
Op de zitting heeft eiseres verder naar voren gebracht dat toen ze in augustus 2013 te horen had gekregen dat ze meer opvanguren nodig had, naar de Dienst Toeslagen had gebeld waarbij ze de extra benodigde uren had doorgegeven en specifiek had gevraagd of het zo goed was. Haar is toen niets verteld over de nieuwe regeling. Eiseres heeft destijds bezwaar gemaakt tegen de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag, maar heeft erg lang op een besluit op bezwaar moeten wachten. Dit was in een voor haar moeilijke periode waarin ze, door het faillissement van haar werkgever, een uitkering van het UWV kreeg, haar moeder was overleden en tweemaal is geopereerd aan een grote hersentumor. Later heeft eiseres ook nog borstkanker gekregen.
Compensatie
5.1.
De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat een gedupeerde ouder alsnog ontvangt wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht volgt dat de Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die daadwerkelijk schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem in de periode vóór
23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem vóór 23 oktober 2019 werd toegepast.
5.2.
De terugvorderingen zijn veroorzaakt door een wijzing van wetgeving (artikel 8a van de BKO), waardoor het recht op kinderopvangtoeslag naar beneden is bijgesteld. Alhoewel het beter was geweest als eiseres tijdig was geïnformeerd over de wetswijziging, is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet zozeer het slachtoffer is geworden van vooringenomen handelen van de Dienst Toeslagen, maar van een voor haar nadelige wetswijziging. [1]
6.1.
Uit de memorie van toelichting bij de Wht [2] blijkt dat sprake is van hardheid van het stelsel als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.
6.2.
Van bijzondere omstandigheden is bijvoorbeeld sprake als:
- een derde identiteitsfraude pleegt en op naam en buiten medeweten van de belanghebbende de toeslag aanvraagt en de toeslag aantoonbaar – geheel of gedeeltelijk – niet ten goede komt aan de belanghebbende;
- een derde, bijvoorbeeld een kinderopvangorganisatie, op een andere wijze fraudeert zonder medeweten en (directe) betrokkenheid van de belanghebbende; of
- een door belanghebbende redelijkerwijze niet (meer) te herstellen geringe formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening in een contract, heeft geleid tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het recht op kinderopvangtoeslag, terwijl aan alle materiële eisen voor de kinderopvangtoeslag is voldaan – tenzij de belanghebbende na herhaalde verzoeken van de Dienst Toeslagen de geringe formele tekortkoming niet heeft hersteld, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid was.
6.3.
Verder blijkt uit de toelichting dat de financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende, die terugbetaling van toeslagen verhinderden, in het algemeen niet zullen leiden tot de conclusie dat diegene gedupeerd is door hardheid van het stelsel. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling.
7.1.
De door eiseres aangevoerde omstandigheden kunnen, hoe schrijnend en moeilijk die ook voor haar waren, niet als bijzondere omstandigheden gezien worden. De kinderopvangtoeslag is niet op nihil gesteld en er is geen sprake geweest van een terugvordering van de gehele aanspraak of van een onevenredige terugvordering.
De rechtbank ziet dat de terugvorderingen gevolgen voor eiseres hebben gehad, nu eiseres er kennelijk jaren over heeft gedaan om het verschuldigde bedrag af te lossen, maar komt tot de conclusie dat de Dienst Toeslagen terecht heeft vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie. Er is geen sprake van onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem vóór 23 oktober 2019 werd toegepast. Dat de wetgever, overigens pas per 1 januari 2023, de koppeling tussen het aantal gewerkte uren en opvanguren, heeft losgelaten, ziet de rechtbank niet als erkenning dat voor 2023 sprake was van onbillijkheid van overwegende aard.
7.2.
Uit het voorgaande volgt dat eiseres voor de jaren 2013 en 2014 geen recht heeft op compensatie in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
O/GS-tegemoetkoming
8. Uit het dossier blijkt niet dat eiseres opzet of grove schuld is verweten. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan die vaststelling te twijfelen. Er is ook niet gebleken dat eiseres een betalingsregeling is geweigerd, zodat er ook geen afwijzing van een betalingsregeling kan hebben plaatsgevonden op grond van een onterechte O/GS kwalificatie. Dit betekent dat eiseres geen recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 van de Wht.
Overschrijding redelijke termijn
9.1
Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Naar vaste rechtspraak geldt het uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500, - per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.
9.2.
De Dienst Toeslagen heeft het bezwaarschrift ontvangen op 12 september 2022. Op de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn met afgerond 17 maanden overschreden. Eiseres heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500,-. De uitspraak op bezwaar is bekendgemaakt op 24 december 2024, afgerond 27 maanden na ontvangst van het bezwaarschrift. De overschrijding van de redelijke termijn is dus volledig toe te rekenen aan de Dienst Toeslagen. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen een schadevergoeding van € 1.500,- aan eiseres moet betalen.

Conclusie en gevolgen

10.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. De Dienst Toeslagen zal worden veroordeeld tot betaling van immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 1.500,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
10.2.
De Dienst Toeslagen zal worden veroordeeld in de proceskosten van eiseres voor verleende rechtsbijstand in verband met het verzoek om schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Die kosten worden begroot op een bedrag van
€ 467,- (1 punt voor het indienen van het schadeverzoek, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor van 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling aan eiseres van een vergoeding van
- immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van
€ 1.500,-;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling aan eiseres van een bedrag van € 467,- aan
proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van
mr.J. Nieuwstraten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie ook uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10283.