Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2264

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/10/714063 / JE RK 26-176
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens onduidelijke letselsituatie

De kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam heeft op 4 februari 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van een vier maanden oude minderjarige verlengd tot 28 april 2026. Dit volgt op een eerdere spoedbeschikking van 28 januari 2026, waarbij de minderjarige voorlopig onder toezicht werd gesteld en uit huis geplaatst in een neutraal pleeggezin.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft het verzoek tot verlenging ingediend vanwege ernstige zorgen over de veiligheid van de minderjarige. Deze is met meerdere, deels oude, botbreuken in het ziekenhuis opgenomen, waarvan de ouders geen verklaring kunnen geven. Er loopt een strafrechtelijk onderzoek en een onderzoek door het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling.

De ouders voeren geen verweer tegen de ondertoezichtstelling, maar verzetten zich tegen de uithuisplaatsing en verzoeken om herroeping. Zij stellen voor om de veiligheid te waarborgen via een vier-ogen-beleid of plaatsing in een netwerkpleeggezin, wat volgens hen beter is voor de gehechtheidsrelatie. De gecertificeerde instelling sluit zich aan bij het verzoek van de Raad en benadrukt de betrokkenheid van de ouders.

De kinderrechter oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep. Het contact tussen de minderjarige en de ouders dient te worden voortgezet en de GI blijft zoeken naar een plaatsing binnen het netwerk van de ouders.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 28 april 2026 vanwege ernstige zorgen over onverklaarde botbreuken en lopend onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/714063 / JE RK 26-176
Datum uitspraak: 4 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
Rotterdam,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder
en
[naam vader],
hierna te noemen: de vader,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. N. Schiettekatte, kantoorhoudende in Rotterdam,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
Rotterdam,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 28 januari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de rectificatiebeschikking van 30 januari 2026.
1.2.
Op 4 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders met hun advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 2] en [naam 3] .

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 januari 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 28 april 2026. Tevens heeft de kinderrechter een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 25 februari 2026. De beslissing is voor het overige aangehouden.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Hierop is reeds beslist. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van drie maanden. Hierop is reeds beslist voor de duur van vier weken. Het overige deel van het verzoek is aangehouden.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. [minderjarige] is met verschillende, zowel oudere als recentere, botbreuken in het ziekenhuis gekomen en de ouders hebben hiervoor geen verklaring. De Raad ziet de impact van de situatie bij de ouders, maar de veiligheid van [minderjarige] staat voorop. Daarbij is de Raad positief over de manier waarop de ouders zich in deze moeilijke situatie opstellen. Het moet duidelijk worden wat er is gebeurd, alvorens [minderjarige] mogelijk terug naar huis kan.
4.2.
Door en namens de ouders wordt ter zitting geen verweer gevoerd tegen de voorlopige ondertoezichtstelling. De ouders verweren zich wel tegen de machtiging tot uithuisplaatsing en verzoeken deze per direct herroepen. De ouders willen dat [minderjarige] zo snel mogelijk weer thuis komt en willen, net als de Raad, weten wat er met [minderjarige] is gebeurd. De ouders zijn van mening dat de Raad onvoldoende heeft onderbouwd waarom de veiligheid van [minderjarige] niet kan worden gewaarborgd met een vier-ogen-beleid of een plaatsing in een netwerkpleeggezin. De ouders zijn bereid mee te werken aan een vier-ogen-beleid om op die manier de veiligheid van [minderjarige] te garanderen. Ook een plaatsing in een netwerkpleeggezin heeft voor de ouders de voorkeur boven een neutraal pleeggezin. Op die manier is [minderjarige] zo dicht mogelijk bij de ouders, wat van groot belang is voor de gehechtheidsrelatie. De moeder geeft aan een heftige bevalling te hebben gehad en mogelijk is dit de oorzaak geweest van de botbreuken bij [minderjarige] .
4.3
De GI sluit zich aan bij het verzoek van de Raad. Het is een verdrietige
situatie en er is nog veel onduidelijk. De politie is ook een strafrechtelijk onderzoek gestart.
De GI is aan het onderzoeken of [minderjarige] in het netwerk geplaatst kan worden, maar dat
moet zorgvuldig gebeuren. Dit onderzoek hoeft niet lang te duren. De ouders werken goed
mee en zijn heel betrokken.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van de stukken en de mondelinge behandeling komt de kinderrechter tot het oordeel dat een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld en dat de uitgesproken voorlopige ondertoezichtstelling, zoals verzocht en ter zitting niet weersproken, daarom nog steeds passend en geboden is. [1] Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding . [2] De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.
5.2.
[minderjarige] is op 28 januari 2026 met spoed uit huis geplaatst. Sindsdien verblijft [minderjarige] in een neutraal pleeggezin, waar het naar omstandigheden goed met hem gaat. De zorgen over [minderjarige] zijn ernstig. Na een bezoek in het ziekenhuis op 27 januari 2026 is een breuk in het been van [minderjarige] geconstateerd en zijn er op meerdere plekken in zijn lichaam oude breuken gevonden. Het is nog altijd onduidelijk wat er is gebeurd en hoe de breuken zijn ontstaan. [minderjarige] is namelijk pas vier maanden oud. Met de Raad is de kinderrechter van oordeel dat het belangrijk is dat er duidelijkheid over de toedracht van het letsel komt, alvorens kan worden toegewerkt naar een mogelijke terugplaatsing bij de ouders. Hiervoor is tijd nodig. Het onderzoek van het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling is nog niet afgerond en er loopt ook een strafrechtelijk onderzoek. De kinderrechter acht hierbij de betrokkenheid van de GI noodzakelijk om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. Daarnaast benadrukt de kinderrechter dat het belangrijk is dat het contact tussen [minderjarige] en de ouders wordt voortgezet en dat de GI blijft zoeken naar mogelijkheden om [minderjarige] , voor zover dat in zijn belang is , binnen het netwerk van de ouders te plaatsen. Het is daarbij positief dat de ouders, ondanks de situatie, openstaan voor de hulpverlening en hun medewerking hieraan verlenen.
5.3.
De kinderrechter houdt de genomen beslissing van de kinderrechter van
28 januari 2026 in stand en verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 28 april 2026.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
handhaaft de spoedbeschikking van 28 januari 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 28 april 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.N. van Geest en mr. J. Korshuize als griffiers, en op schrift gesteld op 17 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:257 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.