ECLI:NL:RBROT:2026:2259

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/10/709436 / HA ZA 25-961
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:40 lid 1 BWArt. 3:44 lid 3 BWArt. 6:101 BWArt. 6:119 BWArt. 140 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering en aansprakelijkheid bij boilerroomfraude via bankrekening derden

Eiser verloor een aanzienlijk bedrag aan cryptobeleggingsfraude, waarbij betalingen via rekeningen van gedaagden liepen. Gedaagde 2 stelde haar zakelijke bankrekening ter beschikking en sloot een overeenkomst als 'billing agent', maar stortte gelden door conform instructies van fraudeurs. De rechtbank oordeelde dat de betalingen niet onverschuldigd waren omdat ze voortkwamen uit een overeenkomst tussen eiser en de fraudeurs, die niet nietig was.

Wel werd geoordeeld dat gedaagde 2 onrechtmatig handelde door haar rekening als doorgeefluik te gebruiken zonder voldoende controle, wat onzorgvuldig was jegens eiser. Hoewel gedaagde 2 zelf ook slachtoffer was, bleef haar onzorgvuldig handelen haar aansprakelijk. Eiser had eigen schuld omdat hij onvoldoende onderzoek deed en ondanks twijfels bleef betalen.

De schadevergoeding werd daarom verminderd met 25% eigen schuld van eiser. De vordering tegen gedaagde 1 werd toegewezen wegens verstek. De vordering tot incassokosten werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs. Gedaagde 2 werd veroordeeld tot betaling van €31.045 plus wettelijke rente vanaf 11 februari 2025 en in proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde 2 wordt veroordeeld tot betaling van €31.045,00 met rente, verminderd wegens eigen schuld van eiser, en gedaagde 1 wordt veroordeeld tot betaling van €9.879,83.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/709436 / HA ZA 25-961
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser]
advocaat: mr. M.A. Hupkes,
tegen

1..[gedaagde 1] ,

te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
niet verschenen,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats 3] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. J. Klein Molekamp.

1.De zaak in het kort

[eiser] heeft een aanzienlijk geldbedrag verloren aan fraude met beleggingen in cryptovaluta. Deze fraude is mede mogelijk gemaakt door [gedaagde 2] , omdat zij haar bankrekening beschikbaar heeft gesteld om betalingen van [eiser] te ontvangen en deze vervolgens op instructie van de fraudeplegers weg te sluizen. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 2] hiermee onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Wel heeft [eiser] eigen schuld aan zijn schade. De schade komt daarom voor een kwart voor zijn eigen rekening, de rest moet [gedaagde 2] vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 oktober 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] , met producties;
- de brief van de rechtbank met het bericht dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mail van de rechtbank met een zittingsagenda;
- de akte houdende wijziging van eis en verzoek doorhaling, met producties;
- de mondelinge behandeling van 17 februari 2026;
- de spreekaantekeningen van [eiser] .
2.2.
Aanvankelijk is deze procedure ook aanhangig gemaakt tegen Finom Payments B.V. te Amsterdam (hierna: Finom). Finom is niet in de procedure verschenen. Bij de hiervoor genoemde akte heeft [eiser] laten weten dat de vordering tegen Finom wordt ingetrokken en dat de procedure in zoverre kan worden doorgehaald.
2.3.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechter bepaald dat vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
[eiser] heeft tussen november 2024 en april 2025 betalingen gedaan met de bedoeling daarmee te beleggen in cryptovaluta. In totaal heeft hij € 208.750,10 betaald.
3.2.
[eiser] deed de betalingen op advies van personen die zeiden verbonden te zijn aan het bedrijf Altreserve. Onder deze naam werd geadverteerd rondom televisieprogramma’s, waaronder Vandaag Inside, en ook werd een website onderhouden waarop onder meer inleg en (vermeende) beleggingsresultaten van deelnemers werden bijgehouden.
3.3.
[eiser] deed betalingen door middel van overmakingen op bankrekeningen van derden, onder wie [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , die werden aangehouden bij Finom, een in Nederland werkzame bank.
3.4.
[gedaagde 2] heeft hiertoe in het najaar van 2024 een eenmansbedrijf ( [naam eenmansbedrijf] ) opgericht en op naam van dat bedrijf een zakelijke bankrekening bij Finom geopend. Zij deed dit op initiatief van personen die zeiden te handelen namens Interactive Brokers Ltd. Hiertoe heeft [gedaagde 2] met deze (vermeende) partij een overeenkomst gesloten, op grond waarvan zij zou optreden als ‘billing agent’.
3.5.
De op haar zakelijke rekening van [eiser] ontvangen gelden heeft [gedaagde 2] conform instructies van haar vermeende opdrachtgever doorgestort, deels naar rekeningen van derden en deels naar haar privérekening.
3.6.
Tussen november 2024 en 11 februari 2025 heeft [eiser] in totaal € 41.393,54 op de rekening van [gedaagde 2] overgemaakt. Op de rekening van [gedaagde 1] heeft [eiser] in totaal € 9.879,83 overgemaakt.
3.7.
Begin 2025 heeft [eiser] een bezoek gebracht aan het gebouw in Zürich waar Altreserve naar eigen zeggen gevestigd was. In dat gebouw bleek geen bedrijf met die naam gevestigd te zijn.
3.8.
Met het door [eiser] betaalde bedrag hebben geen beleggingen plaatsgevonden, althans geen beleggingen die aan hem ten goede zijn gekomen.

4.Het geschil

4.1.
Na vermindering van eis vordert [eiser] samengevat, het volgende:
veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van € 9.879,83;
veroordeling van [gedaagde 2] tot betaling van € 41.393,54, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2025, en tot betaling van € 1.188,00 voor buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeling van [gedaagde 2] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2.
[gedaagde 1] heeft geen verweer gevoerd.
4.3.
[gedaagde 2] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

5.De beoordeling

de vordering op [gedaagde 1] wordt toegewezen
5.1.
Tegen [gedaagde 1] wordt verstek verleend. De vordering op hem komt de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voor en wordt daarom toegewezen.
5.2.
Uit de laatstelijk genomen akte van [eiser] volgt dat [eiser] en [gedaagde 1] afspraken hebben gemaakt en dat onderdeel van die afspraken is dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank zal de proceskosten daarom compenseren.
5.3.
Omdat in deze procedure meer gedaagde partijen zijn betrokken en een van hen is verschenen, geldt dit vonnis als een vonnis op tegenspraak (artikel 140 lid 3 Rv Pro).
de standpunten van [eiser] en [gedaagde 2]
5.4.
[eiser] stelt dat hij slachtoffer is geworden van zogenoemde ‘boilerroomfraude’. Hij is ertoe aangezet om aanzienlijke hoeveelheden geld over te maken naar bankrekeningen van derden, waarbij hij in de waan is gebracht dat met dat geld beleggingen werden gedaan die goed rendeerden. In werkelijkheid is hij al zijn geld kwijt. [gedaagde 2] is een van de derden op wiens rekening geldbedragen van [eiser] werden overgemaakt. Die bedragen werden dan steeds doorgestort naar de vermoedelijke criminelen achter de fraude. [eiser] heeft de betalingen aan [gedaagde 2] zonder enige rechtsgrond en dus onverschuldigd gedaan. Zij is daarom verplicht het op haar rekening ontvangen bedrag aan [eiser] terug te betalen. Subsidiair meent [eiser] dat [gedaagde 2] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld. Het is namelijk onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig om een bankrekening ter beschikking te stellen voor transacties van derden. Door dat toch te doen is [gedaagde 2] aansprakelijk voor de schade, die overeenkomt met het totaal van het op haar rekening van [eiser] ontvangen bedrag.
5.5.
[gedaagde 2] betwist dat voor de betalingen op haar rekening een rechtsgrond ontbrak. [eiser] had kennelijk een overeenkomst met derden op grond waarvan hij die betalingen deed. Er was dus wel degelijk een rechtsgrond voor de betalingen. Ook betwist [gedaagde 2] dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. Zij heeft te goeder trouw gehandeld op basis van een opdrachtovereenkomst met een derde. In het kader van die opdrachtovereenkomst trad zij op als zogenoemde ‘billing agent’. In die rol ontving zij bedragen die zij steeds conform de instructies van die derde doorstortte, soms op rekeningen van derden, veelal op haar eigen privérekening. Met die bedragen op haar privérekening deed ze dan stortingen bij het bitcoinplatform Kraken. Later bleek de opdrachtovereenkomst vervalst, maar dat wist zij niet en zij had ook geen reden om dat te vermoeden. In elk geval beroept [gedaagde 2] zich op eigen schuld aan de kant van [eiser] . Ondanks de bij hem gerezen twijfel over de handel en wandel van zijn vermeende contractspartij, is hij blijven doorgaan met het overmaken van aanzienlijke betalingen.
de vordering is niet toewijsbaar op grond van onverschuldigde betaling
5.6.
Voor toewijzing van een vordering wegens onverschuldigde betaling is vereist dat de betaling zonder rechtsgrond is verricht. Die rechtsgrond kan zijn gelegen in een rechtsverhouding tussen de betaler ( [eiser] ) en de ontvanger ( [gedaagde 2] ), maar ook in een rechtsverhouding tussen de betaler ( [eiser] ) en een derde (Altreserve) op grond waarvan is betaald aan de ontvanger ( [gedaagde 2] ). Die laatste situatie doet zich hier in beginsel voor. Uit het betoog van [eiser] moet immers worden afgeleid dat hij de betalingen heeft gedaan op grond van afspraken met (de personen achter) Altreserve. De betalingen aan [gedaagde 2] zijn dus niet zonder rechtsgrond verricht.
5.7.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] aangevoerd dat die rechtsgrond is komen te vervallen omdat de betreffende overeenkomst tussen hem en (de personen achter) Altreserve nietig is wegens strijd met de openbare orde of de goede zeden (artikel 3:40 lid 1 BW Pro). Dit betoog gaat niet op. De gewraakte overeenkomst is naar zijn inhoud op zichzelf niet in strijd met de openbare orde of de goede zeden. Het is immers niet verboden of anderszins laakbaar om af te spreken dat geld wordt betaald om daarmee te beleggen. Van een strekking die strijdig is met de goede zeden of de openbare orde kan pas sprake zijn als die strijdigheid het voor beide partijen voorziene gevolg is van de overeenkomst. Dat doet zich hier niet voor. [eiser] was zich immers niet bewust van de kwalijke intenties van (de personen achter) Altreserve.
5.8.
Voor een geval als hier aan de orde is het wilsgebrek ‘bedrog’ bedoeld (artikel 3:44 lid 3 BW Pro). In geval van bedrog is de overeenkomst vernietigbaar en niet nietig. Niet ter discussie staat dat de overeenkomst tussen [eiser] en (de personen achter) Altreserve niet is vernietigd. Zolang dat niet is gebeurd, is de rechtsgrond voor de betalingen op de rekening van [gedaagde 2] aanwezig en kunnen die niet als onverschuldigd worden teruggevorderd.
[gedaagde 2] heeft onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld
5.9.
Niet ter discussie staat dat [eiser] het slachtoffer is geworden van fraude. Verder is uitgangspunt dat die fraude niet (mede) door [gedaagde 2] is gepleegd. Wel heeft zij de fraude mede mogelijk gemaakt, omdat een deel van de betalingen door [eiser] via de rekening van [gedaagde 2] is gelopen. Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank verder het volgende.
5.10.
De betrokkenheid van [gedaagde 2] komt erop neer dat zij haar (zakelijke) bankrekening ter beschikking heeft gesteld van personen om daarop betalingen van derden te ontvangen die zij steeds conform de instructie van die personen heeft verwerkt. Haar eenmansbedrijf en haar rekening heeft zij op initiatief van die personen opgericht respectievelijk geopend. Het opvolgen van die kennelijke instructies heeft ertoe geleid dat alle van [eiser] ontvangen bedragen zijn verdwenen, althans niet meer voor [eiser] beschikbaar. De overeenkomst die volgens [gedaagde 2] aan dit alles ten grondslag lag is inmiddels vals gebleken. Maar wat daarvan ook zij, vastgesteld moet worden dat de zogenaamde dienstverlening van [gedaagde 2] in wezen niets anders inhield dan het beschikbaar houden van haar bankrekening als doorgeefluik: zij ontving betalingen van derden onder wie [eiser] en zij stortte die door conform de instructie van haar zogenaamde opdrachtgevers. Een reële dienst leverde [gedaagde 2] niet. Zij heeft kennelijk blindelings de instructies van haar opdrachtgevers gevolgd en zodoende per saldo grote sommen geld doorgesluisd naar andere rekeningen. Dit is naar maatstaven van wat in het maatschappelijk verkeer betaamt onzorgvuldig. Van een houder van een bankrekening die daarmee deelneemt aan het handelsverkeer mag worden verwacht controle te houden over het geldverkeer dat over die bankrekening loopt en niet toe te staan dat daarvan gebruik wordt gemaakt voor betalingsverkeer waar die rekeninghouder in feite helemaal buiten staat. Door dit wel toe te laten en daaraan zelfs een actieve bijdrage te leveren, heeft [gedaagde 2] onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig gehandeld jegens degene die via haar rekening betalingen heeft gedaan, zoals [eiser] .
5.11.
Aan dit alles doet niet af dat [gedaagde 2] zelf waarschijnlijk ook is voorgelogen en opgelicht door de personen achter de fraude. Dat laat haar eigen onzorgvuldig handelen onverlet.
5.12.
[gedaagde 2] heeft dus onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld. Dit onrechtmatig handelen moet haar uit de aard van de zaak worden toegerekend. Zij is daarom aansprakelijk voor de als gevolg hiervan door [eiser] geleden schade.
beroep op eigen schuld leidt tot vermindering van de schadevergoedingsplicht
5.13.
[gedaagde 2] heeft een beroep gedaan op eigen schuld van [eiser] . Zij stelt daartoe dat [eiser] zelf in hoge mate onoplettend is geweest door grote geldbedragen aan (personen achter) ‘Altreserve’ over te maken en daarmee zelfs door te gaan toen hij al reden had om te twijfelen. [eiser] heeft betwist dat de schade mede aan zijn eigen handelen moet worden toegerekend.
5.14.
Zonder het eigen handelen van [eiser] (het overmaken van bedragen naar de rekening van [gedaagde 2] ) zou hij deze schade niet hebben geleden. Dit eigen handelen kan worden aangemerkt als eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW Pro indien [eiser] zich hierin anders heeft gedragen dan in de gegeven omstandigheden van een redelijk handelend mens mocht worden verwacht.
5.15.
In reactie op het beroep van [gedaagde 2] op eigen schuld heeft [eiser] gewezen op de geraffineerde wijze waarop deze fraude was georganiseerd. Altreserve adverteerde rondom een veelbekeken televisieprogramma (Vandaag Inside), er werd gebruik gemaakt van een professionele website, waarvan een persoonlijk account voor deelnemers deel uitmaakte en waarop de inleg en de beleggingsresultaten (zogenaamd) inzichtelijk werden bijgehouden en met (Nederlandse) contactpersonen was regelmatig contact. Deze omstandigheden staan op zichzelf niet ter discussie en kunnen in onderlinge samenhang verklaren dat [eiser] zich om de tuin heeft laten leiden. Hier komt echter bij dat [eiser] kennelijk niet veel meer heeft gedaan dan het bezoeken van de website en het daarop aanmaken van een account, waarna hij zich heeft laten inpalmen door personen aan de telefoon. Hij heeft klaarblijkelijk op basis van louter een gelikte website en vertrouwenwekkende telefoongesprekken besloten om aanzienlijke geldbedragen over te maken. De rechtbank is van oordeel dat hij hiermee niet heeft gehandeld met de minimale voorzichtigheid die in de gegeven omstandigheden van een redelijk handelend persoon mocht worden verwacht. Hij heeft in zoverre dus eigen schuld aan het ontstaan van zijn schade.
5.16.
Deze vorm van eigen schuld moet geacht worden van aanvang af aanwezig te zijn geweest en was dus ook aan de orde in de periode waarin [eiser] bedragen op de rekening van [gedaagde 2] heeft overgemaakt. De schade waarvan [eiser] van [gedaagde 2] in deze procedure vergoeding vordert is dus mede het gevolg van die eigen schuld.
5.17.
De mate van eigen schuld is toegenomen nadat hij in Zürich tot de ontdekking was gekomen dat Altreserve niet was gevestigd op de plek waar zij stelde gevestigd te zijn. Ondanks die ontdekking heeft hij daarna immers nog aanzienlijke geldbedragen betaald. Voor de vordering op [gedaagde 2] is dit echter niet relevant. [eiser] heeft namelijk onbetwist gesteld dat dit bezoek eind februari 2025 plaatsvond, terwijl de laatste betaling op de rekening van [gedaagde 2] al dateert van 11 februari 2025. De schade waarvan [eiser] in deze procedure vergoeding vordert, is dus niet mede veroorzaakt door de betalingen die hij heeft verricht na zijn bezoek aan Zürich.
5.18.
De rechtbank is van oordeel dat het aan [eiser] als eigen schuld toe te rekenen handelen geacht moet worden voor 25% aan de schade te hebben bijgedragen. De vergoedingsplicht van [gedaagde 2] wordt dus met een kwart verminderd. De rechtbank ziet geen grond voor een andere verdeling op grond van de billijkheidscorrectie. Dat [eiser] het slachtoffer is geworden van fraude maakt niet dat helemaal geen correctie wegens eigen schuld op zijn plaats is. Vast staat immers dat [gedaagde 2] niet zelf in het fraudecomplot zat. Niet gebleken is van omstandigheden die meebrengen dat de billijkheid klaarblijkelijk eist dat een andere verdeling van de schade wordt aangehouden.
conclusie: de vordering is op grond van onrechtmatige daad deels toewijsbaar
5.19.
Vast staat dat [eiser] in totaal € 41.393,54 heeft overgemaakt op de rekening van [gedaagde 2] . Zonder het onrechtmatig handelen van [gedaagde 2] zou dat niet zijn gebeurd. Daarom bestaat tussen dat handelen en de schade causaal verband. [gedaagde 2] is verplicht die schade aan [eiser] te vergoeden, verminderd met het deel dat wegens eigen schuld voor rekening van [eiser] moet blijven. Dit betekent dat een bedrag van € 31.045,00 wordt toegewezen.
5.20.
[eiser] heeft deze schade geleden op de momenten waarop hij de betalingen op de rekening van [gedaagde 2] deed. Vast staat dat de laatste betaling dateert van 11 februari 2025. [gedaagde 2] is dus in elk geval vanaf die datum de wettelijke rente verschuldigd. De daartoe strekkende vordering van [eiser] wordt toegewezen.
de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is niet toewijsbaar
5.21.
[eiser] vordert een bedrag van € 1.188,00 vanwege buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering is niet toewijsbaar. [eiser] heeft onvoldoende gesteld om te kunnen vaststellen dat hij daadwerkelijk dergelijke kosten heeft gemaakt. Uit de dagvaarding volgt weliswaar dat zijn advocaat [gedaagde 2] heeft gesommeerd om over te gaan tot betaling van schadevergoeding, maar dit moet worden beschouwd als handeling ter voorbereiding op deze procedure. De proceskosten worden geacht daarvoor een vergoeding in te houden.
[gedaagde 2] wordt veroordeeld in de proceskosten
5.22.
[gedaagde 2] krijgt ongelijk en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten van [eiser] . deze worden begroot op:
  • griffierecht € 1.374,00
  • explootkosten € 149,38
  • advocaatsalaris € 1.672,00
  • nakosten
TOTAAL € 3.384,38

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
verleent verstek tegen [gedaagde 1] en veroordeelt hem tot betaling aan [eiser] van € 9.879,83;
6.2.
veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling aan [eiser] van € 31.045,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 11 februari 2025 tot aan de dag van voldoening;
6.3.
compenseert de proceskosten in het geschil tussen [eiser] en [gedaagde 1] zodat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.4.
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van [eiser] begroot op € 3.384,38, te voldoen binnen veertien dagen na aanschrijving en te vermeerderen met € 98,00 en de kosten van betekening als niet tijdig wordt betaald en vervolgens betekening van dit vonnis plaatsvindt;
6.5.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.