ECLI:NL:RBROT:2026:2139

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2600922:R-RK – NL:TZ:2600925:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium en opschorting ontruiming huurwoning voor zes maanden

Verzoeker heeft op 16 januari 2026 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet, om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De rechtbank stelde de behandeling vast op 4 februari 2026. Verweerster, de verhuurder, was niet aanwezig bij de zitting maar liet weten zich te zullen beroepen op het eerdere vonnis.

De rechtbank constateerde een bedreigende situatie omdat een vonnis tot ontruiming van 12 december 2025 en een exploot van 30 december 2025 waren overgelegd, waarin ontruiming op 20 januari 2026 werd aangekondigd. Verzoeker heeft de huur van februari 2026 voldaan en er is beschermingsbewind ingesteld, waardoor de huurbetalingen gewaarborgd zijn.

De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in de woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. Daarom wordt het moratorium voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Daarnaast verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal zijn afgerond. Verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen.

De tenuitvoerlegging van het vonnis tot ontruiming wordt opgeschort en de huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van het moratorium. Schuldhulpverlening moet uiterlijk twee weken voor afloop van de voorziening verslag uitbrengen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden en schort de ontruiming van de huurwoning op onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer]
Uitspraak van 12 februari 2026
In de zaak van
[verzoeker],
wonende te [adres], [postcode] te [plaatsnaam]
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 16 januari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 16 januari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 4 februari 2026.
Ter zitting van 4 februari 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • de heer M.A.T. Noordzij, werkzaam bij Noordzij Insolventie B.V. (hierna: schuldhulpverlener);
  • mevrouw C.C.D. Richardson, werkzaam bij De Ridder Beschermingsbewind (hierna: beschermingsbewindvoerder).
[naam], werkzaam bij Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting op 28 januari 2026 aan de rechtbank laten weten dat verweerster niet ter zitting zal verschijnen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft, sinds 12 december 2025, inkomen uit een (voorschot) Participatiewet-uitkering. De kale huur van verzoeker bedraagt € 742,65. Verzoeker heeft op 1 februari 2026 de huurtermijn van februari 2026 voldaan. Daarnaast is door beschermingsbewind voldoende gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.

3.Het verweer

In haar bericht van 28 januari 2026 heeft de deurwaarder aan de rechtbank laten weten dat verweerster zich zal refereren naar het oordeel van de rechtbank.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 30 december 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 20 januari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 12 december 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft de huurtermijn van februari 2026, weliswaar iets te laat, op 1 februari 2026 voldaan. Omdat er sprake is van beschermingsbewind, is echter voldoende gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen in het vervolg tijdig zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 12 december 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
16 januari 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van
S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.