Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2135

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
ROT 25/7031, 25/7031 en 25/7032
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens te late indiening tegen UWV-besluiten

Eiser heeft tegen drie besluiten van het UWV beroep ingesteld, nadat hij eerder bezwaarschriften had ingediend. De besluiten betroffen een eindafrekening WW-uitkering, beëindiging Ziektewet-uitkering na 104 weken en een voorschot WIA-uitkering.

De rechtbank oordeelt dat het beroep te laat is ingediend, namelijk op 10 september 2025, terwijl de beroepstermijn op 7 augustus 2025 was verstreken. Eiser voerde persoonlijke omstandigheden aan, waaronder gezondheidsproblemen van hemzelf en familieleden, complexiteit van de besluiten en taalbarrière.

Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de persoonlijke situatie, acht zij deze omstandigheden niet zodanig dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Eiser had binnen de termijn beroep kunnen instellen of hulp kunnen inschakelen. De rechtbank verklaart de beroepen daarom niet-ontvankelijk en komt niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de besluiten.

Uitkomst: De beroepen tegen de UWV-besluiten zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare redenen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 25/7030, 25/7031 en 25/7032

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2026 in de zaken tussen

[eiser], uit Vlaardingen, eiser,

(gemachtigde: [naam]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,
(gemachtigde: mr. S. Roodenburg).

Procesverloop

1.1.
Met het primaire besluit van 1 februari 2024 heeft het UWV de eindafrekening van de aan eiser verstrekte uitkering vanwege betalingsonmacht van zijn toenmalige werkgever ingevolge de Werkloosheidwet (WW) vastgesteld op € 17.390,75 belast en € 584,00 onbelast.
1.2.
Met het primaire besluit van 30 januari 2025 heeft het UWV de uitkering van eiser op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd, omdat de uitkering de periode van 104 weken heeft bereikt.
1.3.
Met het primaire besluit van 6 maart 2025 heeft het UWV aan eiser een voorschot op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend tot een bedrag van € 591,17 bruto per maand.
1.4.
Eiser heeft op 9 mei 2025 en 6 juni 2025 bezwaarschriften ingediend tegen de drie primaire besluiten.
1.5.
Met drie bestreden besluiten van 26 juni 2025 op de bezwaren heeft het UWV de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze bezwaren te laat zijn ingediend.
1.6.
Eiser heeft op 10 september 2025 beroep ingesteld tegen de drie bestreden besluiten.
1.7.
Het UWV heeft op deze beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.8.
Eiser heeft op 24 oktober 2025, 17 november 2025, 2 december 2025 en
13 december 2025 aanvullende reacties toegestuurd.
1.9.
De rechtbank heeft de beroepen op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn, omdat eiser te laat beroep heeft ingesteld tegen de drie bestreden besluiten en deze te late indiening niet verschoonbaar is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [2]
4. Vast staat dat het UWV de bestreden besluiten bekend heeft gemaakt op
26 juni 2025, zodat voor die drie besluiten geldt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 7 augustus 2025. Eiser heeft pas op 10 september 2025 een beroepschrift ingediend tegen de bestreden besluiten. Dit is buiten de gestelde termijn van zes weken.
4.1.
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar en dus verschoonbaar te achten. Dat kan alleen als sprake is van bijzondere omstandigheden. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde en tevens echtgenote van eiser toegelicht dat de reden voor het te laat indienen van de beroepen voortvloeit uit dezelfde omstandigheden die al speelden in bezwaar. Als gevolg hiervan overzag de gemachtigde van eiser de situatie niet meer: zij had geen overzicht en zag ‘door de bomen het bos niet meer’. Eiser heeft daarbij als redenen voor het niet tijdig en adequaat kunnen reageren genoemd dat hij gezondheidsproblemen heeft, ook heeft hij gewezen op de eerder bestaande gezondheidsproblemen van zijn zoon, de gezondheid van zijn echtgenote (zijnde gemachtigde) en haar zus, de complexiteit van de besluiten en de taalbarrière.
De rechtbank heeft veel begrip voor de lastige persoonlijke situatie van eiser (evenals zijn gemachtigde en andere familieleden) en acht het ook zeer voorstelbaar dat hij en/of zijn gemachtigde door die situatie het overzicht is of zijn verloren. Toch heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem om die redenen in het geheel niet mogelijk was om binnen de termijn van zes weken na 26 juni 2025 (pro forma) beroep in te stellen. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor niet in staat was om eventuele (andere) hulp in te schakelen, zodat het beroepschrift alsnog tijdig had kunnen worden ingediend. Het is de rechtbank niet gebleken dat de situatie van eiser in die periode zo ernstig was dat dit niet van hem kon worden verwacht. De rechtbank betrekt hierbij ook de omstandigheid dat eiser in de bezwaarprocedure al is gewezen op het te laat indienen van de bezwaarschriften en het feit dat zijn gemachtigde, die de Nederlandse taal wel machtig is, ook al bij die bezwaarprocedure betrokken was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan de late indiening van de beroepschriften verschoonbaar te achten is.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepen zijn niet-ontvankelijk. De rechtbank komt dus niet toe aan een inhoudelijk oordeel van de besluiten van het UWV. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.