De werknemer trad op 1 april 2025 in dienst bij de werkgever als chauffeur. Vanaf 23 augustus 2025 ontving hij geen loon meer en vorderde hij loondoorbetaling wegens ziekte op grond van de cao. De werkgever stelde dat de werknemer op of omstreeks 21/22 augustus 2025 ontslag had genomen en dat daarom geen recht op loon bestond.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer onvoldoende spoedeisend belang had bij zijn vordering, mede omdat hij sinds begin december 2025 niet meer bereikbaar was en niet op zittingen verscheen. Daarnaast stond onvoldoende vast dat de werknemer recht had op loondoorbetaling, omdat niet duidelijk was of hij zich daadwerkelijk ziek had gemeld of ontslag had genomen. De appberichten en verklaringen van de werkgever wezen op ontslag, terwijl de werknemer dit betwistte.
De kantonrechter benadrukte dat ontslagneming een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring vereist en dat de werkgever zorgvuldig moet onderzoeken of de werknemer het dienstverband wil beëindigen. Gezien de onzekerheid en het ontbreken van nadere bewijslevering, die in kort geding niet mogelijk is, werd de vordering afgewezen.
De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten van €1.441,50 met wettelijke rente. De kantonrechter wees het beroep op artikel 7:629a lid 6 BW af, omdat hier geen sprake was van onterechte stelling van arbeidsongeschiktheid.