Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 27 mei 2025, met bijlagen;
- het antwoord tevens eis in reconventie, met bijlagen;
- de mail van [eiser] van 1 december 2025, met producties 1, 8 en 9;
- de spreekaantekeningen van [eiser] .
Rechtbank Rotterdam
Eiser vordert voortzetting van de huurovereenkomst van zijn overleden moeder, met wie hij samenwoonde in een sociale huurwoning. De verhuurder, Woningbouwvereniging Hoek van Holland (WVH), verzet zich hiertegen en vordert ontruiming van de woning. De kern van het geschil is of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen eiser en zijn moeder, zoals vereist in artikel 7:268 lid 2 BW Pro.
De kantonrechter oordeelt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat er een duurzame gemeenschappelijke huishouding bestond. Hoewel eiser sinds medio augustus 2022 bij zijn moeder woonde, was dit aanvankelijk tijdelijk en was hij actief op zoek naar een eigen woning. De relatie kenmerkte zich door een sterke familieband en zorg, maar ontbeerde wederkerigheid en de financiële bijdragen waren niet aantoonbaar. Ook ontbrak een huisvestingsvergunning.
Gelet op deze omstandigheden is niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor voortzetting van de huurovereenkomst. Daarom wordt de vordering van eiser afgewezen en de vordering van WVH tot ontruiming toegewezen. De ontruimingstermijn is veertien dagen na betekening van het vonnis. De proceskosten worden aan eiser opgelegd, en de proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Vordering tot voortzetting huurovereenkomst afgewezen en ontruiming woning toegewezen met een termijn van veertien dagen.