ECLI:NL:RBROT:2026:2123

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
11732098 CV EXPL 25-13073
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:268 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voortzetting huurovereenkomst na overlijden moeder wegens ontbreken duurzame gemeenschappelijke huishouding

Eiser vordert voortzetting van de huurovereenkomst van zijn overleden moeder, met wie hij samenwoonde in een sociale huurwoning. De verhuurder, Woningbouwvereniging Hoek van Holland (WVH), verzet zich hiertegen en vordert ontruiming van de woning. De kern van het geschil is of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen eiser en zijn moeder, zoals vereist in artikel 7:268 lid 2 BW Pro.

De kantonrechter oordeelt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat er een duurzame gemeenschappelijke huishouding bestond. Hoewel eiser sinds medio augustus 2022 bij zijn moeder woonde, was dit aanvankelijk tijdelijk en was hij actief op zoek naar een eigen woning. De relatie kenmerkte zich door een sterke familieband en zorg, maar ontbeerde wederkerigheid en de financiële bijdragen waren niet aantoonbaar. Ook ontbrak een huisvestingsvergunning.

Gelet op deze omstandigheden is niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor voortzetting van de huurovereenkomst. Daarom wordt de vordering van eiser afgewezen en de vordering van WVH tot ontruiming toegewezen. De ontruimingstermijn is veertien dagen na betekening van het vonnis. De proceskosten worden aan eiser opgelegd, en de proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Vordering tot voortzetting huurovereenkomst afgewezen en ontruiming woning toegewezen met een termijn van veertien dagen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Locatie Rotterdam
zaaknummer: 11732098 CV EXPL 25-13073
datum uitspraak: 23 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. A.C. Hansen,
tegen
Woningbouwvereniging Hoek van Holland,
vestigingsplaats: Hoek van Holland,
gedaagde,
gemachtigde: mr. J.B.L. van de Weteringe Buys-Kroon.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘WVH’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 27 mei 2025, met bijlagen;
  • het antwoord tevens eis in reconventie, met bijlagen;
  • de mail van [eiser] van 1 december 2025, met producties 1, 8 en 9;
  • de spreekaantekeningen van [eiser] .
1.2.
Op 9 december 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [eiser] met gemachtigde en namens WVH [persoon A] en gemachtigde
mr. K. Jaspers.

2.Kern van de zaak

2.1.
[persoon B] , de moeder van [eiser] , huurde een woning van WVH. Op 1 januari 2025 is zij overleden. Tot aan haar overlijden woonde [eiser] samen met zijn moeder in de woning. [eiser] wil in de woning blijven wonen en vordert daarom voortzetting van de huurovereenkomst. WVH is het hier niet mee eens en vordert in reconventie ontruiming van de woning. [eiser] voldoet niet aan de voorwaarden om de huurovereenkomst voort te zetten en verblijft zonder recht of titel in de woning, aldus WVH.
2.2.
De vordering van [eiser] tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt afgewezen en de vordering van WVH tot ontruiming wordt toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
In conventie
2.3.
Artikel 7:268 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek regelt de positie van de achterblijvende samenwoner(s) na overlijden van de huurder van het gehuurde; gedurende een eerste termijn van zes maanden is de samenwoner gerechtigd de huur voort te zetten, als hij zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft en als hij met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde. In deze zes maanden kan de samenwoner bij de kantonrechter vorderen dat hij de huurovereenkomst van de overleden huurder na verloop van die termijn mag voortzetten. Onweersproken staat vast dat [eiser] tijdig het verzoek tot voortzetting van de huur heeft ingediend.
Geen duurzame gemeenschappelijke huishouding
2.4.
De kern van het geschil is de vraag of sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen [eiser] en zijn moeder. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van zo’n duurzame gemeenschappelijke huishouding moeten alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd. Er geldt een verzwaarde stelplicht voor degene die met een beroep op artikel 7:268 lid 2 BW Pro voortzetting van de huurovereenkomst vordert.
2.5.
De duurzaamheid van een gemeenschappelijke huishouding wordt bepaald door zowel objectieve als subjectieve factoren, zoals de duur die de gemeenschappelijke huishouding kent en de bedoeling van partijen. In deze zaak gaat het om het samenwonen van een meerderjarige zoon en zijn moeder, waarbij in de regel sprake is van een aflopende samenlevingssituatie. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] weliswaar heeft gesteld dat toch sprake is van een duurzame huishouding, maar dat hij dit onvoldoende heeft onderbouwd. De omstandigheid dat hij sinds medio augustus 2022 bij zijn moeder woonde, is niet voldoende. [eiser] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij na de scheiding van zijn ex-partner geen woning kon krijgen en daarom bij zijn moeder ging wonen. [eiser] heeft aangegeven dat dit in eerste instantie tijdelijk was, maar dat hij in overleg met zijn moeder - mede vanwege haar gezondheid - heeft besloten om daar te blijven wonen. Uit het BRP blijkt dat hij zich pas medio 2023 heeft ingeschreven in de woning. Verder blijkt uit de onweersproken stellingen van WVH en de door haar overgelegde stukken dat [eiser] de afgelopen jaren als alleenstaande woningzoekende op meer dan tien huurwoningen heeft gereageerd. [eiser] heeft die stukken niet betwist en heeft bevestigd dat hij gedurende de samenwoning op zoek was naar een eigen woning. Die omstandigheden zijn niet te rijmen met zijn stelling dat er sprake was van een duurzame samenleving.
2.6.
De relatie van [eiser] met zijn moeder wijst ook niet op een gemeenschappelijke huishouding. Dat [eiser] met zijn moeder gezamenlijke activiteiten ondernam, zoals samen wandelen, boodschappen doen, tv kijken en spelletjes doen, maakt aannemelijk dat er sprake was van een sterke familieband. Net als de zorg voor zijn moeder die [eiser] op zich nam, maar ook dat wijst op het ontbreken van wederkerigheid in de relatie en is een contra-indicatie voor het aannemen van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De door [eiser] in het geding gebrachte verklaringen van buren, de wijkcoach en zijn dochter onderschrijven de gezamenlijke activiteiten en zorg, maar vormen nog geen indicatie dat [eiser] en zijn moeder onderling een duurzame en wederkerige gemeenschappelijke huishouding vormden.
2.7.
[eiser] heeft verder aangevoerd dat hij en zijn moeder de kosten deelden. Zijn moeder betaalde de huur en verdere vaste lasten en [eiser] betaalde de boodschappen en alle andere uitgaven. [eiser] heeft echter geen bewijsstukken, zoals bankafschriften, overgelegd om deze stelling te onderbouwen. Dat [eiser] alles contant aan zijn moeder gaf, heeft hij gelet op de betwisting van WVH onvoldoende aannemelijk gemaakt. Onweersproken is door WVH aangevoerd dat [eiser] pas is begonnen met het betalen van de huur op het moment dat zijn moeder overleed. [eiser] heeft dat ook bevestigd en heeft tijdens de zitting verklaard dat zijn moeder niet wilde dat hij mee betaalde aan de vaste lasten, omdat hij vanwege het verbreken van zijn relatie op dat moment weinig had. Ook dit wijst erop dat er geen gemeenschappelijke huishouding was.
2.8.
De kantonrechter is van oordeel dat gelet op het bovenstaande onvoldoende kan worden vastgesteld dat sprake was van een wederkerige duurzame gemeenschappelijke huishouding. Er is dan ook niet voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 7:268 BW Pro. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] tot voortzetting van de huur op zijn naam daarom af.
Huisvestingsvergunning
2.9.
De kantonrechter oordeelt dat het hier gaat om een sociale huurwoning, waarvoor op grond van de Huisvestingsverordening van de gemeente Rotterdam een huisvestingsvergunning nodig is. Vast staat dat [eiser] in deze procedure geen huisvestingsvergunning heeft overgelegd en dat hij daar (nog) niet over beschikt. Met het ontbreken van een huisvestingsvergunning is eveneens niet voldaan aan een van de voorwaarden uit de wet, zodat de vordering van [eiser] ook in zoverre moet worden afgewezen.
Ten overvloede
2.10.
Ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat WVH – als toegelaten instelling – er belang bij heeft om strak de hand te houden aan haar woningtoewijzingsbeleid voor huurwoningen in de sociale sector. Niet-naleving zou namelijk een inbreuk zijn op de rechten van andere woningzoekenden die op grond van de van toepassing zijnde criteria meer aanspraak kunnen maken op de woning dan [eiser] , mede gelet op de hoogte van zijn inkomen.
In reconventie
[eiser] moet de woning ontruimen
2.11.
WVH heeft gevorderd de woning te ontruimen, omdat [eiser] niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 7:268 lid 2 en Pro 3 BW. Nu is vastgesteld dat [eiser] niet voldoet aan die voorwaarden en de huurovereenkomst niet kan voortzetten, verblijft hij zonder recht of titel in de woning. De gevorderde ontruiming zal dan ook worden toegewezen. De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
In conventie en in reconventie
Proceskosten
2.12.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] in conventie aan WVH moet betalen op € 408,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 204,00). In reconventie worden deze kosten aan de kant van WVH begroot op € 204,00 aan salaris voor de gemachtigde (1/2 x 2 punten x € 204,00). Voor kosten die WVH maakt na deze uitspraak moet [eiser] een bedrag betalen van € 102,00. Dat is in totaal € 714,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Ontruiming niet uitvoerbaar bij voorraad
2.13.
WVH heeft gevraagd om de beslissing in reconventie uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Uit art. 7:268 lid 2 BW Pro (laatste volzin) volgt echter dat [eiser] in beginsel gerechtigd is om de huur van de woning voort te zetten totdat (in hoger beroep) onherroepelijk op zijn vordering tot voortzetting is beslist. De wetgever heeft hier uitdrukkelijk voor gekozen. Hieraan kan slechts voorbij worden gegaan als sprake is van misbruik van recht(smiddelen), maar dit is niet gebleken. De enkele stelling van WVH dat sprake is van het rekken van een kansloze zaak, zonder verdere onderbouwing en gezien de betwisting van [eiser] , is onvoldoende. Voor een algemene belangenafweging is geen plaats. Dit betekent dat in reconventie bij toewijzing van deze vordering enkel de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad moeten worden verklaard.

3.De beslissing

De kantonrechter:
In conventie
3.1.
wijst de vorderingen af;
In reconventie
3.2.
veroordeelt [eiser] om binnen 14 dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] in Hoek van Holland te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [eiser] bevinden en de woning met alle sleutels ter beschikking van WVH te stellen;
In conventie en in reconventie
3.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van WVH worden begroot op € 714,00;
3.4.
verklaart dit vonnis – voor wat betreft de proceskostenveroordeling – uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken.
48436